HR-zaaknummer 28007 en HR-volgnummer 73
De Hooge Raad der Nederlanden,
Op het beroep van den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het Kantongerecht te Breukelen-Nijenrode requirant van cassatie tegen een vonnis van den Kantonrechter te Breukelen- Nijenrode van den zestienden November 1921, waarbij [verdachte] , 37 jaar, timmerman, wonende te [plaats] , [a-straat 1] ter zake van het hem te laste gelegde is ontslagen van alle rechtsvervolging;
Gehoord het verslag van den Raadsheer Schepel.
Gezien, de insinuatie, namens den Procureur-Generaal aan den gerequireerde beteekend, ter kennisgeving van den dag, voor de behandeling dezer zaak bepaald;
Gelet op het middel van cassatie, door den requirant voorgesteld bij memorie, luidende:
Schending door verkeerde toepassing van artikel 216 van het Wetboek van Strafvordering, in verband met artikel 8a der Verordening tot aanvulling van de Algemeene Politieverordening voor de gemeente Wilnis, vastgesteld in de vergadering van den Raad dier gemeente van 10 Juni 1921, in verband met artikel 131 (lees 135) der Gemeentewet;
Gehoord den Advocaat-Generaal Ledeboer, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep.
Overwegende, dat bij het bestreden vonnis bewezen is verklaard, met zijne schuld daaraan, dat de gerequireerde op Zondag 7 Augustus 1921 te Wilnis in de Wilnissche plassen heeft gevischt door aldaar een hengel te water te hebben;
dat echter dit bewezen verklaarde feit niet strafbaar is verklaard en de beklaagde te dier zake van alle rechtsvervolging is ontslagen op grond, dat de verbodsbepaling, waarvan ten deze de toepassing werd ingeroepen en wel bij artikel 8a der Algemeene Politieverordening van de gemeente Wilnis, luidende: "het is verboden te visschen op Zondag ... Van dit verbod is uitgezonderd het in het water hebben van fuiken en korven" mede blijkens de grens der bij artikel 135 der Gemeentewet gegeven verordenings-bevoegdheid wordt overschreden en dit voorschrift alzoo verbindende kracht mist;
Overwegende, dat tegen de juistheid dezer beslissing het middel van cassatie is gericht ter ondersteuning waarvan door den requirant wordt aangevoerd, dat de bepaling van artikel 8a wel degelijk steunt op artikel 135 der Gemeentewet en het daarin bepaalde wel degelijk is vastgesteld in het belang van de openbare orde;
Overwegende daaromtrent:
dat voormeld artikel 8a, opgenomen in hoofdstuk II, getiteld "Openbare orde en Veiligheid", van de Algemeene Politieverordening voor de gemeente Wilnis en tegen de overtreding waarvan in artikel 21 der verordening straf is bedreigd in zóó algemeene bewoordingen is vervat, dat daaronder is te begrijpen elk visschen op Zondag hetzij dit geschiedt in openbare wateren of in wateren vanaf of vanuit openbare land- of waterwegen zichtbaar, hetzij in alle andere vischwateren ook die op geenerlei wijze bemerkbaar van eenige openbare plaats;
dat daarmede de gemeentelijke wetgever de grenzen heeft overschreden hem voor het maken van verordeningen in artikel 135 der Gemeentewet gesteld, omdat bij het visschen in laatstbedoelde wateren noch de openbare orde, zedelijkheid of gezondheid noch eenig ander huishoudelijk gemeentebelang is betrokken;
dat daarom aan de bedoelde bepaling, die als eene onsplitsbare wilsverklaring van den gemeentelijken wetgever is te beschouwen, in het bestreden vonnis terecht verbindende kracht is ontzegd en, waar het telaste gelegde en bewezen feit ook niet bij eenige andere wettelijke bepaling met straf is bedreigd, de gerequireerde eveneens terecht van alle rechtsvervolging is ontslagen; Overwegende, dat dus het middel niet tot cassatie van het bestreden vonnis kan leiden;
Verwerpt het beroep.
Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heeren Nypels, President, Savelberg, Jhr. Feith, Taverne en Schepel, Raden, in bijzijn van den Griffier Kist, die dit arrest hebben onderteekend, en door den President, in tegenwoordigheid van de genoemde Heeren uitgesproken ter openbare terechtzitting van den dertienden Februari 1900 twee en Twintig.