Nº 32
De Hooge Raad der Nederlanden,
Gezien het beroepschrift in cassatie van den Minister van Financiën, waarbij deze de vernietiging vraagt van na te melden uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te Leiden van 26 September 1916, gedaan op het beroep van [X] te [Z] tegen zijn aanslag tot navordering van inkomstenbelasting over het belastingjaar 1915/1916;
Gelet op de schriftelijke conclusie van den Procureur-Generaal tot vernietiging van de beschikking waarvan beroep en handhaving van den aanslag;
Gezien de stukken;
Overwegende, dat uit de bestreden uitspraak blijkt, dat [X] voornoemd bij den Raad van Beroep een beroepschrift heeft ingediend, waarin hij bezwaar maakt tegen den aanslag tot navordering van inkomstenbelasting over het belastingjaar 1915/1916;
dat de Raad van Beroep na te hebben overwogen, dat de aanslag tot navordering steunt op de meening dat reclamant bij de opgave van zijn inkomsten verzuimd heeft de opbrengst te voegen van aandeelen nominaal uitmakende een som van f 20000 .- in eene naamlooze vennootschap, welke aandeelen op 1 Mei 1915 in zijn bezit waren, den aanslag heeft vernietigd, op grond, dat reclamant ter vergadering van den Raad aannemelijk heeft gemaakt zijn beweren, dat de aankoop der bedoelde aandeelen uit realisatie van andere bronnen van inkomst geschied is en dus alleen kapitaal verplaatst, geen nieuwe bron van inkomsten ontstaan is;
Overwegende dat tegen deze beslissing bij het beroepschrift als eenig middel van cassatie wordt aangevoerd:
Schending of verkeerde toepassing van artikel 12 der wet op de inkomstenbelasting 1914, wordende tot toelichting in hoofdzaak aangevoerd:
Door den aankoop van aandeelen, waarvan in de aangehaalde overweging sprake is, zijn die aandeelen voor den reclamant bronnen van inkomen geworden, ook naar de opvatting van den Raad van Beroep, die immers overweegt, dat de aankoop is geschied uit realisatie van "andere bronnen van inkomst;"
Hiermede zijn echter niet te rijmen de slotwoorden der overweging dat ''(dus/geen nieuwe bron van inkomsten ontstaan is;"
Kunnen deze woorden, als behelzende een onjuiste gevolgtrekking, niet dienen tot verklaring van het dispositief der uitspraak, evenmin is zulks het geval met de daaraan voorafgaande woorden: "dus alleen kapitaal verplaatst (is)." Deze gevolgtrekking toch is hier zonder belang, vermits (in) de artikelen 12 tot en met 19 der wet bevattende de voorschriften voor de bepaling van belastbaar inkomen, niets is te vinden, waaraan zij eenig belang zou kunnen ontleenen. In casu is het dus de vraag of de meening waarop volgens de uitspraak van den Raad van Beroep de navordering steunt al dan niet juist is, en hierop luidt het antwoord, dat de gestelde feiten door den Raad implicite als vaststaande worden aanvaard en dus als vaststaande moeten worden beschouwd. Derhalve: de reclamant bezat op 1 Mei 1915 zekere aandeelen (ter gezamenlijke nominale waarde van f 20000 .- ) en de opbrengst dier aandeelen is niet in zijn aangifte begrepen. Uit deze feiten op zich zelf beschouwd volgt, dat de reclamant zijn belastbaar inkomen te laag heeft aangegeven, zoodat daar de uitspraak geen overweging inhoudt, welke in staat is die conclusie te niet te doen en ook het nagevorderde bedrag niet wordt aangevallen, de Raad van Beroep den aanslag niet had moeten vernietigen, doch moeten handhaven.
Overwegende ten aanzien van dit middel en voor zooveel noodig ambtshalve:
dat ingevolge artikel 82 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914, bijaldien eenig feit grond oplevert voor het vermoeden, dat een te lage aanslag is opgelegd, de te weinig geheven belasting alsnog van den belastingplichtige kan worden nagevorderd;
dat waar nu in artikel 12 der wet wordt bepaald, dat voor de heffing der belasting de opbrengst bepaald wordt van de bronnen van inkomen, die bij den aanvang van het belastingjaar voor den belastingplichtige bestaan, bij de vaststelling van het belastbaar inkomen van een belastingplichtige, die op dat tijdstip aandeelen in eene naamlooze Vennootschap bezit, met de opbrengst van die bronnen van inkomen rekening moet worden gehouden en zulks met inachtneming van het bepaalde bij de artikelen 13 en 14;
dat hieruit volgt, dat, wanneer een belastingplichtige bij den aanvang van een belastingjaar zoodanige aandeelen bezit en hij desniettemin bij zijn aangifte met de opbrengst dier aandeelen geen rekening heeft gehouden de aanslag over een te laag inkomen kan zijn vastgesteld en daardoor te weinig belasting is opgelegd;
dat derhalve in het onderhavige geval, naar, gelijk de Raad van Beroep blijkbaar heeft aangenomen, de belastingplichtige geene aangifte heeft gedaan van inkomsten uit een aantal aandeelen in eene Naamlooze Vennootschap, die hij op 1 Mei 1915 bezat en die mitsdien behoorden tot de bronnen van zijn inkomen bij den aanvang van het belastingjaar, er gronden konden bestaan voor de vaststelling van een aanslag tot navordering;
dat hieruit echter nog niet volgt, dat de opgelegde nadere aanslag juist is, wijl daarvoor nog behoort te blijken èn dat de oorspronkelijke aanslag te laag was èn dat bij den naderen aanslag, - afgezien van de verhoogingen bedoeld bij artikel 85 der wet - niet meer aan belasting is opgelegd dan bij den eersten aanslag te weinig is geheven;
Overwegende dat derhalve, toen [X] van den hem opgelegden naderen aanslag in beroep kwam, de Raad van Beroep had moeten onderzoeken wat het juiste bedrag van het volgens de wet berekende inkomen was waarover de belastingplichtige had behooren te zijn aangeslagen, een onderzoek waarbij eenerzijds rekening moet worden gehouden met inkomsten, die niet zijn aangegeven maar desniettemin hadden moeten zijn in rekening gebracht, doch anderzijds buiten aanmerking behooren te blijven inkomsten uit bronnen van inkomen, die bij den aanvang van het belastingjaar niet meer bestonden, al had ook de belastingplichtige deze ten onrechte in zijne aangifte opgenomen;
dat van het instellen van zulk een onderzoek niets is gebleken, doch de Raad van Beroep den aanslag heeft vernietigd op den hierboven vermelden grond, welke echter onjuist is, wijl het onverschillig is op welke wijze een bron van inkomen is ontstaan en bloot behoort te worden beslist of een bron van inkomen bestaat;
Overwegende dat de uitspraak van den Raad van Beroep dus moet worden vernietigd, doch dat hieruit allerminst volgt, dat, gelijk in de toelichting tot het cassatiemiddel wordt betoogd, de opgelegde nadere aanslag door den Hoogen Raad zou moeten worden gehandhaafd;
dat daartoe slechts dan termen zouden bestaan, wanneer thans reeds vaststond dat de oorspronkelijke aanslag te laag en de nadere aanslag op het juiste bedrag is vastgesteld waaromtrent echter niets vaststaat;
dat uit het bovenstaande volgt, dat de uitspraak van den Raad van Beroep moet worden vernietigd en de zaak, wijl de beslissing afhankelijk is van daadzaken, welke bij de vroegere behandeling onopgelost zijn gelaten, ter verdere behandeling naar dat College moet worden verwezen;
Vernietigt de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te Leiden den 26sten September 1916 in deze zaak gewezen; Recht doende krachtens artikel 14 der wet van 19 December 1914 (Staatsblad nº 564);
Wijst de zaak terug naar den Raad van Beroep voornoemd, ten einde met inachtneming van dit arrest te worden behandeld en afgedaan.
Gedaan ter Raadkamer van den achtsten Februari 1900 en zeventien bij de Heeren Mrs. Jhr. de Savornin Lohman, President, Loder, Bosch, Fentener van Vlissingen en Segers, Raden, in tegenwoordigheid van Jhr. Mr. Van Panhuys, griffier.