Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 8 februari 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-258832-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte ter zake van:
- feit 1:
medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in
strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit
betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel en
- feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen
veroordeeld tot:
- een taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis en
- een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van
2 jaren.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende de bewezenverklaring van feit 2.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 1 april 2019 tot en met 14 mei 2019 te Oss, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval aanwezig heeft gehad, (in 3, in elk geval een of meer, ruimten van een bedrijfspand aan [adres 2] aldaar), een grote hoeveelheid van (ongeveer) 1087, in elk geval een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
2.hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 april 2019 tot en met 14 mei 2019 te Oss tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat (telkens) geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval (telkens) aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen, (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 26 maart 2026 een gedetailleerde en – naar het oordeel van het hof – oprechte verklaring afgelegd over zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij. Hij heeft verklaard dat familieleden van hem hebben bemiddeld tussen de medeverdachte [medeverdachte] en andere personen met betrekking tot het opzetten van een hennepkwekerij in een bedrijfspand van de medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte is later bij deze hennepkwekerij betrokken geraakt, eerst als knipper en later, omstreeks december 2018, met de opdracht om de kwekerij beter te laten draaien. Verdachte heeft verklaard niet te weten van de diefstal van stroom ten behoeve van de hennepteelt. Wel heeft hij verklaard dat de betaling van de stroom buiten hem om is gegaan, mogelijk via zijn broer.
Gelet op deze verklaring van betrokkene komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde. Het hof zal verdachte vrijspreken van het onder feit 2 ten laste gelegde nu verdachte heeft ontkend wetenschap van de diefstal van elektriciteit te hebben gehad en deze wetenschap ook overigens niet is gebleken. Het hof verwerpt daarmee het andersluidende standpunt van het openbaar ministerie.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij in de periode van 1 april 2019 tot en met 14 mei 2019 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld in 3 ruimten van een bedrijfspand aan [adres 2] aldaar, een grote hoeveelheid van 1087 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
Medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging onder meer het navolgende overwogen:
“Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de teelt van in totaal 1087 hennepplanten in
een professioneel ingerichte hennepkwekerij (..).
Hennep kan gevaar opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Het telen
van hennep gaat bovendien gepaard met andere, ook zware vormen van criminaliteit waarbij
geweld, intimidatie en bedreiging niet worden geschuwd.
Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag (..).”
Het hof neemt vorenstaande overwegingen over en maakt deze tot de zijne.
Aanvullend overweegt het hof dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring over zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij heeft afgelegd. Hij heeft – kort gezegd – verklaard gedurende drie maanden actieve bemoeienis te hebben gehad met de hennepkwekerij. Daarmee heeft verdachte een andere proceshouding aangenomen nu hij betrokkenheid bij de hennepkwekerij eerder stelselmatig ontkende.
Het hof is van oordeel dat de door de politierechter opgelegde straf niet past bij de ernst van het jegens verdachte bewezenverklaarde feit. Het hof betrekt hierbij de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting die bij een kwekerij tot 1000 hennepplanten een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden indiceren. Daarbij is van belang dat het in deze zaak om een kwekerij ging die professioneel van opzet was.
Anderzijds stelt het hof tevens vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De aanvang ervan stelt het hof met de rechtbank op 8 september 2020, het moment waarop verdachte voor de eerste maal werd verhoord. Het einde ervan stelt het hof op 8 februari 2024, zijnde de datum van het vonnis van de rechtbank. Daarmee is de redelijke termijn van 2 jaren met 17 maanden overschreden. Voor wat betreft de fase van het hoger beroep stelt het hof de aanvang van de termijn op de datum van het instellen van het hoger beroep op 9 februari 2024 en het einde ervan op de datum van dit arrest, zijnde 9 april 2026. Daarmee is de redelijke termijn van twee jaren met twee maanden overschreden.
Het hof ziet in voormelde overschrijding aanleiding om in plaats van een taakstraf voor de duur van 140 uren aan verdachte op te leggen een taakstraf van na te melden duur alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 9 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. C.A. van Roosmalen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.