Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 september 2024 en het daarmee samenhangende herstelvonnis van 8 januari 2025 in de strafzaak met parketnummer 10-025109-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
opgegeven adres: [adres 1] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘opzettelijke schending van een beroepsgeheim en een wettelijke geheimhoudingsplicht, meermalen gepleegd’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daarnaast heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijzigingen van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 22 april 2020 te [plaats 1] en/of in Nederland, een geheim, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van zijn beroep, namelijk het beroep advocaat (welk beroep is onderworpen aan (onder meer) regel 3 en 4 van de gedragsregels advocatuur) en/of een wettelijk voorschrift, te weten art. 62 Wetboek van Strafvordering, art. 10, 10a en/of 11a Advocatenwet en/of art. 7 Wet politiegegevens, verplicht was het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden door informatie te delen met onbevoegde derden, te weten door een persoon genaamd [betrokkene 1] , in elk geval een persoon, mee te laten luisteren met en/of informatie te verstrekken over/uit het verdachtenverhoor van een andere persoon, te weten [betrokkene 2] (voor wie op dat moment beperkingen van toepassing waren).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 april 2020 te [plaats 1] een geheim, waarvan hij wist dat hij uit hoofde van zijn beroep, namelijk het beroep advocaat, en een wettelijk voorschrift, te weten art. 62 Wetboek van Strafvordering en art. 10 Advocatenwet verplicht was het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden door informatie te delen met onbevoegde derden, te weten door een persoon genaamd [betrokkene 1] mee te laten luisteren met het verdachtenverhoor van een andere persoon, te weten [betrokkene 2] voor wie op dat moment beperkingen van toepassing waren.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van onderzoek [onderzoeksnaam 1] , onderzoeksnummer RT1R022049, districtsrecherche Rijnmond-Noord, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] , inspecteur, en gesloten d.d. 28 november 2022, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen, doorgenummerde dossierpagina’s 1-44.
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2022, dossierpagina’s 37-38, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op 22 april 2020 heeft in verband met onderzoek [onderzoeksnaam 2] de aanhouding plaatsgevonden van [betrokkene 2] . Hierop volgend is [betrokkene 2] om 09.13 uur op last van de officier van justitie direct in verzekering gesteld door de hulpofficier van justitie, [hulpofficier van justitie] . Ten tijde van de inverzekeringstelling is aan [betrokkene 2] medegedeeld dat hij op bevel van de officier van justitie in beperkingen geplaatst werd.
Vervolgens is met betrekking tot de consultatiebijstand van de verdachte voldaan aan het verzenden van het meldingsformulier consultatiebijstand (09.27 uur) en het meldingsformulier inverzekeringstelling (09.46 uur) met daarbij geduid als voorkeursadvocaat: [verdachte] , [plaats 1] . In beide formulieren staat daarbij aangegeven dat op last van de officier van justitie te Den Haag sprake is van alle beperkingen.
Op 22 april 2020 heeft vervolgens om 14.17 uur een verhoor plaatsgevonden met [betrokkene 2] . Tijdens dit verhoor werd [betrokkene 2] telefonisch bijgestaan door zijn advocaat [verdachte] .
Op 22 april 2020 om 15.15 uur heeft vervolgens – na afloop van het inhoudelijke verhoor – de uitreiking en ondertekening van het schriftelijke bevel beperkingen plaatsgevonden.
2. Het schriftelijk bescheid, te weten het meldingsformulier consultatiebijstand d.d. 22 april 2020, los opgenomen onder registratienummer PL1500-2019343673-81 (bijlage 2), voor zover inhoudende:
Achternaam: [betrokkene 2]
Voornamen: [betrokkene 2]
Aanhouding: woensdag 22 april 2020 te 08.09 uur
Strafbaar feit: artikel 10/4 Opiumwet, artikel 2/B Opiumwet
Naam operationeel/zaaks- [verbalisant 3]
coördinator afhandeling:
Functioneel telefoonnummer
(rechtstreeks): (…)
Functioneel e-mailadres: (…)
Voorkeursadvocaat: Ja
Naam (kantoor) advocaat: [verdachte] , [plaats 1]
Beperkingen opgelegd: Ja, op last van de officier van justitie te Den Haag alle beperkingen
Verzonden: 22 april 2020 omstreeks 09.27 uur
3. Het schriftelijk bescheid, te weten het meldingsformulier inverzekeringstelling d.d. 22 april 2020, dossierpagina 34, voor zover inhoudende:
Achternaam: [betrokkene 2]
Voornamen: [betrokkene 2]
Inverzekeringstelling: woensdag 22 april 2020 te 09.13 uur
Strafbaar feit: artikel 10/4 Opiumwet, artikel 2/B Opiumwet
Artikel 2, 3, 10, 10A en 11 Opiumwet
Naam operationeel/zaaks- [verbalisant 3]
coördinator afhandeling:
Functioneel telefoonnummer
(rechtstreeks): (…)
Functioneel e-mailadres: (…)
Voorkeursadvocaat: Ja
Naam (kantoor) advocaat: [verdachte] ., [plaats 1]
Beperkingen opgelegd: Ja, op last van de officier van justitie alle beperkingen
Verzonden: 22 april 2020 omstreeks 09.46 uur
4. Het schriftelijk bescheid, te weten de afspraakjournaalmutatie onderzoek [onderzoeksnaam 2] d.d. 21 april 2020, los opgenomen als bijlage van het d.d. 29 augustus 2024 door [officier van justitie] , officier van justitie arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant opgemaakte proces-verbaal, voor zover inhoudende:
Rapporteur: [verbalisant 3]
Onderwerp: [betrokkene 2] gaat in de beperkingen
Besloten door: [naam 1] OvJ en [naam 2]
Argumenten: I.v.m. de link naar [plaats 2] en het feit dat wij hem willen horen daarover, is het van belang dat er geen communicatie kan zijn tussen [betrokkene 2] en anderen
Afspraak: [betrokkene 2] gaat na aanhouding in de beperkingen
5. Het proces-verbaal relaas van onderzoek d.d. 28 november 2022, dossierpagina 4, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Bij onderzoek bleek mij dat het verhoor van [betrokkene 2] in het onderzoek [onderzoeksnaam 2] is opgenomen. De opname van het verhoor op 22 april 2020 om 14.17 uur werd mij op dinsdag 6 september 2022 op DVD door de politie eenheid Den Haag ter beschikking gesteld.
Uit het beluisteren van deze opname maakte ik het volgende op:
6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 2] d.d. 22 april 2020, dossierpagina’s 22-32, voor zover inhoudende het relaas en de vragen gesteld door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] :
Op woensdag 22 april 2020 om 14.17 uur verhoorden wij op het Hoofdbureau Den Haag de verdachte [betrokkene 2] . De verdachte gaf te kennen gebruik te willen maken van verhoorbijstand van voorkeursadvocaat. Ik, verbalisant, heb contact opgenomen met de advocaat en met hem afgesproken dat deze het verhoor telefonisch zal bijwonen.
Voorafgaand aan het verhoor heeft de verdachte op 22 april 2020, omstreeks 12.45 uur, telefonisch overleg gevoerd met de advocaat [verdachte] . Tijdens het verhoor werd de verdachte telefonisch bijgestaan door zijn advocaat [verdachte] , [plaats 1] .
V: Vraag verhoorder(s)
O: Opmerking verhoorder(s)
A: Antwoord verdachte
Opmerking hof: de verdachte beroept zich tijdens dit verhoor consequent op zijn zwijgrecht.
PGP-toestel
Bij je aanhouding hebben we in jouw woning een zogenaamd PGP-toestel aangetroffen.
V: Ken je [naam 3] ?
A: (…)
V: Wij hebben een aantal keer geconstateerd dat [naam 3] met jou samen is geweest of bij jouw woning is geweest. Wat kan je daarover vertellen?
A: (…)
V: Wat het meest opvallende is dat als hij met jou contact heeft gehad, hij daarna bezig is met de handel in verdovende middelen.
A: (…)
A (het hof begrijpt: O): We hebben vastgesteld dat jij een bezoek hebt gebracht aan een bedrijf in [bedrijf 1] Dat is een bedrijf dat goederen verkoopt voor verpakkingen. (…) Welke goederen heb je daar gekocht?
A: (…)
V: We hebben vastgesteld dat je op 7 april 2020 een bezoek hebt gebracht aan [bedrijf 2] in [plaats 3] (…) dat je daar 2 oranje trechters en een statief gekocht hebt. Wat heb je met die goederen gedaan?
A: (…)
V: Ken je [naam 4] ?
A: (…)
V: We hebben je aardige tijd onder de tap gehad, daarvan ga ik jou een paar gesprekken laten lezen. Die mag je doorlezen en dan gaan wij er vragen over stellen.
V: We hebben vastgesteld dat je op 11 maart 2020 telefonisch contact met hem hebt gehad.
O: Verbalisant laat de verdachte het tapgesprek TA009 sessie 946 lezen.
V: Wat wordt bedoeld met die 50 gram extra? (…)
V: Je hebt op 14 maart 2020 tevens telefonisch contact met hem gehad.
O: Verbalisant laat de verdachte het tapgesprek TA009 sessie 1404 lezen.
V: Waarom had je liever dat [naam 4] zelf kwam en vertrouwde je [naam 5] niet?
A: (…)
V: We hebben vastgesteld dat je op 21 maart 2020 telefonisch contact hebt gehad met de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] .
O: Verbalisant laat de verdachte het tapgesprek TA009 sessie 2376 lezen.
V: Wie is de gebruiker van dat telefoonnummer? (…) We hebben het vermoeden dat dit gesprek gaat over de kiloprijzen van softdrugs.
O: Verbalisant laat de verdachte het tapgesprek TA009 sessie 2459 lezen.
O: Verbalisant laat de verdachte het tapgesprek TA009 sessie 2460 lezen.
O: Verbalisant laat de verdachte het tapgesprek TA009 sessie 2465 lezen (opmerking hof: ook de laatste drie tapgesprekken waren steeds met de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] ).
V: We hebben vastgesteld dat je ook telefonisch contact hebt met [naam 6] en wel op mobiel telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Op 9 april 2020 heeft een gesprek tussen jullie plaatsgevonden.
O: Verbalisant laat de verdachte het tapgesprek TA009 sessie 6193 lezen.
V: In dat gesprek maak jij [naam 6] duidelijk dat hij navraag moet doen over de prijs van de FE35 en de FE55. (…)
(…)
V (het hof begrijpt: O): twee dagen later heb je op 11 april 2020 wederom telefonisch contact met [naam 6] .
O: Verbalisant laat de verdachte het tapgesprek TA009 sessie 7258 lezen.
(…)
Tijdens ons onderzoek hebben we vastgesteld dat je met grote regelmaat langs gaat bij de woning van je zus aan de [adres 2] in [plaats 4] . Vandaag hebben we daar in ieder geval 25 liter chemicaliën in de garage aangetroffen. Je zus heeft verklaard dat ze geen idee heeft wat er staat en dat de goederen van jou zijn. Dat jij daar inderdaad vaker langskomt in de woning.
V: Daarnaast is in de woning 124.000 euro contant geld aangetroffen. (…)
In de schuur bij de woning van je vader aan de [adres 3] in [plaats 5] hebben we ook een doorzoeking gedaan. We hebben daar meerdere goederen aangetroffen, zoals chemicaliën, materialen voor de productie van synthetische drugs, zoals ketels, tabletteermachines en een zakje met vermoedelijk amfetamine. Tijdens ons onderzoek hebben we vastgesteld dat jij daar komt. Soms voor maar enkele minuten. (…)
V: We hebben vandaag tevens een doorzoeking gedaan in het bedrijfspand van [bedrijf 3] in [plaats 6] . We hebben tijdens ons onderzoek vastgesteld dat jij daar de afgelopen periode meermalen bent geweest, soms ook voor een langere tijd. Daarbij is vastgesteld dat jij in de loods aanwezig was en hebben we tijdens die momenten gezien dat er reeds ketels aanwezig waren en dat een man in een wit overall aanwezig was bij een mobile portocabin. We hebben vandaag in die loods materialen aangetroffen die gebruikt worden voor de productie van synthetische drugs, waaronder meerdere ketels. Daarnaast hebben we chemicaliën en naar schatting zes tot zeven vuilniszakken met pillen, waarvan vermoedelijk amfetamine-tabletten.
We beëindigden het verhoor op 22 april 2020 omstreeks 15:04 uur.
7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 mei 2022, dossierpagina’s 16-21, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Binnen het onderzoek [onderzoeksnaam 3] wordt onder andere onderzoek gedaan naar de productie van synthetische drugs. Binnen dit onderzoek is [betrokkene 1] , geboren op [datum 1] te [plaats 7] , als verdachte aangemerkt. Daarbij is het Encrochataccount waarvan hij gebruik maakt onderzocht. Dit betreft het account ‘ [account 1] ’. [betrokkene 1] is als gebruiker van dit account geïdentificeerd.
Op basis van onderzoek in deze Encrochatgesprekken kan [betrokkene 1] worden gelinkt aan een onderzoek wat eerder binnen de Eenheid Den Haag heeft gedraaid. Dit betreft onderzoek [onderzoeksnaam 2] . Binnen dit onderzoek is [betrokkene 2] een van de verdachten.
Op woensdag 22 april 2020 wordt binnen onderzoek [onderzoeksnaam 2] de verdachte [betrokkene 2] gehoord. Dit verhoor start omstreeks 14.17 uur en eindigt omstreeks 15.04 uur. Voorafgaand aan het verhoor heeft de verdachte omstreeks 12.45 uur telefonisch overleg gevoerd met zijn advocaat. De advocaat betreft de heer [verdachte] . Tijdens het verhoor staat advocaat [verdachte] de verdachte telefonisch bij.
Vanuit de analyse van een aantal Encrochatgesprekken die [betrokkene 1] voert rijst het vermoeden dat [betrokkene 1] tegen betaling mee kan luisteren met dit verhoor. Vermoedelijk is [betrokkene 1] naar de werkplek van advocaat [verdachte] gereisd om daar mee te luisteren met dit verhoor. Dit vermoeden blijkt uit de onderstaande bevindingen.
Gesprek ‘ [account 1] ’ en ‘ [account 2] ’
Uit onderstaand gesprek is op te maken dat [betrokkene 1] op 22 april (opmerking hof: 2020) bij een advocaat is.
2020-04-22 [account 1] lo. kijk zo ff ben advocaat nu
Gesprek ‘ [account 1] ’ en ‘ [account 3] ’
Opmerking hof: het hof gaat ervan uit dat de gecursiveerde tijdstippen hieronder niet kloppen (zie hierna in de bewijsoverwegingen).
Gesprek ‘ [account 1] ’ en ‘ [account 4] ’
Mastgegevens
Na vordering van de officier van justitie werden de historische telecomgegevens van IMEI-nummer [IMEI-nummer] opgevraagd. Dit IMEI-nummer is het IMEI-nummer wat gekoppeld is aan de telefoon waarmee [betrokkene 1] via Encrochat communiceerde. Dit IMEI-nummer maakte het meest gebruik van de zendmast gelegen aan [adres 4] te [plaats 8] . Het IMEI-nummer maakte ook in de nachtelijk- en ochtenduren gebruik van zendmast [adres 4] te [plaats 8] . Op 22 april 2020 is te zien dat het toestel andere zendmasten aanstraalt. Tussen 14.41 uur (GMT+1) en 19.24 uur (GMT+1) straalt het toestel meerdere keren aan op een zendmast in [plaats 1] (zendmast [adres 5] ). Hieruit valt te concluderen dat het toestel wat bij [betrokkene 1] in gebruik is, is verplaatst van de omgeving [plaats 8] naar de omgeving van [plaats 1] .
Resumé
De advocaat [verdachte] is werkzaam bij [advocatenkantoor] . Het kantoor is gevestigd aan de [adres 6] te [plaats 1] .
8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 augustus 2020, los opgenomen onder documentcode LERDB20001-3205, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 6] :
Uit de woordenlijst die gericht is op cocaïne werd een hit gevonden, waarna nader onderzoek werd gedaan naar een groepering die zich bezighoudt met de handel in en vervaardiging van harddrugs. Een van de Encrogebruikers die in dit kader naar voren kwam betrof ‘ [account 1] ’. Door mij werden met behulp van de ter beschikking gestelde applicaties de chatberichten geanalyseerd waaraan ‘ [account 1] ’ deelnam, onder meer om tot een identificatie te kunnen komen.
Onderzoek nicknames
Door mij werd ‘ [account 1] ’ in de mij ter beschikking gestelde applicaties bevraagd.
Ik zag dat ‘ [account 1] ’ in de diverse contactenlijsten voorkwam onder de namen: [betrokkene 1] , [bijnaam 1] , [bijnaam 2] , [bijnaam 3] , [bijnaam 4] , [bijnaam 5] , [bijnaam 6] , [bijnaam 7] .
Analyse chats ‘ [account 1] ’
Door mij werden de chatberichten van ‘ [account 1] ’ nader geanalyseerd. Na analyse komt het volgende naar voren:
Onderzoek politiesystemen
Ik maakte naar aanleiding van vorenstaande een zoekslag in de politiesystemen op de combinatie van zoekwoorden ‘ [betrokkene 1] ’ en ‘ [plaats 9] ’. Ik zag vervolgens diverse registraties van subject [betrokkene 1] , geboren [datum 1] . Ik zag dat deze [betrokkene 1] :
[betrokkene 1] staat ingeschreven op adres [adres 7] te [plaats 8] tezamen met zijn vriendin genaamd [betrokkene 3] , geboren [datum 3] . Op haar naam is volgens het RDW register een [auto 1] afgegeven, kenteken [kenteken 2] .
Identificatie ‘ [account 1] ’
Gezien bovenstaande bevindingen kan ‘ [account 1] ’ worden geïdentificeerd als [betrokkene 1] , geboren [datum 1] te [plaats 7] .
9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juli 2023, los opgenomen onder documentcode 2307290925.AMB, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Op 27 juli 2023 deed ik een aanvullend onderzoek naar de verkeersgegevens van de telefoon die in gebruik was bij verdachte [betrokkene 1] .
22. april 2020
Onderstaand is schematisch weergegeven op welke tijdstippen het toestel op 22 april 2020 welke zendmast aanstraalt. Vanuit onderstaande gegevens kan men stellen dat er op 22 april 2020 een verplaatsing heeft plaatsgevonden van [plaats 8] in de richting van [plaats 1] . Ook kan worden gesteld dat het toestel omstreeks 07.03 uur in de omgeving van [plaats 8] was en dat het toestel omstreeks 12.14 uur in de omgeving van [plaats 1] was.
10. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting bij de rechtbank d.d. 3 september 2024, voor zover inhoudende:
U vraagt me of ik degene was die consultatiebijstand heb verleend aan [betrokkene 2] na zijn inverzekeringstelling. Ik moet consultatie hebben verleend voor een verhoor, dus ik ga ervan uit dat ik dat heb gedaan. Ik heb hem telefonisch verhoorbijstand verleend tijdens zijn verhoor. Ik ga ervan uit dat ik op kantoor was bij [advocatenkantoor] die dag.
U vraagt me of ik wel de conclusie deel dat in deze Encrochatgesprekken informatie wordt gedeeld vanuit het verhoor van [betrokkene 2] . Dat betwist ik ook niet. Mijn conclusie is dat ik informatie heb gedeeld.
11. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 maart 2026, voor zover inhoudende:
Ik weet dat ik meldingen in deze strafzaak heb gehad. Op de melding staat vaak het nummer van de hulp officier van justitie of iemand van de recherche. Je probeert dan info te krijgen waarover de zaak gaat. Normaal gesproken bel ik de politie die op de melding staat.
Bewijsoverwegingen
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte heeft zijn geheimhoudingsplicht – die voortvloeit uit de gedragsregels voor de advocatuur, de Advocatenwet, het Wetboek van Strafvordering en de Wet politiegegevens – geschonden door een onbevoegde derde, te weten de gebruiker van het Encrochataccount [account 1], te laten meeluisteren met het verhoor van zijn cliënt [betrokkene 2] die op dat moment in beperkingen zat. Daarbij verwijst de advocaat-generaal in het bijzonder naar de Enrochatberichten die door [account 1] zijn gestuurd, waaronder ‘verhoor is nog bezig ben nu luisteren’ en ‘heb erbij gezeten bij verhoor’. Ook stemt de chronologische volgorde van de mededelingen die worden gedaan in de Encrochatberichtgeving grotendeels overeen met de informatie die door de politieagenten aan [betrokkene 2] in diens verhoor is voorgehouden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe is in de kern het navolgende aangevoerd. De verdachte heeft weliswaar informatie uit het verhoor van zijn cliënt [betrokkene 2] gedeeld met/doorgegeven aan een derde, doch is er van meeluisteren tijdens het verhoor door deze derde geen sprake geweest. De verdachte heeft informatie gedeeld nadat het feitelijke verhoor was afgerond (15.04 uur) en voordat de beperkingen aan [betrokkene 2] werden betekend (omstreeks 15.15 uur). De Encrochatberichten zijn immers in een hele korte tijdsduur door [account 1] gestuurd op een moment dat het feitelijke verhoor van [betrokkene 2] al was afgerond (15.04 uur). Het is immers waarschijnlijk dat de telefoon van [account 1] twee uur te vroeg staat en dat hij de informatie doorgeeft tussen 15.16 en 15.18 uur (hof: in plaats van in de PGP-telefoon aangegeven tijden tussen 13.16-13.18 uur). Dit past ook veel beter bij het feit dat de informatie in die berichten soms niet strookt met de volgorde waarin die informatie werd besproken in het verhoor. Daarnaast ontkent getuige [betrokkene 1] – mocht hij al de gebruiker van het account [account 1] zijn – uitdrukkelijk (met toestemming van de verdachte) te hebben meegeluisterd. In de chatberichten spreekt hij ook van ‘luisteren’ en niet van ‘meeluisteren’. Voorts ontkent de verdachte stellig dat hij van iemand geld zou hebben gekregen voor het delen van informatie uit het verhoor van [betrokkene 2] .
Ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen wetgeving en gedragsregels, op grond waarvan een geheimhoudingsplicht voor de verdachte zou gelden, heeft de raadsman het navolgende bepleit. Aangaande de opgelegde beperkingen heeft de verdachte verklaard dat hij tijdens het delen van de informatie nog niet wist dat er beperkingen golden voor zijn cliënt [betrokkene 2] , maar dat hem dit pas bekend werd door de betekening van de beperkingen aan [betrokkene 2] aan het einde van het verhoor om 15.15 uur. Een aanwijzing hiervoor is volgens de raadsman te vinden in het feit dat [account 1] pas na het aan [account 3] doorgeven van de informatie om 15.19.23/27 uur spreekt over de beperkingen. De vraag van de verdachte aan de verhoorders of er ook mediabeperkingen golden, zou boekdelen spreken in dit kader. Door in strijd te handelen met de opgelegde beperkingen zat de verdachte weliswaar tuchtrechtelijk fout, maar wegens het ontbreken van opzet strafrechtelijk niet. Bovendien bevat artikel 62, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering geen wettelijke plicht tot geheimhouding voor de advocaat. Ook de Advocatenwet en het beroep van advocaat kennen geen absolute verplichting tot geheimhouding. Samenvattend roepen artikel 62, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, de artikelen uit de Advocatenwet en de gedragsregels en het zijn van advocaat gedragsrechtelijke verplichtingen in het leven, die tuchtrechtelijk – en niet strafrechtelijk – kunnen worden gesanctioneerd, aldus de raadsman.
Het oordeel van het hof
Op 22 april 2020 om 09.13 uur is [betrokkene 2] , cliënt van de verdachte, in verzekering gesteld wegens diverse verdenkingen op grond van de Opiumwet in onderzoek [onderzoeksnaam 2] . De politie heeft naar de verdachte, als zijnde de voorkeursadvocaat van [betrokkene 2] , omstreeks 09.27 uur een meldingsformulier consultatiebijstand verzonden. Kort daarna, omstreeks 09.46 uur, is naar de verdachte tevens een meldingsformulier inverzekeringstelling verzonden (beide beslaan de grootte van een A4). De verdachte heeft verklaard dat hij deze meldingsformulieren heeft ontvangen. Op beide formulieren is – kort onder de contactgegevens van de betreffende operationeel/zaakscoördinator van de politie – vermeld dat op last van de officier van justitie aan de verdachte – te weten [betrokkene 2] – alle beperkingen zijn opgelegd. Omstreeks 12.45 uur heeft de verdachte telefonisch consultatiebijstand verleend aan zijn cliënt [betrokkene 2] . Vervolgens is [betrokkene 2] door de politie verhoord tussen 14.17 uur en 15.04 uur, waarbij de verdachte zijn cliënt telefonisch bijstond vanuit zijn kantoor in [plaats 1] . Aan het einde van dit verhoor is omstreeks 15.15 uur aan [betrokkene 2] het bevel beperkingen uitgereikt.
Wetenschap beperkingen
Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verdachte voorafgaand en tijdens het verhoor van zijn cliënt [betrokkene 2] wist dat er aan die [betrokkene 2] beperkingen waren opgelegd. Naar het oordeel van het hof moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Het hof stelt daarbij voorop dat een strafrechtadvocaat indien aan een verdachte beperkingen worden opgelegd het bijzondere privilege geniet van vrije toegang en vertrouwelijke communicatie met zijn in beperkingen gestelde cliënt en daarmee ook een grote verantwoordelijkheid heeft zich hieraan te houden (zie ook hierna en vlg. de Raad van Discipline in het ressort Den Haag in zijn tuchtrechtelijke beslissing van 19 februari 2025 in de klachtzaak tegen de verdachte; overweging 7.8; zaaksnummer 24-775/DH/RO/D). Het kan niet anders dan dat de verdachte, die op 22 april 2020 al 12,5 jaar strafrechtadvocaat was, daarvan was doordrongen. De verdachte heeft dat ook niet bestreden.
In dat licht bezien heeft de verdachte in de ochtend voorafgaand aan het verhoor twee meldingsformulieren ontvangen waarop aan hem kenbaar was gemaakt dat aan zijn cliënt beperkingen waren opgelegd. Voor een strafrechtadvocaat die een piketmelding ontvangt, is de informatie die daarop staat vermeld van essentieel belang om een verdachte bij te kunnen staan. Niet alleen staat daarop het strafbare feit vermeld waarvan de cliënt wordt verdacht, maar ook of er beperkingen zijn opgelegd, of er bijvoorbeeld tegenstrijdige belangen zijn en of er een tolk nodig is. Tevens staan op deze formulieren contactgegevens van de betrokken opsporingsinstantie vermeld om rechtstreeks een afspraak te kunnen maken voor bezoek aan de cliënt en het arrangeren van de verhoorbijstand. De verdachte heeft daarover ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij normaal gesproken het telefoonnummer van de politie dat op de piketmelding is vermeld ook belt. Het hof overweegt dat beide piketmeldingen uit één pagina bestonden en dat daarop, kort onder de contactgegevens van de zaakscoördinator, stond vermeld dat aan de verdachte – [betrokkene 2] – op last van de officier van justitie alle beperkingen waren opgelegd. Gelet daarop kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte, een ervaren strafrechtadvocaat, die op de mogelijkheid van beperkingen bedacht moet zijn geweest, op de piketmeldingen, althans één van die meldingen, heeft gezien dat er aan [betrokkene 2] beperkingen waren opgelegd. Zijn verklaring dat hij pas aan het einde van het verhoor op de hoogte was van de omstandigheid dat aan [betrokkene 2] beperkingen waren opgelegd, acht het hof daarom ongeloofwaardig.
Het hof stelt aldus vast dat de verdachte op de hoogte is geweest van de geldende beperkingen ten tijde van het verlenen van bijstand aan zijn cliënt gedurende het politieverhoor. De omstandigheid dat [betrokkene 2] aan het einde van het verhoor verklaarde dat hij nog niet over de beperkingen was geïnformeerd, zegt niets over de wetenschap van die beperkingen bij de verdachte. Dat de verdachte aan het einde van het verhoor aan de verbalisanten heeft gevraagd of er ook mediabeperkingen gelden, wanneer [betrokkene 2] overgeplaatst zou worden naar het Huis van Bewaring, maakt dit evenmin anders. Immers, een dergelijke vraag is even goed voorstelbaar in de situatie dat een advocaat weet dat er aan zijn cliënt beperkingen zijn opgelegd maar deze tracht te verlichten door het mogelijk te maken dat zijn client bij overplaatsing naar de PI (anders dan op het politiebureau) de mogelijkheid krijgt een tv te huren, hetgeen bij mediabeperkingen niet mogelijk is.
Wijze van delen van informatie
Met betrekking tot het delen van informatie uit het verhoor van [betrokkene 2] heeft de verdachte verklaard dat hij de hoofdlijnen uit dat verhoor heeft gedeeld met de gebruiker van het Encrochataccount [account 1]. De verdachte heeft zich niet uitgelaten over de identiteit van [account 1] en heeft ontkend dat hij hem heeft laten meeluisteren met het verhoor. De verdachte heeft niet willen zeggen op welke manier hij de informatie heeft gedeeld met [account 1].
In dat kader stelt het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de politie de gebruiker van het Encrochataccount [account 1] onder meer op basis van zendmastgegevens en chatberichten heeft geïdentificeerd als [betrokkene 1] . Het hof ziet geen aanleiding om aan die identificatie te twijfelen.
[betrokkene 1] stuurde op 22 april 2020 onder meer in zijn Encrochatberichten ‘verhoor is nog bezig ben nu luisteren’, ‘ [verdachte] is kk lauw’, ‘dit mag allemaal niet’ en later ‘heb erbij gezeten bij verhoor’, ‘gaat telefonisch’, ‘zat bij advocaat’ en ‘en heb hem 500 gegeven’, wat duidt op een fysiek contact tussen [betrokkene 1] en de verdachte. Het hof ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om aan de betekenis van de inhoud van deze berichten te twijfelen. Die betekenis laat, zeker in onderling verband en samenhang, geen ruimte voor twijfel. In dat verband overweegt het hof met de rechtbank dat gebruikers van PGP-accounts zich tot medio juni 2020 vrijwel ‘onbespied’ waanden, omdat zij ervan uitgingen dat hun PGP-toestellen niet konden worden afgeluisterd door de politie. Dit blijkt ook uit de inhoud van de Encrochatberichten in dit dossier, nu er geen sprake is van versluierde taal in de gesprekken. Het hof komt daardoor tot de conclusie dat de berichten niet vatbaar zijn voor een andere interpretatie dan de interpretatie die op basis van de tekst voor de hand ligt. Hiervoor ziet het hof tevens bevestiging in het feit dat het PGP-toestel van [betrokkene 1] op 22 april 2020 een reisbeweging maakte van diens woonplaats [plaats 8] richting [plaats 1] en ten tijde van het verhoor van [betrokkene 2] een zendmast aanstraalde in [plaats 1] , in de buurt van het advocatenkantoor waar de verdachte kantoor hield.
Tenslotte komt ook de volgorde van en informatie in de Encrochatberichten grotendeels overeen met de volgorde van de informatie die door de politie werd voorgehouden tijdens het verhoor van [betrokkene 2] . Dat in de Encrochatberichten ook informatie staat die niet terugkomt in het proces-verbaal van het politieverhoor, zoals een mogelijke naam ‘ [naam 7] ’, doet daar niet aan af. [betrokkene 1] kon immers ook zelf, met eigen kennis, bepaalde conclusies trekken en informatie aan elkaar koppelen. Ook heeft [betrokkene 1] een bericht gestuurd inhoudende ‘moet hem inseinen zo’, hetgeen het hof sterkt in de overtuiging dat [betrokkene 1] nog bezig was met het meeluisteren van het verhoor en dat hij daarom pas later ‘actie’ kon ondernemen om onder meer bepaalde personen in te seinen.
Het hof constateert met de raadsman dat er onduidelijkheid bestaat over de exacte tijdstippen van de door [betrokkene 1] verstuurde Encrochatberichten, omdat de op de PGP-telefoon van [betrokkene 1] weergegeven tijden liggen voordat het verhoor van [betrokkene 2] is begonnen. Uitgaande van het hiervoor vastgestelde feit dat [betrokkene 1] op het kantoor van de verdachte met het verhoor van [betrokkene 2] heeft meegeluisterd, leidt het hof uit de bewijsmiddelen af dat [betrokkene 1] die berichten aan [account 3] niet gedurende het verhoor heeft meegetypt maar pas rond of na het einde van het verhoor van [betrokkene 2] . Dit volgt niet alleen uit het feit dat de volgorde van de doorgestuurde informatie soms verschilt van de volgorde waarop deze informatie in het verhoor van [betrokkene 2] aan bod is gekomen, maar met name ook uit het feit dat de informatie in twee minuten is gedeeld, terwijl het verhoor waarin deze informatie door de verbalisanten met [betrokkene 2] werd besproken, veel langer heeft geduurd. Die omstandigheid kan naar het oordeel van het hof de beperkte verschillen in de chronologische volgorde tussen de Encrochatberichten en de informatie die door de politie is gedeeld in het verhoor van [betrokkene 2] eenvoudig verklaren. Een en ander doet daarmee geen afbreuk aan de conclusie van het hof dat [betrokkene 1] heeft meegeluisterd met het politieverhoor. Dat [betrokkene 1] zulks als getuige heeft ontkend, doet hieraan niet af. Dat dit zonder toestemming van de verdachte zou zijn gebeurd, zoals de raadsman opwerpt, is ongeloofwaardig en strijdig met de bewijsmiddelen.
Ten overvloede sterken de mededelingen die de verdachte aan het begin van het verhoor van [betrokkene 2] heeft gedaan, waaronder de mededeling aan de verbalisanten dat zijn telefoon op mute (hof: gedempt) stond en de vraag of zijn cliënt [betrokkene 2] wat harder kon praten, de overtuiging van het hof dat de verdachte een derde tijdens het verhoor van [betrokkene 2] heeft laten meeluisteren.
Gelet op het vorenoverwogene concludeert het hof dat de verdachte op 22 april 2020 op zijn kantoor in [plaats 1] een onbevoegde derde, te weten [betrokkene 1] , bewust heeft laten meeluisteren met het verdachtenverhoor van zijn cliënt [betrokkene 2] aan wie hij op dat moment telefonisch verhoorbijstand gaf, terwijl hij wist dat aan zijn cliënt alle beperkingen waren opgelegd. Hierdoor is cruciale en zeer gevoelige opsporingsinformatie uit onderzoek [onderzoeksnaam 2] gedeeld met anderen die daarbij een (crimineel) belang hadden. Dat de verdachte niet zou hebben geweten dat hij door het delen van deze informatie een faciliterende rol kon spelen – zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard – acht het hof volstrekt ongeloofwaardig vanwege de aard en inhoud van de informatie en de kennis en kunde van de verdachte als ervaren strafrechtadvocaat.
Schending van de geheimhoudingsplicht
Ten slotte ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de verdachte door aldus te handelen een geheim, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van zijn beroep – het beroep advocaat – en/of een wettelijk voorschrift verplicht was het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden.
In dat kader overweegt het hof dat informatie die ‘enig geheim’ in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht (hierna telkens: Sr) bevat, informatie betreft die is bestemd om niet bekend te worden, behalve voor zover deze door daartoe bevoegde personen bekend wordt gemaakt. Bij de beoordeling of sprake is van geheime gegevens kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de informatie, het moment waarop en de hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en het moment waarop de geheimhoudingsplichtige deze informatie aan een derde verstrekte. De opvatting van de verdediging dat van ‘enig geheim’ als bedoeld in artikel 272 Sr slechts sprake kan zijn als de plicht tot geheimhouding volgt uit een wettelijke bepaling, is onjuist. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat een geheimhoudingsverplichting als bedoeld in die bepaling ook kan voortvloeien uit een ambt of beroep (vlg. Hoge Raad d.d. 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:32).
In de onderhavige zaak acht het hof het bepaalde in artikel 10 van de Advocatenwet en hetgeen voortvloeit uit artikel 62 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van belang. Ingevolge artikel 10 van de Advocatenwet oefenen advocaten immers de praktijk uit overeenkomstig de bevoegdheden en vereisten bij de Wetboeken van Burgerlijke Rechtsvordering en Strafvordering en bij de bijzondere wetten en besluiten gegeven en gevorderd, en overeenkomstig de Advocatenwet en de daarop berustende verordeningen en besluiten. In artikel 62 Sv is geregeld dat aan een in verzekering gestelde verdachte beperkingen kunnen worden opgelegd die in het belang van het onderzoek of in het belang van de orde volstrekt noodzakelijk zijn. Aan de advocaat komt – zoals hiervoor reeds is overwogen – overeenkomstig de bepalingen in het Wetboek van Strafvordering het bijzondere privilege toe van vrije toegang en vertrouwelijke communicatie met zijn in beperkingen gestelde cliënt, om te waarborgen dat een verdachte ook onder deze omstandigheden van effectieve rechtsbijstand wordt voorzien. Daarbij staat voorop dat een advocaat niet in strijd mag handelen met aan zijn gedetineerde cliënt opgelegde beperkingen, die tot gevolg hebben dat ook hij, de advocaat, niet met de buitenwereld mag communiceren over de inhoud van de aan hem toevertrouwde zaak en geldt voor hem de absolute verplichting zich te onthouden van iedere gedraging die in strijd is met het doel van de opgelegde beperkingen (vlg. Hof van Discipline d.d. 31 augustus 2009, ECLI:NL:TAHVD:2009:YA0072 en Hof van Discipline d.d. 12 juli 2020, LJN: YA1169). Het hof concludeert dan ook dat er op de verdachte tijdens het verdachteverhoor van zijn cliënt [betrokkene 2] op 22 april 2020 ingevolge artikel 10 van de Advocatenwet juncto artikel 62 Sv een geheimhoudingsplicht rustte. Door desondanks in die hoedanigheid willens en wetens een onbevoegde derde te laten meeluisteren met het verhoor van zijn cliënt, waarin door de opsporingsambtenaren cruciale en zeer gevoelige opsporingsinformatie uit onderzoek [onderzoeksnaam 2] werd gedeeld, heeft de verdachte de op hem rustende geheimhoudingsplicht in ernstige mate opzettelijk geschonden.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze als in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijke schending van een beroepsgeheim.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd en heeft het hof verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat er sprake is van een eenmalige fout en de verdachte een first offender is. Daarnaast heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte al een zware tuchtrechtelijke sanctie heeft gekregen van de Raad van Discipline, dat de verdachte altijd heeft getracht open kaart te spelen en dat er sprake is van enig tijdsverloop. De oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of een hoge taakstraf zou de verdachte disproportioneel straffen waardoor hij wederom een periode niet kan werken en geen inkomen heeft, aldus de raadsman.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich in zijn hoedanigheid van advocaat schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk schenden van zijn beroepsgeheim. De verdachte wist dat zijn cliënt [betrokkene 2] in beperkingen zat en heeft desondanks een onbevoegde derde – te weten [betrokkene 1] – laten meeluisteren met het verhoor van die [betrokkene 2] , terwijl de verdachte zelf zijn cliënt telefonisch vanuit zijn kantoor bijstond. Daarbij is de verdachte op stiekeme en doortrapte wijze te werk gegaan door zijn telefoon op mute te zetten en zijn cliënt te vragen wat harder te praten. De verdachte heeft zich daarmee bewust laten lenen voor het delen van cruciale en zeer gevoelige opsporingsinformatie en heeft daarvoor kennelijk een geldbedrag van € 500,00 ontvangen.
Beperkingen worden opgelegd om te voorkomen dat een verdachte contact heeft met de buitenwereld en daarmee een (lopend) onderzoek frustreert. [betrokkene 2] werd in onderzoek [onderzoeksnaam 2] verdacht van medeplegen van Opiumwetgerelateerde feiten en de uiteindelijke strafzaak tegen hem is inmiddels onherroepelijk afgedaan met onder meer oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Tijdens het verdachtenverhoor van [betrokkene 2] werd hij door de politieambtenaren geconfronteerd met de resultaten van het onderzoek dat in de periode vóór zijn aanhouding had plaatsgevonden. Uit de gesprekken die [betrokkene 1] (als zijnde [account 1]) met [account 3] had, blijkt dat het verhoor van [betrokkene 2] hen onder meer duidelijk maakte waar doorzoekingen hebben plaatsgevonden, hoeveel geld er in beslag is genomen, dat de politie nog iemand ‘onder de korrel’ heeft en dat die, aldus [betrokkene 1] , moet worden ingeseind omdat daar nog ketels staan. Door [betrokkene 1] te laten meeluisteren met het verhoor van [betrokkene 2] heeft de verdachte dan ook op zijn minst een faciliterende rol gespeeld bij het in stand houden van de georganiseerde drugscriminaliteit. Mogelijk is daarbij het onderzoek van politie en justitie gefrustreerd.
De rechtsstaat staat of valt bij integriteit. Zonder integriteit erodeert het fundament van de rechtsstaat. In het verlengde hiervan moet ervan worden uitgegaan dat een rechter onpartijdig en onafhankelijk is, dat een politiefunctionaris en officier van justitie niet corrupt zijn en dat een advocaat bestand is tegen de druk van zijn cliënt of diens omgeving om als doorgeefluik te functioneren. Advocaten hebben een geprivilegieerde positie als degene aan wie vrije toegang en vertrouwelijke communicatie toekomt tot verdachten aan wie in het belang van het opsporingsonderzoek beperkingen zijn opgelegd. Dat privilege brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee dat in geval van beperkingen ook de advocaat zich hieraan dient te houden. De verdachte heeft dat vertrouwen beschaamd. Door op deze wijze misbruik te maken van zijn geprivilegieerde positie als advocaat, heeft de verdachte zijn integriteit op ernstige wijze ondermijnd en daarmee de pijlers van de rechtsstaat op grove wijze geschaad.
Het hof neemt het, evenals de rechtbank, de verdachte kwalijk dat hij ter terechtzitting bij de rechtbank en het hof geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. De verdachte heeft zich bij de beantwoording van veel vragen van de rechtbank en het hof verscholen achter zijn verschoningsrecht als advocaat. In dat kader overweegt het hof dat de Raad van Discipline in de tegen de verdachte aangespannen tuchtzaak heeft overwogen dat het verschoningsrecht niet moet worden uitgelegd zoals de verdachte dat doet. Immers, voorop staat dat een advocaat een verschoningsrecht heeft in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat. Zijn geheimhoudingsplicht beperkt zich tot datgene wat deze rechtzoekende, zijn cliënt, hem heeft toevertrouwd. In de onderhavige zaak gaat het om gedragingen die de verdachte heeft verricht ten overstaan van een derde. Niet valt in te zien waarom het verschoningsrecht ten aanzien van verdachtes cliënt hierbij een rol speelt. De verdachte heeft aangevoerd dat hij mogelijk de derde zou belasten, maar deze derde was geen cliënt van de verdachte in deze kwestie (r.o. 7.2, Raad van Discipline d.d. 19 februari 2025, ECLI:NL:TADRSGR:2025:24). Dat de verdachte deze derde eerder in een bestuursrechtelijke kwestie zou hebben bijgestaan acht de Raad van Discipline in dit verband niet relevant. De omstandigheid dat de verdachte – zoals hij heeft gesteld – door zijn geheimhoudingsplicht in de onderhavige strafzaak niet ten volle zijn verdediging kon voeren, komt dan ook naar het oordeel van het hof voor zijn eigen rekening.
Het hof heeft bij de strafoplegging voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 december 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd – waarbij het hof aansluiting heeft gezocht bij de straffen die worden opgelegd bij het schenden van de geheimhoudingsplicht door politiefunctionarissen – en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij overweegt het hof dat de omstandigheid dat de verdachte met zijn strafbare handelen de pijlers van de rechtstaat op grove wijze heeft aangetast, op zichzelf al de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Het hof acht het in dat kader tevens van belang dat de verdachte een faciliterende rol heeft gespeeld bij het in stand houden van de georganiseerde (drugs)criminaliteit, in welke strafzaken vaak ook (lange) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Met het oog op de strafdoelen van vergelding en generale preventie kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden volstaan met de door de advocaat-generaal gevorderde straf.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en geboden.
De Raad van Discipline heeft de verdachte tuchtrechtelijk veroordeeld en aan hem de maatregel van schorsing voor de duur van 52 weken opgelegd, waarvan 26 weken voorwaardelijk opgelegd. De verdachte heeft als ervaren strafrechtadvocaat een, met de woorden van de Raad van Discipline (in de eerder aangehaalde inmiddels onherroepelijke uitspraak in tuchtrechtzaak tegen de verdachte), onvergeeflijke fout gemaakt door op deze wijze als doorgeefluik te functioneren. Het hof is van oordeel dat dergelijke misstappen in beginsel moeten leiden tot einde beroepsuitoefening, tenzij er verantwoordelijkheid wordt genomen en sprake is van bijzondere omstandigheden die kunnen disculperen. Dit laatste is in dit onderhavige geval niet aan de orde. Nu de Raad van Discipline in weerwil van de door de Deken voorgestelde wijze van afdoening niet is overgegaan tot de maatregel van schrapping, heeft het hof derhalve onderzocht of aan de verdachte in de onderhavige strafzaak oplegging van de maatregel van ontzetting van het beroep van advocaat mogelijk is. Nu de wet echter bij een delict als het onderhavige niet de mogelijkheid biedt de verdachte uit het beroep van advocaat te ontzetten, zal het hof hiertoe niet (kunnen) overgaan.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. R. Lonterman, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 15 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.