ECLI:NL:HR:1936:60

ECLI:NL:HR:1936:60, Hoge Raad, 17-12-1936, 7171

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 17-12-1936
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 7171
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1936:3
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

Giften van hand tot hand, of betaling van bedragen als volgens overeenkomst verschuldigd betaald? Condictio indebiti toegewezen.

Uitspraak

DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,

in de zaak (No.7171) van:

[eischer] , wonende te [woonplaats], eischer tot cassatie van een arrest, zoowel in conventie als in reconventie, door het Gerechtshof te 's-Gravenhage den 20 Februari 1936, tusschen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. G. A . Fijn van Draat, advocaat bij den Hoogen Raad;

tegen :

de Naamlooze Vennootschap " Amsterdam" Maatschappij tot exploitatie van onroerende goederen in Nederland, gevestigd te Amsterdam, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J.K. L. Schellenbach, eveneens advocaat bij den Hoogen Raad;

Partijen gehoord;

Gehoord den Advocaat-Generaal Berger, namens den Procureur-Generaal in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep, met veroordeeling van eischer tot cassatie in de daarop gevallen kosten;

Gezien de stukken;

Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt:

dat verweerster, tengevolge van cessie getreden in de rechten van [betrokkene 1] , voor de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage, onder het leggen van conservatoir derden arrest, van eischer heeft gevorderd voldoening van twee bedragen, zoomede van 1/7 van een derde bedrag, door [betrokkene 1] onverschuldigd betaald onderscheidenlijk aan eischer en aan een thans overleden broeder van hen beiden, in wiens nalatenschap eischer voor een gedeelte als voormeld gerechtigd is; - dat verweerster daarbij heeft gesteld: dat, bij de scheiding en deeling van de nalatenschap van den vader van [betrokkene 1] , aan dezen, destijds nog minderjarig, is toegescheiden een bouwmanswoning met landerijen; dat deze [betrokkene 1] , korten tijd nadat hij meerderjarig was geworden, zich bij notarieele acte heeft verbonden, zijn broeders en zusters en, bij vooroverlijden van dezen, hunne wettelijke nakomelingen te doen deelen in de winsten, die hij eventueel bij geheelen of gedeeltelijken verkoop van voornoemd onroerend goed zou maken; dat [betrokkene 1] in 1904 en in 1922 gedeelten van het goed met winst heeft verkocht en toen, in de meening dat hij door de bij de acte gedane toezegging verbonden was, aan eischer en aan wijlen zijn voormelden broeder de evengenoemde bedragen heeft uitgekeerd; dat hem later gebleken is, dat de verbintenis, krachtens welke hij had betaald, nietig en van onwaarde was en hij daarom bij een lateren verkoop geweigerd heeft eenig bedrag aan zijn broeders en zusters uit te keeren; dat eenigen van dezen toen hun aandeel in rechte hebben opgevorderd, doch deze vorderingen bij arresten van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 December 1929 en 26 April 1934 zijn ontzegd; - dat eischer zich tegen genoemde vordering op verschillende gronden, waaronder die, vermeld bij het middel, heeft verweerd en, naar aanleiding van het gelegd derde-arrest, een vordering in reconventie heeft ingesteld, waarna de Rechtbank bij vonnis van 28 Mei 1935 de vordering in conventie heeft toegewezen en die in reconventie heeft ontzegd ;- dat in hooger beroep eischer tegen het vonnis der Rechtbank als grieven, voor zoover thans van belang, heeft aangevoerd: 1o.dat de vordering is toegewezen, hoewel door verweerster niet, althans niet met wettelijke beroepsmiddelen was bewezen, dat [betrokkene 1] onverschuldigd heeft betaald, en 2o. dat aangenomen, dat eischer voor en aleer verweerster hare posita heeft bewezen, gehouden is zijne stellingen te bewijzen, de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat de schuld, welke volgens eischer door de onderhavige betaling gekweten was, niet bestond; - dat vervolgens met Hof het vonnis der Rechtbank, onder aanvulling der gronden, zoowel in conventie als in reconventie heeft bekrachtigd, waarbij het Hof de beide voormelde grieven tegelijkertijd heeft behandeld en verworpen, onder meer op de gronden in het middel vermeld;

Overwegende dat tegen deze uitspraak is gericht het navolgende middel van cassatie:

Schending, althans verkeerde toepassing der artikelen 48 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 667, 1269, 1271, 1349, 1350, 1356, 1358, 1395, 1703, 1723, 1724, 1725, 1902 en 1930 Burgerlijk Wetboek, doordat het Hof,

na vastgesteld te hebben:

a) dat ter dagvaarding door verweerster in cassatie - hierna te noemen Amsterdam - is gesteld:

dat [betrokkene 1] aan eischer in cassatie en aan [betrokkene 2] , in wiens nalatenschap eischer in cassatie voor 1/7 gedeelte gerechtigd is, de nader aangeduide en thans teruggevorderde bedragen heeft uitbetaald;

dat [betrokkene 1] zich bij notarieele acte verbonden had, wanneer hij stukken grond, in deze acte genoemd, geheel of gedeeltelijk met winst zou verkoopen, hij zijn broers en zusters op de wijze, in die acte omschreven, in de winst zou doen deelen; dat toen de bewuste verkoopen met winst hadden plaats gehad, hij aan de broers en zusters het aandeel, dat hun volgens die acte zou toekomen, heeft uitbetaald;

dat de betalingen hebben plaats gehad uit hoofde van de voormelde vermeende verplichting, van welke later is gebleken, dat zij niet bestond, zijnde de verbintenis, krachtens welke [betrokkene 1] betaalde, nietig en van onwaarde; terwijl bovendien is uiteengezet waarom en op welke wijze [betrokkene 1] tot het teekenen der acte is overgegaan;

b) dat [betrokkene 1] de betalingen deed ter voldoening aan "verplichtingen", welke hij bij de bewuste acte van 9 December 1909 op zich had genomen en welke acte nietig was;

c) dat na de laatste uitkeeringen [betrokkene 1] de acte heeft herroepen, daartoe aangesproken, geweigerd heeft verdere uitkeeringen te doen en de acte bij een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Hof te 's-Gravenhage is nietig verklaard;

d) dat de broers en zusters van [betrokkene 1] in rechten zelf het standpunt hebben ingenomen, dat [betrokkene 1] verplicht was tot de reeds gedane en nog eventueel volgende uitkeeringen;

e) dat onder het doen van een eisch in reconventie, eischer in cassatie als verweermiddelen heeft aangevoerd, o.m. :

dat Amsterdam geen voldoende feitelijke grondslag heeft gesteld, immers wel een motief heeft aangevoerd, waarom [betrokkene 1] tot de betaling overging, maar in het midden heeft gelaten ter kwijting van welke verbintenis [betrokkene 1] betaald heeft, om dan door te bewijzen dat deze verbintenis niet rechtens bestond, tot de onverschuldigdheid der betaling te geraken; dat de acte van 9 December 1903, op grond waarvan [betrokkene 1] thans beweert de betalingen te hebben gedaan, slechts inhield een eenzijdige schenkingsbelofte en dat de gedane betalingen waren giften van hand tot hand, ten gevolge waarvan de schenking perfect werd, ook al was die schenkingsbelofte niet in orde;

het vonnis der Rechtbank, waarbij in conventie eischer in cassatie is veroordeeld de door hem ontvangen gelden, benevens 1/7 deel van de door zijn rechtsvoorganger ontvangen gelden, als zijnde onverschuldigd betaald, terug te geven en in reconventie de vordering tot onrechtmatig verklaring van het gelegde beslag en vergoeding van schade is afgewezen, te bevestigen,

na beslist te hebben:

a. dat de gestelde feiten een voldoende grondslag voor de ingestelde vordering tot teruggave der als opgemeld uitbetaalde gelden vormden;

b. dat ten deze van "schenkingen" geen sprake kan zijn;

c. dat bij [betrokkene 1] noch vroeger, noch bij de afgifte der gelden, de wil heeft bestaan aan zijn broers en zusters waaronder eischer in cassatie en zijn rechtsvoorganger, "schenkingen" te doen;

d. dat ook bij eischer in cassatie en zijn rechtsvoorganger de wil tot het "ten geschenke" aannemen heeft ontbroken;

ten onrechte, omdat:

I. [betrokkene 1] , door zich bij een - en dan nog wel éénzijdige - notarieele acte te verbinden tot het uitkeeren van een deel der door [betrokkene 1] te maken winst aan zijn broers en zusters, een "schenking" deed, welke acte ten opzichte van de daarbij geschonken toekomstige goederen inderdaad nietig was, doch welke nietigheid - althans niet zonder meer, en in elk geval niet op de door het Hof als bewezen aangenomen gronden - niet ten gevolge kan hebben, dat de gelden door [betrokkene 1] nadien om niet gegeven en door den eischer in cassatie en zijn rechtsvoorganger als zoodanig geaccepteerd, - zijnde alzoo uiteindelijk giften van hand tot hand,- "onverschuldigd betaald" zijn, ook al heeft [betrokkene 1] , die gelden uitgekeerd om te voldoen aan zijn vermeende verplichting uit opgemelde eenzijdige acte en ook al hebben eischer in cassatie en zijn rechtsvoorganger later in rechten het standpunt ingenomen, dat [betrokkene 1] rechtens verplicht was tot de reeds gedane en nog eventueel volgende uitkeeringen, al hetgeen te meer klemt, waar de giften van hand tot hand niet op grond van dwaling nietig zijn verklaard en alzoo de eigendom der betreffende gelden door eischer in cassatie en zijn rechtsvoorganger is verkregen door levering tengevolge van eenen rechtstitel van eigendomsoverdracht.

II. door uit de in het arrest opgesomde en als bewezen aangenomen feiten bewijs af te leiden voor de stellingen van Amsterdam, dat bij [betrokkene 1] noch vroeger, noch bij de afgifte der gelden, de wil heeft bestaan aan zijn broers en zusters, waaronder eischer in cassatie en diens rechtsvoorganger, "schenkingen" te doen èn door uit het feit, dat eischer in cassatie en zijn rechtsvoorganger in rechten zelf het standpunt hebben ingenomen, dat [betrokkene 1] verplicht was tot de reeds gedane en nog eventueele volgende uitkeeringen, aan te nemen dat ook bij hen de wil tot het "ten geschenke" aannemen heeft ontbroken, het Hof van een onjuiste betekenis van de rechtsbegrippen "schenking" of "gift van hand tot hand", zooals deze in artikel 1703 en 1724 van het Burgerlijk Wetboek worden genoemd, is uitgegaan, waar vaststaat dat (althans het tegendeel niet door het Hof is beslist) de gelden om niet en onherroepelijk zijn afgestaan door [betrokkene 1] ten behoeve van eischer in cassatie en van zijn rechtsvoorganger, die dezelve hebben aangenomen.

III. voor het tot stand komen van schenking of een gift van hand tot hand van geld rechtens slechts van belang is of het geld om niet is toegezegd of daadwerkelijk gegeven en om niet is aanvaard en daarbij de "wil" van den gever en de "wil" van den begiftigde, voorzoover gericht op andere doeleinden, rechtens van geen beteekenis zijn.

Overwegende dienaangaande:

dat de eerste grief van het middel de klacht bevat, dat bij het bestreden arrest de in geschil zijnde uitkeeringen ten onrechte als onverschuldigde betalingen zijn beschouwd, aangezien hetgeen het Hof betreffende de acte, waarbij [betrokkene 1] de bekende toezegging aan zijn broeders en zusters deed, heeft beslist, niet wegneemt, dat de uitkeeringen als giften van hand tot hand moeten worden beschouwd, nu de uitgekeerde gelden om niet werden gegeven en ook als aldus gegeven werden aanvaard;

dat bij die klacht echter uit het oog wordt verloren, dat, wil er sprake zijn van een gift van hand tot hand in den zin van artikel 1724 van het Burgerlijk Wetboek, niet voldoende is dat een partij aan haar wederpartij een roerende zaak om niet overlevert, doch bovendien vereischt wordt - hetgeen ook ten aanzien van de in artikel 1703 van het Burgerlijk Wetboek behandelde schenking voor het afstaan van eenig goed geldt - dat dit overleveren in vrijgevigheid haar oorzaak vindt;

dat evenwel bij de onderhavige uitkeeringen die oorzaak niet aanwezig was, immers, zooals het Hof feitelijk heeft vastgesteld, [betrokkene 1] , toen hij de uitkeeringen deed, handelde ter afdoening van een vermeende schuld en niet den wil had te schenken;

dat, waar dit het geval was, het Hof terecht artikel 1724 buiten toepassing heeft gelaten, terwijl, nu giften van hand tot hand niet hebben plaats gevonden en dus in zooverre ook geen overeenkomst tot stand is gekomen, nietig- verklaring op grond van dwaling niet te pas kan komen en er evenmin sprake kan zijn van een op de overgifte van hand tot hand berustenden rechtstitel van eigendomsoverdracht ;

dat mitsdien de eerste grief faalt;

dat uit het bovenstaande tevens volgt, dat ook de beide overige grieven van het middel niet kunnen slagen, daar deze berusten op de gewraakte opvatting, dat voor een schenking, als bedoeld in artikel 1703 en voor een overgifte van hand tot hand in den zin van artikel 1724 van het Burgerlijk Wetboek uitsluitend vereischte is, dat zaken om niet en onherroepelijk worden afgestaan, respectievelijk overgeleverd, ongeacht de oorzaak, die aan den afstand of de overlevering ten grondslag ligt;

Verwerpt het beroep.

Veroordeelt eischer in de kosten van het geding in cassatie, tot de uitspraak van dit arrest aan zijde van verweerster begroot op vijftien gulden aan verschotten en op drie honderd vijftig gulden voor salaris.

Gedaan bij de Heeren Jhr. Feith, President, van Gelein Vitringa, Kirberger, de Menthon Bake en Meckmann, Raden, en door voornoemden President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den Zeventienden December 1900 Zes en Dertig, in bijzijn van den Advocaat-Generaal Berger.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1937/650 met annotatie van E.M. Meijers
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?