7 October 1953.
H.
No. 1 1 3 8 3 .
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te 's Hertogenbosch van 11 December 1952 betreffende den
hem over het jaar 1949 opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting;
Gezien de stukken;
Overwegende dat belanghebbende, in gemelde belasting aangeslagen naar een zuiver inkomen van f.17.114, na vruchteloze reclame bij den Inspecteur, zich heeft gewend tot den Raad van Beroep;
Overwegende dat voor den Raad van Beroep is komen vast te staan, dat belanghebbende, die te [Z] als enige het beroep van huis- tevens gemeentearts uitoefent, en wiens woning met praktijkgedeelte aldaar in 1944 door oorlogsgeweld werd verwoest, op dezelfde plaats een nieuw pand heeft doen bouwen, waarvan de stichtingskosten f.140.773,- hebben bedragen; dat van dit nieuwe pand 4/7 als woning voor appellant en zijn gezin en 3/7 als praktijkruimte in gebruik is; dat het enige geschil dat partijen verdeeld houdt de vraag betreft, of het gehele pand nu als beroepspand moet worden beschouwd, gelijk belanghebbende doet en mitsdien afschrijving op de totale aanschaffingskosten toelaatbaar is, dan wel slechts dat gedeelte van het pand dat voor de uitoefening van de praktijk wordt gebezigd, zodat alleen op de aanschaffingskosten van dat gedeelte, door den Inspecteur geschat op f. 60.000, zou kunnen worden afgeschreven, welk standpunt de Inspecteur inneemt ;
dat belanghebbende ter motivering van zijn standpunt heeft aangevoerd dat, nadat zijn vroegere woning verwoest was, hij aanvankelijk onderdak vond bij familieleden te [Q] en van daaruit zijn praktijk te [Z] uitoefende; dat de Inspecteur van Volksgezondheid eiste dat hij in [Z] żoude wonen, waarna aldaar een woon- en praktijk ruimte gevorderd werd, doch, waar in dat pand geen stromend water was en centrale verwarming ontbrak en in [Z] geen woning tevens geschikt voor vestiging van een artsenpraktijk stond, belanghebbende gedwongen was zulk een pand te bouwen om aldaar zijn praktijk te kunnen voortzetten, terwijl verkoop van de praktijk zonder geschikte woning onmogelijk was; dat de architect opdracht had een project uit te voeren, dat een bedrag van f. 75.000 niet te boven zou gaan, maar dit allengs door bijkomende uitgaven en prijsstijgingen aanzienlijk werd overschreden; dat stopzetting van de bouw een aanzienlijk verlies zou meebrengen, en bij verkoop, gezien recente transacties met soortgelijke percelen, niet meer dan f.40.000 zou worden verkregen; dat het belanghebbende onredelijk voorkomt het pand als privé aan te merken, daar belanghebbende, gezien de verkoopwaarde, nooit een dergelijk pand in [Z] zou hebben laten bouwen, indien dit niet noodzakelijk was geweest voor de uitoefening van zijn beroep; dat ook uit gedragingen van belanghebbende voortdurend naar voren is gekomen, dat hij het pand als beroepspand beschouwde en het zijn wil is het gehele pand als zodanig aan te merken; dat een pand als het onderhavige in een plaats als [Z] slechts geschikt is voor een arts; dat belanghebbende zich voorstelt op het pand een derde, zijnde f.46.924, vervroegd af te schrijven en wel f.8.924 in 1949 en het resterende in volgende jaren;
Overwegende dat de Inspecteur hiertegen heeft aangevoerd, dat de beantwoording van de vraag of voor iemand, die een beroep uitoefent, een bepaalde zaak al dan niet tot zijn beroepsvermogen behoort, in het algemeen van diens wil afhankelijk is, doch dat zijn beslissing moet blijven binnen de grenzen der redelijkheid; dat deze grenzen in het onderwerpelijke geval zijn overschreden, omdat belanghebbende, ondanks de wetenschap dat hij kapitaal ging steken in een huis, waarvan de verkoopwaarde belangrijk beneden de stichtingskosten zou liggen, een luxe-woonhuis heeft gebouwd, waarbij geen kosten zijn gespaard; dat volgens een ambtelijk rapport het praktijkgedeelte nog niet 1/3 gedeelte van het gehele pand omvat; dat vóór 1944, toen het huis afbrandde, steeds 1/3 gedeelte van het pand als dienende voor de praktijk werd gebruikt, terwijl op dit 1/3 steeds werd afgeschreven; dat het praktijkgedeelte is ondergebracht in een vleugel van het gebouw, die lager is opgetrokken dan het woonhuis en een afzonderlijke ingang heeft, zodat praktijk- en woongedeelte behoorlijk zijn gescheiden; dat op deze gronden de Inspecteur van oordeel is, dat de redelijkheid meebrengt, dat slechts een gedeelte van het pand, door hem gesteld op f.60.000, als beroepsgedeelte (bedrijfsmiddel) kan worden aangemerkt;
Overwegende dat de Raad van Beroep heeft overwogen:
"dat artikel ll van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 slechts afschrijving wegens waardevermindering toestaat op zaken welke voor de uitoefening van het bedrijf of beroep worden gebruikt, zulks in tegenstelling tot zaken die voor privé-doeleinden worden gebruikt; dat, al kan in bepaalde gevallen twijfel rijzen met betrekking tot de vraag welke zaken voor bedrijf of beroep en welke voor privédoeleinden worden gebruikt, een gebouwd perceel of een gedeelte daarvan, dat door de belastingplichtige uitsluitend wordt gebruikt als woning voor zich en zijn gezin, zoals in casu het geval, uit de aard der zaak voor privédoeleinden en niet voor de uitoefening van het bedrijf of beroep wordt gebezigd; dat de omstandigheid, dat appellant om zijn beroep te kunnen uitoefenen in [Z] moest wonen en een geschikte woning alleen kon verkrijgen door deze zelf te bouwen, niet afdoet aan het feit, dat die woning voor zoverre benut tot huisvesting van hem en zijn gezin niet voor de uitoefening van het beroep wordt gebruikt en derhalve voor wat dit laatste deel aangaat, niet behoort tot die gebouwen waarop ingevolge artikel 11 van meergemeld Besluit mag worden afgeschreven;"
waarna de Raad van Beroep de beschikking van den Inspecteur heeft bevestigd;
Overwegende dat belanghebbende in cassatie stelt:
Schending of verkeerde toepassing van artikel 11, in verband met, artikel 8, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, zoals deze artikelen luidden voor het jaar 1949, en van artikel 16 van de wet van 19 December 1914, Staatsblad no. 564, doordat de Raad van Beroep met betrekking tot de toepassing van artikel 11 heeft beslist zoals hij heeft gedaan, zulks ten onrechte, omdat in casu aan den Raad ter beslissing was voorgelegd de vraag, of de dokterswoning in haar geheel als beroepsvermogen kan worden aangemerkt, ondanks de feitelijke omstandigheid, dat een deel van de dokterswoning wordt gebruikt voor privé-doeleinden, welke vraag door belanghebbende bevestigend wordt beantwoord;
Overwegende naar aanleiding van dit middel en ambtshalve:
dat de Raad van Beroep de vraag of, zoals belanghebbende had gesteld, ook het als woning benutte gedeelte van het onderhavige perceel tot beroepsvermogen behoorde, onbeantwoord heeft gelaten, blijkbaar op grond van de opvatting, dat, ook indien die vraag bevestigend moest worden beantwoord, dat gedeelte toch niet als bedrijfsmiddel in den zin van artikel 8 (nieuw; artikel Il oud), van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 voor afschrijving in aanmerking kon komen, omdat het in feite niet ten dienste van
de praktijk, doch tot huisvesting van belanghebbende en zijn gezin werd gebezigd;
dat deze opvatting echter onjuist is, daar, indien bedoeld gedeelte inderdaad geacht moet orden te behoren tot het beroepsvermogen, de hoedanigheid van "bedrijfsmiddel" daaraan niet kan worden ontzegd;
dat toch de toepasselijkheid van dit begrip niet beperkt is tot die tot het bedrijfs- of beroepsvermogen behorende goederen, welker bestemming is rechtstreeks voor bedrijfs- of beroepsdoeleinden te worden gebezigd, doch in het algemeen al die zaken omvat, die - in tegenstelling tot zaken, welke voor den omzet zijn bestemd (vlottend kapitaal) - tot de duurzame kapitaalgoederen ( vast kapitaal) van het bedrijf of beroep behoren;
dat dus, voor zover zou moeten worden aangenomen, dat het gehele pand tot het beroepsvermogen van belanghebbende behoort, ook het gehele pand, dat in dit geval ongetwijfeld in zijn geheel behoort tot het vaste kapitaal, als bedrijfsmiddel moet worden beschouwd;
dat de vraag, welke in het onderhavige geval moet worden beantwoord, dus deze is, of het gehele pand dan wel slechts een gedeelte daarvan tot het beroepsvermogen behoorde en welk bedrag in verband daarmede als uitgangspunt voor de berekening van de afschrijving in aanmerking komt;
dat in het algemeen het al dan niet behoren van enig vermogensbestanddeel tot een bedrijfs- of beroepsvermogen afhankelijk is van den wil van den belastingplichtige, zoals deze in zijn boekhouding of anderszins tot uitdrukking komt, en de belastingplichtige daarbij vrij is, echter binnen de grenzen der redelijkheid;
dat ter beoordeling van deze vraag zowel door belanghebbende als door den Inspecteur verschillende omstandigheden zijn gesteld, waarvan de Raad van Beroep de al dan niet juistheid zal moeten
vaststellen, waarna de Raad op den grondslag daarvan zijn oordeel zal moeten geven;
Overwegende voorts:
dat, naar uit de stukken blijkt, belanghebbende met een beroep op artikel 8, lid 3, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, zoals dit is vastgesteld bij de Wet Belastingherziening 1950, en op
artikel 14 van laatstgenoemde wet, aanspraak heeft gemaakt op een vervroegde afschrijving van f. 46.924, waarvan in 1949 f.8924, daarbij uitgaande van zijn stelling dat het gehele - op 3 April 1950 door belanghebbende in gebruik genomen - perceel tot zijn beroepsvermogen behoorde, terwijl de Inspecteur, van oordeel dat slechts een gedeelte, waarvan hij de aanschaffingskosten schatte op f.60.000, tot het beroepsvermogen behoorde, een vervroegde afschrijving van f. 6000 heeft toegestaan, met welk bedrag belanghebbende, voor het geval dat des Inspecteurs zienswijze juist werd geoordeeld, kennelijk genoegen heeft genomen;
dat echter de Raad van Beroep, indien zijn nadere beslissing van de thans bestredene mocht afwijken, rekening zal moeten houden met hetgeen belanghebbende ingevolge evengemelde artikelen vervroegd zal wensen af te schrijven in 1949 op de waarde van het beroepsvermogen, zoals dat bij 's Raads nadere beslissing zal worden vastgesteld;
Vernietigt de bestreden uitspraak van den Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch;
Verwijst het geding naar dien Raad ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in voltallige vergadering met inachtneming van dit arrest.
Gedaan bij de Heren Nypels, Vice-President, Smits, Dubois, van Rijn van Alkemade en Wiarda, Raden, en door den Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van den zevenden October 1900 drie en vijftig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Reijers.