No.8375.
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift in cassatie van [X], te [Z], tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te Amsterdam van 9 Februari 1939 betreffende een hem opgelegden aanslag tot navordering van inkomstenbelasting voor het belastingjaar 1935/36;
Gehoord den raadsman van belanghebbende;
Gezien de stukken;
Overwegende dat belanghebbende tegen voormelden aanslag tot navordering van inkomstenbelasting is opgekomen bij den Raad van Beroep, die ter zake heeft overwogen:
"dat, nadat belanghebbende primitief is aangeslagen naar een zuiver inkomen van f.55.559 .-- waarvan f.19.241 .- ter voorkoming van dubbele belasting buiten heffing bleef - de bovenvermelde aanslag tot navordering naar een ten onrechte niet belast inkomensdeel van f.2143 .- is opgelegd; dat belanghebbende den Raad in zijn beroepschrift heeft verzocht dezen aanslag te vernietigen, terwijl de inspecteur tot handhaving daarvan heeft geconcludeerd;
"dat, voorzooveel van belang ter beslissing van het geschil, dat partijen verdeeld houdt, op grond van den inhoud der stukken en het ter vergadering verhandelde is komen vast te staan:
" dat belanghebbende op 1 Mei 1935 en reeds gedurende vele voorafgaande jaren firmant was van de firma [A] , welke firma ten doel heeft het bezorgen van assurantiën en in de winst van welke firma belanghebbende deelt voor 1/9 gedeelte (lees 9%);
"dat tot het maatschappelijk vermogen onder meer behooren alle aandeelen van de Standaard Verzekering Maatschappij N. V., welke N. V. zich bezig houdt met het voor eigen rekening sluiten van verzekeringen en herverzekeringen, en waarvan een der firmanten directeur is;
"dat het personeel, dat werkzaam is voor de firma [A] ook de benoodigde werkzaamheden verricht voor genoemde N. V., welke deswege voor een gedeelte van het door het personeel verdiende loon wordt belast niet door middel van een vergoeding aan de firma [A] , doch bij wege van omslag;
"dat de geschetste toestand reeds gedurende het geheele jaar 1934 heeft bestaan;
"dat voor het jaar 1934 door de N.V. een boekwinst is gemaakt ten bedrage van f.23.806.-, waarvan f.22.069 is bijgeschreven bij het reservefonds en f.1.736.- is overgemaakt op nieuwe rekening;
"dat met laatstgemeld feit bij het opleggen van den primitieven aanslag geen rekening is gehouden en de aanslag tot navordering strekt om als inkomen van belanghebbende alsnog te belasten 1/9 (lees 9%) van gemelde boekwinst ad f.23.806.-;
dat de inspecteur in zijn vertoogschrift zich op het standpunt heeft geplaatst dat de firma [A] door middel der N.V. Standaard Verzekering Maatschappij het assurantiebedrijf uitoefent en daaruit de conclusie heeft getrokken dat de winst dier N.V. is winst der firma;
"dat belanghebbende in zijn beroepschrift en ter zitting in hoofdzaak heeft aangevoerd:
"dat, wat de inspecteur wil in wezen is toepassing der Wet op de Richtige Heffing van 's Rijks directe belastingen, waarvoor evenwel de voorwaarden in het onderhavige geval niet aanwezig zijn; dat het echter niet aangaat buiten die wet om het juridisch bestaan der N. V. Standaard Verzekering Maatschappij fiscaal weg te denken;
" dat het bedrijf van de N. V. niet alleen boekhoudkundig doch ook commercieel volkomen los staat van dat van [A] , dat de winsten en verliezen van eerstgenoemd bedrijf geheel buiten die van het laatstgenoemde staan, evenals dat het geval is met de waardevermeerdering of vermindering van de aandeelen der N. V .;
"dat, wat de firma ten aanzien van de N. V. doet, niets anders is als wat zij ook ten aanzien van andere assuradeuren doet, namelijk het aanbrengen van verzekeringposten, waarmede zij strikt blijft binnen het kader van haar bedrijf: de assurantiebezorging; dat weliswaar haar firmanten zich ook assuradeur noemen, doch dit slechts in commercieelen zin is op te vatten en zij deze benaming ontleenen aan het feit, dat zij tevens directeur zijn van een assurantie-maatschappij;
"dat hetgeen de inspecteur wenscht met betrekking tot de winst van de N. V. Standaard Verzekering Maatschappij door de firma weliswaar in praktijk wordt gebracht ten aanzien van de winsten en verliezen - van [B] . ltd. en van een [C] te Parijs, waarvan zij alle aandeelen bezit, doch dat deze vennootschappen in tegenstelling tot de N. V. Standaard Verzekering Maatschappij het bedrijf van assurantiebezorger uitoefenen en practisch als hare filialen te beschouwen zijn;
"dat waardeering van aandeelen, welke tot het bedrijfsvermogen behooren als bedrijfsmiddelen zeker bij de bepaling van winst of verlies geoorloofd is, echter niet geboden; dat in vroegere jaren toen belanghebbende dat systeem met betrekking tot de aandeelen van de N. V. Standaard Verzekering Maatschappij wilde volgen, dit door den fiscus is geweigerd in overeenstemming met het toenmalige standpunt van den Hoogen Raad; dat dientengevolge de op die aandeelen geleden verliezen niet ten laste van de winsten der firma zijn gebracht, en het onbillijk is om nu wel de winsten op die aandeelen als winst der firma te beschouwen; dat immers de aandeelen nog altijd, ook met bijtelling van de in 1934 gemaakte boekwinst, nog lager te boek staan dan het bedrag, waarvoor zij door de firma zijn verworven;
"dat ten slotte, ook al is in 1934 door de N. V. een boekwinst van f.23.806 .- gemaakt, dit bedrag niet als winst mag worden beschouwd, aangezien de daaruit geschiede toevoeging aan de " vrije " reserve absoluut is vereischt ten einde de portefeuille te behouden en omdat elke solide maatschappij naast "gewone" reserves, een fonds moet vormen tot dekking van buitengewone schaden; en dat, zelfs al ware dit niet zoo, nog geenszins vaststaat dat een winst, gemaakt door een N. V., de waarde van haar aandeelen met het bedrag dier winst doet stijgen, te minder wanneer, gelijk in casu, op die aandeelen slechts 10% is gestort en zij derhalve zeer incourant zijn;
"dat de inspecteur ter vergadering zich aan zijn vertoogschrift heeft gerefereerd, terwijl door den rijksaccountant nog de stelling is verdedigd, dat in gevallen als de onderhavige goed koopmansgebruik eischt, dat de winsten en verliezen der N. V. telken jare door schatting der aandeelen tot uiting zal worden gebracht, welk gebruik door belanghebbende ook is gevolgd met betrekking tot de aandeelen van [B] Ltd.en van de [C] te Parijs, terwijl overigens de rijksaccountant te allen overvloede heeft ontkend, dat de waarde der aandeelen van de N. V, ultimo 1933 lager zoude zijn dan het bedrag voor de verwerving daarvan door de firma besteed;
"dat artikel 6 der wet op de inkomstenbelasting 1914 en de daarbij verstrekte toelichting aanleiding hebben gegeven tot de opvatting dat het bedrijf eener N. V. nimmer kan worden beschouwd als het eigen bedrijf der aandeelhouders, aangezien privaat-rechtelijk slechts de N. V. als " eigenares " van dat bedrijf valt aan te merken;
"dat deze toelichting werd verstrekt aan de hand van het destijds blijkbaar meest voor de hand liggende geval, dat iemand eenige aandeelen eener N. V. koopt als belegging, in welk geval het bedrijf der N. V. niet alleen niet juridisch, doch ook in oeconomisch opzicht inderdaad niet gezegd kan worden het eigen bedrijf te zijn van dien aandeelhouder en zijne in gelijke omstandigheden verkeerende mede-aandeelhouders, in welk geval het ook rationeel is als inkomen slechts in aanmerking te nemen hetgeen op die aandeelen wordt uitgekeerd;
"dat het evenwel veelvuldig voorkomt dat een aandeelhouder (of enkele aandeelhouders te zamen) tot het bedrijf eener N.V. in een zoodanige nauwe betrekking staat (staan), dat hij (zij) oeconomisch - behoudens op een enkel punt - gelijk is (zijn) te stellen met den (de) op eigen naam of firma handelenden (de) ondernemer (s) en het bedrijf in het oeconomisch verkeer geldt als het eigen bedrijf van dien (die) aandeelhouder (s).
"dat de toepassing van de Wet op de Inkomstenbelasting 914 welke de belasting-subjecten beoogt te onderwerpen aan een inkomstenbelasting naar draagkracht zooveel mogelijk er op gericht dient te zijn, dat het postulaat - belasting naar draagkracht - verwezenlijkt wordt, en dat belastingsubjecten, die oeconomisch in nagenoeg gelijke omstandigheden verkeeren zooveel mogelijk op nagenoeg gelijken voet worden belast;
"dat de zoo juist bedoelde ondernemers, die handelen op eigen naam of firma overeenkomstig artikel 7 der wet worden belast naar de opbrengst van hun bedrijf die rechtstreeks deel gaat uitmaken van hun eigen vermogen;
"dat daarentegen de zoo juist bedoelde aandeelhouders, die in oeconomisch opzicht vrijwel aan hen gelijk zijn, ware de opvatting in den aanhef van deze overweging genoemd juist, het in eigen hand zouden hebben het bedrag der door hen verschuldigde inkomstenbelasting te bepalen, geheel in strijd met het genoemde postulaat;
"dat echter nòch de tekst der wet, nòch hare geschiedenis tot deze irrationeele opvatting dwingt: de geschiedenis niet omdat de wetgever, de aandeelen van een N. V. aanwijzende als bronnen van inkomen behoorende tot de groep roerend kapitaal daarbij slechts het oog had op aandeelen dienende als beleggingsobjecten voor den aandeelhouder; de wettekst niet omdat het geenszins noodzakelijk is de uitdrukking " eigen bedrijf ", voorkomende in een belastingwet op te vatten in privaatrechtelijke beteekenis doch het veeleer voor de hand ligt aan deze woorden den zin te hechten, welke zij hebben in het oeconomisch verkeer;
"dat een noodzakelijkheid die irrationeele opvatting te volgen al evenmin gelegen is in het feit, dat de wetgever ruim 10 jaren na het tot stand komen der Wet op de Inkomstenbelasting 1914 heeft gemeend maatregelen te moeten treffen tegen ontduiking van inkomstenbelasting onder meer door inbreng van bedrijven in N. V .- en, daarbij uitgaande van de bedoelde opvatting; immers vooreerst in de - door belanghebbende in zijn betoog ter sprake gebrachte - wet, waarin die maatregelen worden belichaamd, het volgen van die opvatting met geen enkel woord dwingend is voorgeschreven en voorts daarin slechts veronderstellenderwijze de mogelijkheid van toepassing der getroffen maatregelen op een vennootschap wordt genoemd;
"dat, wanneer aldus het bedrijf eener N. V., in het hiervoor gestelde geval wordt aangemerkt als het eigen bedrijf van den (de) aandeelhouder (s), dat voor hem (hen) bron van, inkomen is vallende onder artikel 7, dat bedrijf voor hem (hen) niet rechtstreeks opbrengst oplevert in den vorm van winsten en verliezen, welke immers privaatrechtelijk niet rechtstreeks deel uitmaken van zijn (hun) vermogen; doch dat alsdan eenerzijds de verliezen van dat bedrijf voor de inkomstenbelasting als " negatieve " opbrengst zullen gelden voor zoover zij de waarde der aandeelen of wel van eventueele vorderingen wegens geldschieting nadeelig beïnvloeden, terwijl anderzijds de gunstige resultaten van het bedrijf den aandeelhouder (s) als positieve opbrengst zullen worden aangerekend voor zoover zij daaruit voordeel trekken, hetzij in den vorm van uitdeelingen op of waardestijging van de aandeelen of van beide tegelijk, hetzij, daarnaast ook in den vorm van salaris, of tantième, of rente op geldleening of in eenigen anderen privaatrechtelijken vorm van vergelding van diensten of vermogensverstrekking;
"dat op deze wijze - en op geen andere - eenerzijds tot haar recht komt de overeenkomst tusschen aandeelhouders verkeerende in het boven bedoelde geval en op eigen naam of firma handelende ondernemers, anderzijds ook het verschil tusschen beide zijn rekening vindt, hierin bestaande, dat voor de aandeelhouders de verliezen - privaatrechtelijk (en tevens oeconomisch ) - zijn gelimiteerd tot het in het bedrijf gestoken vermogen, terwijl voor de bedoelde ondernemers de verliezen zich kunnen voortzetten ook nadat al hun kapitaal is te loor gegaan;
"dat, wat nu aangaat het onderhavige geval, de Raad uit het betoog van belanghebbende heeft begrepen, dat naar zijn oordeel de aandeelen van de N. V. Standaard Verzekering Maatschappij weliswaar deel uitmaken van het kapitaal der firma [A] , doch niet zijn te beschouwen als bedrijfskapitaal van het onder die firma uitgeoefende bedrijf van assurantiebezorger, aangezien laatstgenoemd bedrijf ook commercieel geheel los staat van dat van de N.V. en daarom noch de winsten en verliezen der N. V., noch waardestijging of -daling harer aandeelen de resultaten van eerstgenoemd bedrijf behooren te beïnvloeden; met welk oordeel de Raad zich vereenigt;
"dat van goed koopmansgebruik dat waardeering van de aandeelen der N.V. slechts zoude toelaten dan wel gebieden " slechts de rede kan zijn wanneer die aandeelen wèl deel uitmaken van het kapitaal van eenig onder eigen naam of firma uitgeoefend bedrijf, zoodat nu vaststaat dat dit met de aandeelen der N. V. Standaard Verzekering Maatschappij niet het geval is, de beschouwingen van partijen omtrent de eischen van goed koopmanschap ten deze buiten bespreking kunnen blijven;
"dat echter de Raad op grond van de vaststaande feiten wel van meening is dat tusschen de firmanten der vennootschap [A] en het bedrijf uitgeoefend ten name der N. V. Standaard Verzekering Maatschappij een zoodanig nauwe band bestaat, dat dat bedrijf voor de toepassing der wet op de inkomsten belasting heeft te gelden als het eigen bedrijf dier firmanten, die, voor zoover in dit geding is gebleken, de uitkomsten van dat bedrijf over het jaar 1934 zich hebben zien toevloeien langs den weg van waardestijging der aandeelen in genoemde N. V., welke waardestijging, naar de Raad op grond van de vaststaande feiten aanneemt, - nu belanghebbende op dit punt tegen de conclusie van den inspecteur geen bezwaar heeft gemaakt - voor 1/9 gedeelte (lees: 9%) belanghebbende is ten goede gekomen;
"dat voorts nu in dat bedrijf een boekwinst is gemaakt van f.23.806 .- ,het op den weg van belanghebbende ligt den Raad aannemelijk te maken dat niettemin de waarde der aandeelen niet met een zelfde bedrag is toegenomen; dat toch naar het oordeel van den Raad in het algemeen moet worden aangenomen, dat de boeken eener N. V. een juist beeld geven van de door haar behaalde resultaten en in het algemeen de waarde der aandeelen, vormende het geheele aandeelenkapitaal in handen van één aandeelhouder of van één enkele gesloten groep van aandeelhouders, met de behaalde resultaten gelijken tred zal houden; dat echter belanghebbende met hetgeen door haar ter zake te berde is gebracht er niet in is geslaagd den Raad aannemelijk te maken, dat, wat ten deze in het algemeen als juist moet worden aangenomen, in casu niet zou gelden;
"dat blijkens al het vorenstaande de Raad het beroep niet gegrond acht en de bestreden aanslag mitsdien in stand behoort te blijven ";
Overwegende dat belanghebbende als middel van cassatie heeft gesteld:
Schending of verkeerde toepassing van de artikelen Jo 1, 4, 6, 7, 10, 11, 12, 13, 17 en 82 van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914, 12, 13, 14 en 18 van de Wet van 15 Juli 1929, Staatsblad 388, 16 van de Wet van 19 December 1914, Staatsblad 564, 11 van de Wet van 15 Mei 1829, Staatsblad 28, en 1 en 2 van de Wet van 29 April 1925, Staatsblad no 171, alle genoemde artikelen in den ten deze toepasselijken tekst, doordat de Raad van Beroep oordeelt en beslist, dat het bedrijf van de Standaard Verzekering Maatschappij N.V. te Amsterdam, welk bedrijf bestaat uit het voor eigen rekening sluiten van verzekeringen en herverzekeringen, voor de toepassing van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 heeft te gelden als het eigen bedrijf van de firmanten in de firma [A] te Amsterdam, tot het vermogen van welke firma alle aandeelen in genoemde Standaard Verzekering Maatschappij N.V. behooren,
en op grond daarvan de bestreden aanslagen tot navordering, welke betrekking hebben. op de in het bedrijf van genoemde N.V. in het jaar 1934 gemaakte winst, voorzoover die winst niet tot uitdeeling werd gebracht, handhaaft;
Overwegende dienaangaande:
dat de Raad van Beroep zijne beslissing heeft doen steunen op de stelling, dat voor de toepassing van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 het bedrijf eener naamlooze vennootschap onder bepaalde omstandigheden kan worden aangemerkt als het eigen bedrijf van den eenigen aandeelhouder of van een groep van aandeelhouders;
dat deze beschouwingswijze echter in strijd is met de wettelijke regeling van de naamlooze vennootschap, welke medebrengt, dat zij als rechtspersoon een eigen bestaan heeft, zoodat het door haar uitgeoefend bedrijf niet tevens is het bedrijf van de aandeelhouders of van andere bij haar bestaan betrokkenen;
dat dit voor de zienswijze van den Raad van Beroep geen beletsel zou zijn, indien aannemelijk ware, dat aan de Wet op de Inkomstenbelasting op dit punt een van het gemeene recht afwijkende opvatting ten grondslag ligt;
dat echter de inhoud dezer Wet hieraan geen steun biedt en in de Memorie van Toelichting zoowel ten aanzien van artikel 6 als ten aanzien van de oorspronkelijk in de Wet opgenomen belasting op de uitdeelingen van naamlooze vennootschappen en andere lichamen is te kennen gegeven, dat de onderneming eener naamlooze vennootschap wordt gedreven, niet door de gezamenlijke aandeelhouders, doch door een zelfstandig handelspersoon, die door hare organisatie buiten de deelgenooten om als onderneemster optreedt;
dat het nu wel mogelijk is, dat bij de totstandkoming van de Wet op de Inkomstenbelasting te zeer er van is uitgegaan, dat de winsten van naamlooze vennootschappen geleidelijk aan de aandeelhouders zouden ten goede komen, en niet genoegzaam is voorzien, dat door reserveering van winsten het beginsel van heffing naar draagkracht niet ten volle verwezenlijkt zou kunnen worden, doch dat dit den rechter geen vrijheid geeft om bij de toepassing der Wet het bedrijf der naamlooze vennootschap op de door den Raad van Beroep voorgestane wijze aan te merken als het bedrijf der aandeelhouders;
dat dan ook in de door den Raad van Beroep vastgestelde omstandigheden, waaronder dat de aandeelen der N.V. Standaard Verzekering Maatschappij niet deel uitmaken van het kapitaal van eenig onder eigen naam of firma uitgeoefend bedrijf, niet kan worden aangenomen, dat de waardestijging dier aandeelen opbrengst vormt van bedrijf en als zoodanig belastbaar is ingevolge het bepaalde in artikel 7 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914;
dat derhalve de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven;
dat de Hooge Raad ten principale recht kan doen;
Vernietigt de bestreden uitspraak en den daarbij gehandhaafden navorderingsaanslag.
Gedaan bij de Heeren Kosters, Vice-President, van den Dries, Kranenburg, van Regteren Altena en Sinninghe Damsté, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter Raadkamer van den derden Januari 1900 Veertig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Somer.