26 Januari 1955.
F.
Nº 11995.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen II te Rotterdam van 15 April 1954 betreffende den aan belanghebbende opgelegden aanslag in de vermogens- aanwasbelasting;
Gehoord den advocaat van belanghebbende;
Gezien de stukken;
Overwegende dat aan belanghebbende is opgelegd een aanslag in de vermogensaanwasbelasting, berekend naar een belastbare som van f. 94.675, -; dat de Inspecteur dezen aanslag, nadat belanghebbende daartegen had gereclameerd, heeft gehandhaafd, waarna belanghebbende zich heeft gewend tot den Raad van Beroep;
Overwegende dat de Raad van Beroep de bestreden beschikking heeft bevestigd, na te hebben overwogen:
"dat belanghebbende in de maand Juli 1944 van zijn op 30 September 1923 geboren en toen nog minderjarige zoon [N.V. A] heeft gekocht twintig aandelen in de te [Z] gevestigde [N.V. A] ter nominale waarde van f. 1000, - elk voor de koers van 100%; dat belanghebbende zich gegriefd gevoelt doordat de Inspecteur deze aandelen gerekend heeft te behoren tot zijn eindvermogen; dat deze grief allereerst wordt geadstrueerd met de stelling, dat, waar deze aandelen ten tijde van de koop en verkoop blijkens de balans van de [N.V. A] een waarde hadden van ten minste 475%, die overeenkomst een schenking was, voorzover de werkelijke waarde van de aandelen de koopprijs te boven ging en derhalve op grond van de minderjarigheid van de verkoper nietig;
dat belanghebbende evenwel in gebreke gebleven is aannemelijk te maken, dat hij destijds als wettelijke vertegenwoordiger van zijn zoon de bewuste aandelen aan zichzelf verkopende, zichzelf uit vrijgevigheid heeft willen bevoordelen; dat weliswaar blijkens de balans der [N.V. A] per 30 April 1944 de waarde der aandelen toen omstreeks 475% bedroeg doch dat een dergelijke koers in Juli 1944 als koopprijs zeker niet te bedingen geweest zou zijn, daar de vennootschap toen geen exportzaken kon doen hoewel haar vaste lasten doorliepen, terwijl onzeker was of, wanneer en tot welk gedeelte de vorderingen op engelse schuldenaren ingevorderd zouden kunnen worden;
dat bovendien tussen belanghebbende en de Inspecteur een regeling is getroffen, die door de laatste bij zijn brief van 21 September 1943 is bevestigd als volgt:
"In verband met het onderhoud, dat ik hedenmiddag met Uwe Heer Vellekoop mocht hebben, bevestig ik U, dat de waardering van de aandelen [N.V. A] voor de vermogensbelasting 1943 zal geschieden naar 100%, in verband met de grote lopende risico's in Engeland, op welke waardering noch Uwerzijds noch dezerzijds zal worden teruggekomen, indien in de toekomst mocht blijken, dat deze risico's onjuist geschat zijn.
Tevens deel ik U mede, dat dit standpunt geen enkele consequentie voor de inkomstenbelasting meebrengt, zolang genoemde aandelen niet tot een bedrijfsvermogen behoren".
dat voorts belanghebbende blijkens de specificatie van zijn effecten, behorende bij zijn aangifte-biljet voor de Vermogensheffing ineens, de koers van deze aandelen per 31 December 1944 en 31 December 1945 heeft gesteld op 100%;
dat tenslotte artikel 1714 van het Burgerlijk Wetboek slechts geldt voor schenkingen in formele zin;
dat mitsdien deze stelling belanghebbende's grief niet vermag te dragen;
dat belanghebbende ter ondersteuning van zijn grief subsidiair heeft aangevoerd, dat de overeenkomst van koop en verkoop vernietigbaar was, daar zij gesloten is zonder machtiging van de Kantonrechter;
dat echter ook deze stelling voorbij gegaan moet worden, daar belanghebbende's zoon de wettelijke termijn waarbinnen hij de nietigverklaring in rechte had kunnen vorderen, ongebruikt heeft laten verstrijken, zodat deze overeenkomst geacht moet worden immer geldig te zijn geweest;
dat belanghebbende nog stelt, dat zijn zoon geen reden en geen mogelijkheid meer had een vordering tot nietigverklaring van de meervermelde overeenkomst in te stellen omdat belanghebbende's dochter in 1947 aan belanghebbende's zoon twintig aandelen in dezelfde naamloze vennootschap à pari heeft verkocht;
dat de Raad het er voor houden wil dat de zoon zich door de verwerving van de twintig aandelen van zijn zuster in feite schadeloos gesteld achtte, doch dat deze verwerving hem zeker niet heeft behoeven te beletten alsnog de nietigverklaring van de met belanghebbende gesloten overeenkomst van koop en verkoop te vorderen;
dat de grief tenslotte meer subsidiair wordt geadstrueerd met de stelling dat, waar deze aandelen ten tijde van de koop en verkoop blijkens de balans van de [N.V. A] een waarde hadden van ten minste 475%, de overeenkomst van koop en verkoop een schenking was in de zin van de artikelen 17, lid 1, onder 2, juncto 16, lid 1, onder 2, van de Wet op de vermogensaanwasbelasting voorzover de werkelijke waarde van de aandelen de koopprijs te boven ging en dat derhalve het door de Inspecteur vastgestelde eindvermogen behoort te worden verminderd met het verschil tussen de werkelijke waarde en de koopprijs van die aandelen; dat noch uit het beroepschrift blijkt, noch ter vergadering door belanghebbende's gemachtigde aannemelijk gemaakt is dat bij de meergemelde overeenkomst van koop en verkoop belanghebbende als wettelijke vertegenwoordiger van zijn zoon de betreffende aandelen tegen pari-koers aan zichzelve verkopende, het oogmerk gehad heeft zichzelf te bevoordelen;
dat echter blijkens de Memorie van Antwoord (Tweede Kamer) de aan het begrip schenking gestelde eis van vrijgevigheid beoogt tot uitdrukking te brengen, dat, wil er van een schenking sprake zijn, de schenker het oogmerk moet hebben gehad de begiftigde te bevoordelen; "
Overwegende dat belanghebbende als middelen van cassatie heeft voorgedragen:
I. Schending of verkeerde toepassing van artikel 16 van de wet van 19 December 1914, S.564, door te beslissen, dat in Juli 1944 een koopprijs voor de aandelen van omstreeks 475% niet te bedingen geweest zou zijn, niettegenstaande de vaststelling door den Raad, dat de waarde van de aandelen volgens de balans, die tot de gedingstukken behoort, toen omstreeks 475% bedroeg, welke beslissing niet voldoende met redenen is omkleed;
II. Schending of verkeerde toepassing van artikel 1902 van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 16 van de wet van 19 December 1914, S. 564, door te beslissen, dat belanghebbende in gebreke is gebleven aannemelijk te maken, dat hij zichzelf uit vrijgevigheid heeft willen bevoordelen, welke beslissing ten onrechte is gegeven omdat:
a) de Raad van Beroep door belanghebbende het bewijs op te leggen dat bevoordeling uit vrijgevigheid heeft plaats gevonden, de bewijslast onjuist heeft verdeeld;
b) zoal aan belanghebbende het bewijs van de plaats gehad hebbende bevoordeling uit vrijgevigheid moet worden opgelegd, dit bewijs geacht moet worden te zijn geleverd;
III. Schending of verkeerde toepassing van artikel 1714 van het Burgerlijk Wetboek:
door te beslissen, dat dit artikel alleen geldt voor de schenking in formelen zin;
IV. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 451 (oud) 1366,1367, 1482, 1492 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 16 van de wet van 19 December 1914, S.564, door te beslissen dat, niettegenstaande de Raad feitelijk heeft willen aannemen, dat de verwerving door belanghebbendes zoon eveneens tegen te lagen prijs - van twintig aandelen van zijn zuster kan worden gezien als een schadeloosstelling, die dan toch ook geacht moet worden te zijn verstrekt door degene, die de schade had veroorzaakt (ongeacht uiteraard diens nieuwe verplichtingen tegenover zijn dochter, die hij - gebruik makend van zijn vaderlijk overwicht - tot deze voor haar onvoordelige transactie had gedwongen), niettemin alsnog nietigverklaring van de overeenkomst mogelijk was, zulks ten onrechte, omdat het toekennen van de schadeloosstelling moet worden gezien als de erkenning van de vernietigbaarheid van de in 1944 gesloten overeenkomst, die men zelve in stand heeft gelaten, doch waarvan de nadelige gevolgen door de schadeloosstelling zijn opgeheven;
V. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 17, lid 1 en 16, lid 1 en 2 van de Wet op de vermogensaanwasbelasting en van artikel 16 van de wet van 19 December 1914, S. 564,
door te beslissen, dat geen schenking aanwezig was bij de overeenkomst, waarbij belanghebbende als wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarigen zoon 20 à f.1.000 aandelen in de [N.V. A] tegen pari-koers aan zich zelve verkocht, zulks op den enkelen grond, dat noch uit het beroepschrift blijkt, noch ter vergadering door belanghebbende's gemachtigde aannemelijk gemaakt is, dat belanghebbende bij deze overeenkomst van koop en verkoop het oogmerk gehad heeft zichzelf te bevoordelen,
a) omdat belanghebbende na in zijn beroepschrift gemotiveerd te hebben betoogd, dat de aandelen ten tijde van de transactie een intrinsieke waarde hadden van 475%,uitdrukkelijk heeft gesteld, dat de transactie kennelijk, gezien het flagrante verschil tussen de waarde van beide prestaties een materiële bevoordeling door den zoon ten opzichte van zijn vader inhield en dat, al was bevoordeling niet het doel van de transactie, dit wel het effect was, hetgeen men op den koop toe heeft genomen;
b) omdat het voor een schenking vereiste oogmerk om den begiftigde te bevoordelen niet eerst dan aanwezig is, indien het motief of het primaire doel van de overeenkomst bevoordeling van den begiftigde is, doch ook reeds indien de " schenker" zich bewust is, dat de overeenkomst een bevoordeling inhoudt en deze niettemin aangaat en uitvoert;
Overwegende naar aanleiding van het eerste, tweede, derde en vijfde middel, dat belanghebbende de stelling, dat hij, toen hij in 1944 de aan zijn destijds minderjarigen zoon toebehorende aandelen in de [N.V. A] aan zich zelf verkocht, daarbij zich zelf uit vrijgevigheid bevoordeelde en mitsdien een schenking deed, heeft doen steunen op het volgens hem flagrante verschil tussen de waarde van die aandelen en den daarvoor betaalden prijs, alsmede op het bewustzijn van die onevenredigheid, dat bij belanghebbende ten tijde van die transactie aanwezig moet zijn geweest;
dat om, ingeval bij een koopovereenkomst een praestatie de waarde van de tegenpraestatie overtreft, de aanwezigheid van een materiële schenking aan te nemen vereist is het oogmerk van bevoordeling en daartoe niet voldoende is, dat belanghebbende er zich bewust van is geweest dat hij zich door meergenoemde transactie ten koste van zijn zoon bevoordeelde, doch de transactie aldus verricht moet zijn ter wille van het in die overwaarde gelegen voordeel;
dat belanghebbende zelf in het vijfde middel van cassatie verwijst naar hetgeen hij in zijn beroepschrift voor den Raad van Beroep had gesteld, te weten, dat de materiële bevoordeling, welke de transactie ten opzichte van den vader inhield, niet het doel van die transactie is geweest, doch het effect, hetgeen men op den koop toe heeft genomen;
dat hieruit volgt, dat van vrijgevigheid te dezen geen sprake kan zijn geweest, en daarmede de grondslag aan de stelling, dat in de onderhavige transactie een schenking was besloten, ontvalt;
dat de hierbovengenoemde middelen, welke zich allen richten tegen de beslissing van den Raad van Beroep, dat in die transactie geen schenking, noch in den zin van het burgerlijk, recht, noch in dien van artikel 16 van de Wet op de vermogensaanwasbelasting kan worden gezien, reeds om deze reden niet tot cassatie kunnen leiden;
Overwegende naar aanleiding van de vierde grief:
dat deze grief zich richt tegen 's Raads beslissing met betrekking tot hetgeen belanghebbende had gesteld over de vernietigbaarheid van de transactie wegens het ontbreken van de machtiging van den kantonrechter;
dat deze vernietigbaarheid voor de bepaling van belanghebbendes vermogen op 31 December 1945 echter alleen dan van invloed zou kunnen zijn geweest, indien op dien datum kon worden verwacht, dat te enigertijd op die vernietigbaarheid een beroep zou worden gedaan;
dat belanghebbende daaromtrent niets had gesteld en de Raad van Beroep blijkbaar ook niet heeft aangenomen, dat met de kans, dat dit zou geschieden, in redelijkheid moest worden rekening gehouden, nu in feite belanghebbendes zoon na zijn meerderjarigheid de nietigverklaring van de overeenkomst niet heeft gevorderd;
dat belanghebbende aan den Raad van Beroep verwijt, dat de Raad in de omstandigheid, dat belanghebbendes zoon in 1947 20 aandelen voor den zelfden prijs van zijn zuster verkreeg - welke transactie volgens belanghebbende onder zijn invloed tot stand zou zijn gekomen - en dat belanghebbendes zoon zich daardoor schadeloos gesteld achtte, niet heeft gezien de erkenning van de vernietigbaarheid van de in 1944 met den zoon gesloten transactie;
dat dit verwijt echter reeds afstuit op belanghebbendes eigen stelling in zijn beroepschrift, dat de transactie tussen belanghebbendes zoon en diens zuster door geheel andere, hier verder niet terzake dienende motieven was ingegeven;
dat derhalve ook dit middel niet tot cassatie kan leiden;
Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heren Nypels, Vice-President, Smits, Dubois, van Rijn van Alkemade en Wiarda, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter Raadkamer van den zes en twintigsten Januari 1900 vijf en vijftig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Reijers.