No. 831
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift door den Minister van Financiƫn ingediend tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de directe belastingen I te Rotterdam van 22 October 1921 in zake den aanslag van [X] tot navordering van inkomstenbelasting, belastingjaar 1919/20;
Gezien de stukken;
Gelet op de schriftelijke conclusie van den Advocaat-Generaal Besier, namens den Procureur- Generaal, daartoe strekkende, dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd en dat het bedrag waarover de aanslag tot navordering is gedaan, zal worden teruggebracht tot f. 4669 .-;
Overwegende dat blijkens de bestreden uitspraak belanghebbende in de Inkomstenbelasting, belastingjaar 1919/1920, oorspronkelijk is aangeslagen naar een belastbaar inkomen van f. 49980 .-;
dat hem daarna over dat jaar een navorderingsaanslag is opgelegd op grond van een later gebleken inkomen van f. 73390 .-;
dat de Raad van Beroep, - van oordeel eenerzijds dat het inkomen lager moest worden genomen dan dat waarvan bij den navorderingsaanslag was uitgegaan, anderzijds dat de opbrengst van een bron, waarmede alsnog rekening had moeten zijn gehouden, was te stellen op f. 4669. - , - niettemin den navorderingsaanslag heeft vernietigd in plaats van verminderd ;
dat de Raad zulks heeft gedaan op grond dat onder het inkomen, waarnaar belanghebbende oorspronkelijk was aangeslagen, voorkwam een post winst groot f. 6600.-, waarvan f. 6000 .- was behaald door deelneming in een syndicaat, en deze winst niet bij het inkomen gevoegd had mogen zijn, omdat zij als kapitaalsvermeerdering had moeten zijn aangemerkt, zoodat van navordering geen sprake kan zijn, nu het belastbaar inkomen, waarover belasting had moeten worden betaald, niet hooger is dan dat waarnaar belanghebbende oorspronkelijk is aangeslagen;
Overwegende dat de Minister tegen deze uitspraak als middelen van cassatie aanvoert :
1o Schending althans verkeerde toepassing van artikel 16 der wet van 19 December 1914 ( Staatsblad no 564) in verband met artikel 87 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914, door uitspraak te doen op een niet aangevoerde grief;
2o Schending althans verkeerde toepassing van artikel 16 der wet van 19 December 1914 ( Staatsblad no 564), in verband met artikel 7 der wet op de inkomstenbelasting door te beslissen, dat - winst behaald door deelneming in een Syndicaat, niet als inkomen doch als kapitaalsverandering moet worden beschouwd ;
Omtrent het eerste middel:
Overwegende dat dit is gegrond; dat toch weliswaar belanghebbende, om aan te toonen dat de navordering geheel of ten deele achterwege had moeten blijven, bevoegd zou zijn geweest te bewijzen, dat bij den oorspronkelijken aanslag rekening was gehouden met een bedrag dat bij de vaststelling van het belastbaar inkomen buiten aanmerking had moeten blijven, doch uit niets blijkt, dat belanghebbende zich op zoodanige omstandigheid heeft beroepen;
dat de Raad dan ook zich had behooren te onthouden van eene beslissing omtrent een punt, ten aanzien
waarvan belanghebbende geen bezwaar had ingebracht, zoodat de uitspraak behoort te worden vernietigd en de navorderingsaanslag moet worden bepaald naar een inkomen van f. 49980. - + f. 4669 .-;
Overwegende dat waar het eerste middel gegrond is, het tweede middel buiten behandeling moet blijven; Vernietigt de uitspraak door den Raad van Beroep voor de directe belastingen I te Rotterdam op 22 October 1921 in deze zaak gewezen;
Vermindert den aanslag in dier voege, dat zal worden nagevorderd naar een totaal inkomen van f. 54649.-;
Gedaan bij de Heeren Jhr. de Savornin Lohman, President, Segers, Ort, van den Dries en Schepel, Raden, in bijzijn van den Griffier Jhr. van Panhuys, en door den President uitgesproken ter Raadkamer van den twaalfden April 1900 Twee en Twintig.