DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
in de zaak (No 5857)
1. Mr. JAN WILLEM DE KANTER, en
2. Mr. FREDERIK MAXIMILIAAN WESTEROUEN VAN MEETEREN, beiden advocaat en procureur, wonende te 's-Gravenhage, handelende in hunne hoedanigheid van Curatoren in het faillissement der Naamlooze Vennootschap "DE ZUID - HOLLANDSCHE CREDIETVEREENIGING", gevestigd te 's-Gravenhage, tot het instellen van dit beroep in cassatie gemachtigd door den Rechter-Commissaris in dat faillissement, eischers tot cassatie van een arrest door het Gerechtshof te 's-Gravenhage op 1 April 1926 tusschen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. L.A. Nypels, advocaat bij den Hoogen Raad.
Tegen :
1. [verweerder 1], en
2. [verweerder 2], beiden wonende te [woonplaats], verweerders, vertegenwoordigd door Jhr.Mr. G.W. van der Does, advocaat bij den Hoogen Raad.
Partijen gehoord;
Gehoord den Advocaat-Generaal Tak, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende
tot vernietiging van het bestreden arrest, tot terugwijzing der zaak naar het Gerechtshof alhier ter verdere berechting en tot veroordeeling der verweerders in de kosten op hare cassatie gevallen;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest en het daarbij vernietigde vonnis der Arrondissements- Rechtbank te 's-Gravenhage van 3 Februari 1925, waarnaar het arrest ten aanzien der feiten verwijst, voor zooveel thans van belang blijkt:
dat de eischers q.q. bij inleidende dagvaarding hebben gevorderd, dat de verweerders hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd zullen worden veroordeeld de eerste tot betaling van f 31.875, en de tweede tot betaling van f 30.493.80 beiden met renten, zulks op grond, dat de eerste verweerder op of omstreeks 12 Juli 1921 als crediet genietend lid der op 18 Augustus 1922 gefailleerde vennootschap de Zuid-Hollandsche Credietvereeniging is aangenomen en toegetreden met een inschrijving van f 37.500, waarop 15% zijn gestort, zoodat de eerste verweerder ingevolge artikel 9 der statuten nog tot het bedrag van 85% zijner inschrijving aansprakelijk bleef voor de verbintenissen der vennootschap; - dat de activa der vennootschap vermeerderd met de som van de bedragen, waarvoor de credietgenietende leden thans nog aansprakelijk zijn voor de verbintenissen der vennootschap, niet toereikend zijn om de schulden te voldoen, terwijl de aansprakelijkheid van den tweeden verweerder voor het van hem gevorderde bedrag zou voortspruiten uit het feit, dat hij zich tot borg en hoofdelijk medeschuldenaar van den eersten verweerder had gesteld tot een bedrag van f 37.500;
dat deze vordering bij het bovenaangeduide vonnis der Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage is toegewezen, waarop de verweerders van dat vonnis in hooger beroep zijn gekomen en daartegen meerdere grieven hebben aangevoerd, met het gevolg, dat bij het bestreden arrest op, voor zooveel noodig onder te bespreken gronden, de eerste dier grieven juist werd geoordeeld en wijders op den niet door de verweerders aangevoerden grond, dat de overeenkomst tusschen de verweerders en de credietvereeniging was eene voorwaardelijke schenking, die als niet in den bij de wet voorgeschreven vorm tot stand gekomen, rechtskracht miste, met vernietiging van het beroepen vonnis de ingestelde vordering niet-ontvankelijk werd verklaard;
Overwegende dat tegen deze beslissing als middel van cassatie is aangevoerd:
Schending en verkeerde toepassing van de artikelen 1349, 1350, 1355, 1356, 1371, 1372, 1703, 1719 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,--------
A.) door dat het Gerechtshof de verbintenis door de crediet-genietende leden met de Naamlooze Vennootschap de Zuid-Hollandsche Credietvereeniging door hun inschrijving aangegaan, strekkende tot uitkeering van een zeker kapitaal indien bedoelde naamlooze vennootschap haar schulden niet meer uit eigen vermogen kan voldoen, beschouwt als een schenking en nu de voor schenking door de wet vereischte vorm niet is in acht genomen, beslist, dat aan deze inschrijving geen recht kan worden ontleend op grond dat tegenover de verplichting tot uitkeering geenerlei kans op winst of voordeel staat noch heeft
gestaan, zulks, hoewel ook blijkens het aangevallen arrest door het Hof is aangenomen: -------
1. dat aan dergelijke credietgenietende leden, wier inschrijving ten minste f 3000.- bedraagt, en die gedurende de aan de vergadering voorafgaande laatste zes maanden lid der Vennootschap zijn geweest, stemrecht toekomt;
2. dat zij over het door hen gestort bedrag ad 15% hunner inschrijving 3% rente 's-jaars ontvangen, indien de gemaakte winst dit toelaat, - en
3. dat zij zijn credietgenietende leden en het in de Statuten omschreven doel der Zuid-Hollandsche Credietvereeniging is het verstrekken van crediet aan ieder, die als credietgenietend lid door haar is aangenomen, ten hoogste tot het bedrag zijner inschrijving, -
welke vaststaande feiten met het begrip "schenking" in den zin der artikelen 1703 en 1719 Burgerlijk Wetboek in tegenspraak zijn, ook al ware aan deze leden geenerlei verder recht of voordeel toegekend;
B.) doordat het Gerechtshof, door op grond dat de ten processe bedoelde inschrijving als eene schenking moet worden beschouwd en de daarvoor door de wet vereischte vorm niet is in acht genomen, te beslissen, dat aan deze inschrijving geenerlei recht kan worden ontleend en de ingestelde vordering niet-ontvankelijk te verklaren, ten onrechte rechtsmiddelen, welke door de partijen niet waren aangevoerd, heeft aangevuld;
Overwegende dat door de verweerders is opgemerkt, dat het middel niet tot cassatie zou kunnen leiden, omdat de wetsbepalingen waarbij het burgerlijk recht op handelsovereenkomsten toepasselijk wordt verklaard niet zijn aangehaald, echter ten onrechte, omdat ook zonder die wetsbepalingen die toepasselijkheid, behoudens uitdrukkelijke uitsluiting zou moeten worden aangenomen;
Overwegende dat door de verweerders nog is aangevoerd, dat het voorgedragen middel zou zijn ongegrond, omdat, ware het gegrond, de door het Hof aangenomen juistheid van de eerste grief tegen het vonnis der Rechtbank, dan weer zou blijken ten onrechte te zijn aangenomen;
Overwegende hieromtrent:
dat de juistheid dezer redeneering niet kan worden onderzocht, omdat tegen 's-Hofs beslissing omtrent de voorbedoelde eerste grief geen middel van cassatie is aangevoerd;
Alsnu ten aanzien van het onderdeel A. van het voorgedragen middel:
Overwegende dat het Hof, naar aanleiding der eerste grief van de toen appellanten, vaststellende de rechtsverhouding bestaande tusschen de bovengenoemde Credietvereeniging en hare zoogenaamde credietgenietende leden, waartoe de eerste verweerder naar 's-Hofs beslissing behoort, uitmaakt dat de Credietvereeniging is eene naamlooze vennootschap, die ten doel heeft het verstrekken van crediet aan ieder, die als credietgenietend lid door haar is aangenomen, met dien verstande, dat tusschen de credietgenietende leden geenerlei onderlinge rechtsband bestaat en dan ook de rechtsverhouding tusschen de Credietvereeniging en ieder der credietgenietende leden er eene is die geheel zelfstandig bestaat en geen verband houdt met dre tusschen de overige credietgenietende leden en de Credietvereeniging tot stand gekomen overeenkomsten;
Overwegende dat gelijk reeds werd opgemerkt, tegen deze beslissing in cassatie niet wordt opgekomen en zij dus tusschen de partijen in dit geding onherroepelijk vaststaat;
Overwegende dat hieruit volgt, dat evenzeer vaststaat, dat de eerste verweerder, door zijn overeenkomst met de Credietvereeniging, is toegelaten tot den kring van personen aan wie, krachtens de statutaire bepalingen der Credietvereeniging door deze crediet kan worden verleend;
Overwegende dat derhalve de strekking der evenbedoelde overeenkomst is het openen der mogelijkheid voor de Credietvereeniging om, in overeenstemming met haar doel, aan een credietgenietend lid crediet te verleenen en voor zoodanig lid, in dit geval den eersten verweerder, om dat crediet te genieten, zoodat het openen dier mogelijkheid is aan te merken als de oorzaak der tusschen partijen tot stand gekomen overeenkomst;
Overwegende dat hieruit blijkt, dat tusschen de Credietvereeniging en den eersten verweerder geen schenkingsovereenkomst is tot stand gekomen, daar de oorzaak voor het bestaan van zoodanige overeenkomst vereischt, naar zin en strekking van artikel 1703 van het Burgerlijk Wetboek geen andere kan zijn dan "vrijgevigheid", waarvan, blijkens het bovenstaande, in dit geval geen sprake is;
Overwegende dat 's-Hofs beslissing, dat hier wel eene schenkingsovereenkomst, zij het een voorwaardelijke, zou zijn tot stand gekomen, dan ook niet door de er voor aangevoerde gronden wordt gerechtvaardigd;
Overwegende toch, dat het Hof tot deze beslissing komt door in oogenschouw te nemen de door de credietgenietende leden aanvaarde aansprakelijkheid voor de verbintenissen der vennootschap tot het bedrag hunner inschrijvingen;
dat echter het Hof bij deze geheele redeneering uit het oog verliest en dan ook buiten beschouwing laat, dat blijkens het bovenoverwogene de strekking der betrokken overeenkomst is het openen der mogelijkheid van credietverleenen en credietgenieten als bovenomschreven, waarmede niet te rijmen is 's-Hofs opvatting, dat louter vrijgevigheid de oorzaak van deze overeenkomst zou zijn, eene opvatting waartoe het Hof dan ook alleen kon komen door, gelijk gezegd, de strekking der overeenkomst uit het oog te verliezen en zijne beslissing te gronden op de voorwaarden waaronder partijen zich verbonden die strekking te verwezenlijken;
Overwegende dat mitsdien het onderdeel A. van dit middel is gegrond en dus een onderzoek van het onderdeel B. achterwege kan blijven;
Vernietigt het arrest den 1sten April 1926 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage tusschen partijen gewezen;
Verwijst de zaak naar dat Gerechtshof, ten einde, met inachtneming van dit arrest, op het bestaande hooger beroep verder te worden berecht en afgedaan;
Veroordeelt de verweerders in de kosten op de cassatie gevallen, tot op de uitspraak van dit arrest, aan zijde van eischers q.q. begroot op twee en dertig gulden vijf en zeventig cent aan verschot en op driehonderd gulden voor salaris.
Gedaan bij de Heeren Bosch, Vice-President, Visser, Van den Dries, Schepel en Van Gelein Vitringa, Raden, en door den President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van den achtsten April 1900 Zeven en Twintig. in bijzijn van den Advocaat-Generaal Tak.