No . 2314.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift van den Officier van Justitie bij de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage tegen de beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 Februari 1949;
Gelet op de conclusie van den Advocaat-Generaal Wijnveldt, namens den Procureur-Generaal, tot niet-ontvankelijk-verklaring van het beroep;
Overwegende dat de Officier van Justitie overeenkomstig de bepaling van artikel 1173, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, waarbij het Openbaar Ministerie bevoegd wordt verklaard tot de voordracht aan de Arrondissements-Rechtbank van de benoeming van een curator over een onbeheerde nalatenschap, zodanige benoeming aan de rechtbank had voorgedragen, maar deze voordracht door de rechtbank is afgewezen;
dat de Officier van Justitie van deze beschikking hoger beroep heeft ingesteld bij het Gerechtshof, doch het Hof, met bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank, evenzeer de voordracht heeft van de hand gewezen;
dat de Officier van Justitie thans van deze beschikking van het Hof is gekomen in cassatie;
dat echter het aan het "Openbaar Ministerie", optredende als hoofdpartij, ingevolge artikel 323 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegen de beschikking van het Hof toekomende beroep in cassatie slechts kan worden ingesteld door dengene, die bij het Gerechtshof het Openbaar Ministerie uitoefent, zijnde zulks naar artikel 3 van de wet op de Regterlijke Organisatie de Procureur-Generaal bij het Hof;
dat mitsdien verzoeker niet ontvankelijk is in zijn beroep;
Verklaart den Officier van Justitie bij de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de beschikking van het Gerechtshof.
Gedaan en gewezen te 's-Gravenhage, den Dertienden Mei 1900 Negen en Veertig, bij de Heren Donner, President, Nypels, Hijink, van der Flier en Smits, Raden, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Reijers.