D.
Tegenwoordig de Heren:
Donner, President;
Boltjes, de Jong, Hülsmann en Petit, Raden;
Loeff, Advocaat-Generaal;
Reyers, Substituut-Griffier.
Openbare terechtzitting van Vrijdag
31 Januari 1958.
De zitting is geopend des voormiddags te 10 uur.
De deurwaarder roept de volgende zaken uit:
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
in de zaak (No.9090) van:
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser tot cassatie van een op 8 November 1956 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch tussen partijen gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr K.van Rijckevorsel, advocaat bij den Hogen Raad,
tegen
1. [verweerster 1], weduwe van [A] , wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerster 2], buiten gemeenschap van goederen gehuwde echtgenote van [verweerder 3] , beiden wonende te [woonplaats] ,
3. [verweerder 3] voornoemd, zo voor zich als tot bijstand en machtiging van zijn voornoemde echtgenote,
4. [verweerster 4], in gemeenschap van vruchten en inkomsten gehuwde echtgenote van Doctor [verweerder 5] , beiden wonende te [woonplaats] , en
5. [verweerder 5] voornoemd, zo voor zich als tot bijstand en machtiging van zijn voornoemde echtgenote,
verweerders in cassatie, de onder 1, 2 en 3 genoemden vertegenwoordigd door Mr.A.Mout, mede advocaat bij den Hogen Raad, zijnde de onder 4 en 5 genoemden niet verschenen;
Gehoord eiser tot cassatie, zomede de verweerders onder 1, 2 en 3;
Gehoord den Procureur-Generaal concluderende tot ontvankelijk- verklaring en verwerping van het beroep onder veroordeling van eiser tot cassatie in de daarop gevallen kosten;
Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt:
dat verweerders in cassatie - hierna gezamenlijk aan te duiden als [verweerders] - in eersten aanleg voor de Arrondissements-Rechtbank te Breda door [betrokkene 1] te Tilburg werden aangesproken tot betaling van een som van f.66000,- als schadevergoeding wegens wanprestatie in de nakoming van een tussen [betrokkene 1] en [verweerders] gesloten huurovereenkomst; dat deze wanprestatie bestond in het niet tijdig opleveren door [verweerders] van het door hen aan [betrokkene 1] met ingang van 1 Januari 1946 verhuurde complex gebouwen bekend als de Stadsschouwburg;
dat [verweerders] in vrijwaring opriepen het Nederlands Beheersinstituut te 's-Gravenhage - N.B.I. - (vrijwaring I), den eiser in cassatie - [eiser] - (vrijwaring II) en de N.V.Stadsschouwburg te Tilburg (vrijwaring III);
dat in vrijwaring II [verweerders] stelden dat [eiser] hen heeft te vrijwaren omdat hij hen onrechtmatig heeft belet den Stadsschouwburg tijdig op te leveren, waarbij hij was opgetreden als op den voet van artikel 99 van het Besluit Herstel Rechtsverkeer (E 100) benoemde bestuurder van de N.V. Stadsschouwburg: dat [eiser] ook persoonlijk aansprakelijk is omdat hij ook persoonlijk onrechtmatig heeft gehandeld, aangezien hij aanvankelijk een tijdige ontruiming van den Stadsschouwburg door de N.V. Stadsschouwburg in het vooruitzicht stelde, van [verweerders] - die een optie op verdere huur door de N.V. Stadsschouwburg voor f.10.000,- konden afkopen volgens het tussen deze N.V. en [verweerders] geldende huurcontract - genoemd bedrag van f.10.000,- als afkoopsom in ontvangst nam, doch, toen [verweerders] den Stadsschouwburg aan [betrokkene 1] hadden verhuurd, de ontruiming van den schouwburg zonder zakelijken grond is gaan vertragen eerst door indiening van een verzoek op grond van het Huurbeschermingsbesluit 1941 en vervolgens door het voeren van verweer in de daarna ingestelde ontruimingsprocedure;
dat de Rechtbank bij vonnis van 16 November 1954: a. in de hoofdzaak ( [betrokkene 1] contra [verweerders] ) aan [betrokkene 1] te bewijzen heeft opgedragen dat hij "als gevolg van de wanprestatie door [verweerders] gepleegd een schade heeft geleden van f.66.000,-";
b. in vrijwaring I ( [verweerders] contra N.B.I. ) aan [verweerders] den eis heeft ontzegd;
c. in vrijwaring II, ( [verweerders] tegen [eiser] ) [eiser] heeft veroordeeld "om aan [verweerders] in de vrijwaring tegen kwijting te betalen al datgene, waartoe zij in vrijwaring bij eindvonnis in de hoofdzaak zullen worden veroordeeld om te voldoen aan den eiser in de hoofdzaak [betrokkene 1] , waaronder mede te begrijpen de geliquideerde proceskosten die ten laste van [verweerders] als gedaagden in de hoofdzaak zullen vallen";
d. in vrijwaring III ( [verweerders] contra N.V. Stadsschouwburg) aan [verweerders] den eis heeft ontzegd;
dat de Rechtbank in vrijwaring II overwoog:
"30. dat de vrijwaringsactie der eisers, verder te noemen [verweerders] , tegen [eiser] is gegrond op de feitelijke stelling, dat [eiser] als bestuurder in de zin van artikel 99 van E 100 van de N.V. Stadsschouwburg, na te hebben ingestemd met de beëindiging per 31 december 1945 van het ten processe vaststaande huurcontract d.d. 31 december 1940 overeenkomstig de clausule vervat in artikel 1 van dat contract en na van zijn kant die beëindiging overeenkomstig die clausules te hebben gestimuleerd, hoewel kennis dragende van het feit, dat [verweerders] het Stadsschouwburgcomplex opnieuw hadden verhuurd aan [betrokkene 1] en verplicht waren om het bedoelde complex per 1 januari 1946 aan [betrokkene 1] ter beschikking te stellen, het bewuste complex niet per 31 december 1945 heeft doen ontruimen aldus [verweerders] belettende om het complex tijdig aan [betrokkene 1] op te leveren;
31. dat [verweerders] verder stellen, dat [eiser] heeft bewerkt, ondanks de aanvankelijke ondubbelzinnige houding, die op het tegendeel wees, en waarop zij mochten vertrouwen, dat de N.V. Stadsschouwburg het bewuste complex na 31 december 1945 onrechtmatig, althans zonder recht of titel in gebruik heeft gehouden;
32. dat [verweerders] in de hierbedoelde houding van [eiser] een onrechtmatige daad zien, waarvoor [eiser] in prive aansprakelijk is, ook al moge hij zijn opgetreden als bestuurder van en dus als orgaan van de N.V. Stadsschouwburg;
35. dat irrelevant is de door [eiser] aangevoerde omstandigheid, dat aan de hierbedoelde opzegging van het oude huurcontract en de nieuwe verhuring van de Stadsschouwburg niet is meegewerkt door de oorspronkelijke mede-eigenaar en mede-verhuurder [betrokkene 2] , die in de zomer van 1945 beweerdelijk als politiek delinquent in moeilijkheden verkeerde, noch door diens beheerder, zulks wegens de werking van de wet van 22 november 1947 (H.369);
36. dat ook niet ter zake doet, dat de in de huurovereenkomst tussen [verweerders] en de eiser in de hoofdzaak [betrokkene 1] aanvankelijk overeengekomen huurprijs van f.12.500,- is teruggebracht tot f.8350,- op welk laatstgenoemd bedrag naar vaststaat ten processe de goedkeuring van het Prijzenbureau is verkregen;
37. dat evenmin ter zake doet, immers ten deze rechtens zonder gevolg is, dat meergenoemde [betrokkene 1] - zoals [eiser] onweersproken stelt - aan [verweerders] de f.10.000,- heeft vergoed, die dezen benodigden om overeenkomstig artikel 1 van het oude huurcontract de huur te beëindigen, alsook het door [eiser] aangevoerde feit - hetwelk overigens door [verweerders] wordt ontkend en betwist - dat laatstgenoemd den aan [eiser] zouden hebben toegezegd, dat zij ingeval van opzegging der oude huur, alvorens aan derden te verhuren, met [eiser] over een nieuwe huur zouden onderhandelen;
38. dat in dit geschil slechts van belang zijn de vragen of [eiser] door zijn houding en handelwijze met betrekking tot de beëindiging der oude huur bij [verweerders] het vertrouwen heeft opgewekt (en dezen daarop mochten afgaan) dat het bewuste complex per 31 december 1945 zou zijn ontruimd of [eiser] zich bewust onmaatschappelijk heeft gedragen tegenover [verweerders] door enerzijds aanvankelijk het bedoelde vertrouwen op te wekken en anderzijds later de ontruiming per 31 december 1945 te frustreren en of [eiser] aldus doende een onrechtmatige daad in de zin van artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek jegens [verweerders] heeft gepleegd, waarvoor hij in casu in privé aansprakelijk is;
39. dat de rechtbank deze vragen bevestigend beantwoordt en zulks op de navolgende gronden:
1. Uit het onbetwiste schrijven van [eiser] d.d. 29 juni 1945 aan notaris [notaris] blijkt, dat [verweerders] er hunnerzijds weinig voor gevoelden om in de bestaande (huur-) verhoudingen wijziging te brengen en blijkt tevens dat [eiser] van zijn kant een "voorstel" aan [verweerders] heeft gedaan, en dan vanzelfsprekend een voorstel in andere zin, met andere woorden het was [eiser] en niet [verweerders] die aandrong op wijziging der verhoudingen;
2. Bij [eiser] zat op dat tijdstip in genen dele voor om - zoals hij ten processe voorwendt - alles te doen, wat de hem ingevolge de Wet opgelegde taak meebracht, te weten het trachten om met inachtneming der omstandigheden de huur en het gebruik van het complex door de N.V.Stadsschouwburg zo lang mogelijk te verlengen, immers
a. ware niet verbreking van de bestaande rechtsverhoudingen de bedoeling van partijen, dus ook van [eiser] , geweest, doch slechts verhoging van de huurprijs - zoals [eiser] aanvoert - dan ware een beëindiging van de oude huurovereenkomst met gebruikmaking van het bepaalde in artikel 1 van het huurcontract als in casu heeft plaats gevonden, geheel overbodig geweest;
b. in dat geval was het in ieder geval geheel overbodig om behalve de afkoopsom ad f.7500,- ook nog een bedrag van f.2500,- door [verweerders] te doen betalen, hetgeen er gelet op de tekst van artikel 1 van het oude huurcontract ten duidelijkste op wijst dat het de bedoeling van partijen, dus ook van [eiser] , was om het complex aan een andere exploitant dan de N.V. Stadsschouwburg te verhuren, welke andere de exploitatie dadelijk zou kunnen aanvangen;
c. ware het de bedoeling van [eiser] geweest om het complex ter exploitatie van de N.V. Stadsschouwburg zo lang mogelijk te behouden, dan zou [eiser] geen genoegen hebben genomen met een betaling en een in ontvangstname der f.10.000,- (zoals vaststaat) op 14 Augustus 1945, welk bedrag blijkens de tekst van meergenoemd artikel 1 van het contract bij en tegelijk met de opzegging voor 1 juli 1945 had dienen te zijn aangeboden;
40. dat het vorenstaande afdoende demonstreert, dat [eiser] zonder twijfel de ontruiming van het complex door de N.V. Stadsschouwburg per 31 december 1945 tegenover [verweerders] in het uitzicht heeft gesteld en dientengevolge bij [verweerders] het vertrouwen heeft opgewekt, waarop kon worden afgegaan, dat deze ontruiming op de aangegeven datum zou zijn geschied;
41. dat verder ten processe vaststaat, dat [eiser] na vernomen te hebben, dat [verweerders] het complex hadden verhuurd aan [betrokkene 1] , zich bij verzoekschrift van 29 oktober 1945 heeft gewend tot de Kantonrechter te Tilburg om te horen verklaren, dat ontruiming op grond van artikel 2 van het Huurbeschermingsbesluit niet kon worden gevorderd, in welk verzoek [eiser] niet-ontvankelijk werd verklaard bij vonnis van 14 februari 1946, waarna - zoals vaststaat - [eiser] de ontruiming van het complex nog niet bevorderde, doch verweer voerde tegen een tegen hem bij dagvaarding d.d. 18 februari 1946 aangespannen vordering tot ontruiming, die bij vonnis van de kantonrechter d.d. 21 maart 1946 werd toegewezen;
42. dat derhalve vaststaat, dat [eiser] de ontruiming per 31 december 1945 en daarna met alle middelen heeft tegengehouden;
43. dat aan dit feit niets verandert de omstandigheid, dat [eiser] tot het instellen zijner actie, respectievelijk tot het voeren van verweer tegen de tegen hem ingestelde actie, als bestuurder ex artikel 99 E 100 van de N.V. Stadsschouwburg is gemachtigd door het Nederlands Beheersinstituut;
44. dat [eiser] het ten processe voorstelt, dat hij als bestuurder ex artikel 99 E 100 de plicht had om het complex niet te ontruimen en dat hij de bovengenoemde processuele maatregelen moest nemen vermits hij had te waken voor de belangen van de N.V. Stadsschouwburg, doch dat dit alles niet opgaat, omdat [eiser] er diep van doordrongen moet zijn geweest, dat hij welbewust ongeveer een half jaar vroeger de N.V. Stadsschouwburg als huurder van het complex jegens [verweerders] definitief had losgelaten;
45. dat [eiser] het recht miste om overstag te gaan gelijk hij deed dusdoende [verweerders] willens en wetens in grote moeilijkheden brengende en dat [eiser] dit recht mist zelfs al zou juist zijn, en komen vast te staan, dat mevrouw [A] zekere toezeggingen - waar in ieder geval de N.V. Stadsschouwburg buiten stond gelijk bovenoverwogen - niet zou zijn nagekomen;
46. dat [eiser] door - als boven uiteengezet - plotseling van houding te veranderen naar het oordeel der rechtbank onder de ten processe vaststaande omstandigheden ernstig in strijd heeft gehandeld met de betamelijkheidsregels door een ieder in acht te nemen in het maatschappelijk verkeer;
47. dat de aansprakelijkheid van [eiser] voor de hierbedoelde frontverandering niet wordt weggenomen op grond dat hij de meergenoemde procedures heeft aangevangen en voortgezet na raadpleging van een advocaat;
48. dat immers, - daargelaten dat deze advocaat in zijn adviezen geheel afhankelijk is geweest van de aan hem door [eiser] verstrekte inlichtingen - de verantwoordelijkheid voor de frontverandering bij [eiser] blijft, die als ontwikkeld man ter dege moet hebben begrepen wat hij aanrichtte door ondanks al het vooraf gebeurde de hierbedoelde ontruiming tegen te houden;
49. dat [eiser] nog heeft betwist dat hij ten deze opgetreden zijnde als bestuurder ex artikel 99 E 100 van de N.V. Stadsschouwburg, in privé aansprakelijk zou zijn;
50. dat de rechtbank ook deze stelling verwerpt, nu blijkens de door de rechtbank hierboven als vaststaand aangenomen feiten en de gedragingen van [eiser] zoals die in dit vonnis zijn besproken, [eiser] persoonlijk schuld treft aan de hierboven omschreven onrechtmatige daad, ook al heeft hij gehandeld in vorengenoemde hoedanigheid;
51. dat mitsdien de vordering tot vrijwaring behoort te worden toegewezen;"
dat [eiser] van dit vonnis, zo wat betreft de hoofdzaak als de vrijwaringszaken in hoger beroep is gekomen, en het Hof bij het bestreden arrest [eiser] in zijn appel in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaken I en III niet-ontvankelijk heeft verklaard;
dat in het appel in vrijwaringszaak II het Hof het vonnis van de rechtbank heeft bekrachtigd, na te hebben overwogen:
"dat [eiser] de navolgende grieven heeft aangevoerd:
3. de rechtbank achtte ten onrechte irrelevant het niet mededoen aan de opzegging door een der verhuurders-medeëigenaren, namelijk [betrokkene 2] , die in de zomer van 1945 als politieke delinquent onder beheer stond en wiens beheerder evenmin medewerkte;
4. de rechtbank heeft niet ambtshalve de nietigheid uitgesproken met betrekking tot de beëindiging van de huur van de schouwburg en een eventuele belofte tot ontruiming, zulks ten onrechte omdat dit een daad was als bedoeld in artikel 13 sub b en c van het Besluit Vijandelijk Vermogen (E 133);
5. de rechtbank besliste dat [verweerders] zich voor hun verwijt tegen [eiser] mochten beroepen op een verhuring aan [betrokkene 1] die tegen een ongeoorloofde huurprijs plaats had, zulks ten onrechte daar deze handeling zij het niet nietig, dan toch onrechtmatig was;
6. ten onrechte beschouwde de rechtbank als niet terzake de - door [verweerders] ontkende - toezegging door mevrouw [A] dat zij alvorens aan derden te verhuren met [eiser] over een nieuwe huur zou onderhandelen;
7. ten onrechte nam de rechtbank aan dat [eiser] een onrechtmatige daad pleegde op twee door de rechtbank aangevoerde, doch onjuiste gronden;
8. ten onrechte leidde de rechtbank uit het procederen door [eiser] bij de kantonrechter over huurbescherming en uit zijn verweer tegen de ontruiming af dat hij de ontruiming van de schouwburg met alle mogelijke middelen heeft tegengehouden;
9. de rechtbank overwoog dat [eiser] welbewust de N.V. Stadsschouwburg als huurder van de schouwburg had losgelaten, zulks ten onrechte daar hij volgens het Besluit E 133 niets mocht en kon loslaten en een dergelijke rechtshandeling zonder goedkeuring van het Nederlands Beheers Instituut van rechtswege nietig zou zijn geweest en deze nietigheid ambtshalve had moeten zijn uitgesproken;
10. de rechtbank oordeelde dat [eiser] [verweerders] niet in grote moeilijkheden mocht brengen zelfs al zou mevrouw [A] zekere toezeggingen niet zijn nagekomen, zulks ten onrechte daar de rechtbank dusdoende niet een recht van [eiser] erkent op nakoming van een hem gedane toezegging doch wel een aanspraak van [verweerders] op nakoming van de verplichtingen die [eiser] tegenover hen had en nog wel in verband met de toezegging;
11. de rechtbank nam ten onrechte aan dat de toezegging van [verweerders] , als zij gedaan was, niets te maken had met de N.V. Stadsschouwburg, waaruit valt af te leiden dat de rechtbank, ten onrechte, oordeelde dat de toezegging alleen [eiser] persoonlijk aanging;
12. de rechtbank oordeelde ten onrechte dat [eiser] door plotseling van houding te veranderen in strijd handelde met de betamelijkheidsregels van het maatschappelijk verkeer;
13. de rechtbank achtte voor de opheffing van de aansprakelijkheid van [eiser] ten onrechte niet van belang het advies van zijn advocaat;
14. de rechtbank achtte ten onrechte [eiser] in privé aansprakelijk ofschoon hij optrad als bestuurder van de Stadsschouwburg en wel omdat hem persoonlijk schuld trof;
Als nieuwe verweer voerde [eiser] aan dat op grond van de artikelen 13 en 14 van het Besluit E 133 van rechtswege nietig waren de verrichtingen van [eiser] en [verweerders] om de huur ten opzichte van [betrokkene 3] - directeur van de N.V. Stadsschouwburg en als politiek delinquent staande onder beheer van [eiser] - te beëeindigen en om ze ten aanzien van [betrokkene 2] - eveneens onder beheer staande - te doen aflopen en dat om dezelfde reden van rechtswege nietig waren de verrichtingen van [verweerders] en [betrokkene 1] omtrent de nieuwe huur, welke ook het vermogen van [betrokkene 2] aanging;
dat wat betreft de zevende grief en de twaalfde grief onbetwist vaststaat dat artikel 1 van het tussen [verweerders] en de N.V. Stadsschouwburg geldende huurcontract luidde:
"Deze overeenkomst is aangegaan voor de tijd van vijf jaren ingaande een Januari 1900 een en veertig en mitsdien eindigende een en dertig December 1900 vijf en veertig. De huurster verklaart zich reeds thans bereid, en verplicht zich tevens na afloop van deze vijf jaren wederom voor de tijd van vijf jaren, ingaande een Januari 1900 zes en veertig en derhalve eindigende, een en dertig December 1900 en vijftig, het hierboven omschreven object van verhuurster te huren onder geheel dezelfde voorwaarden en bedingen, geen uitgezonderd, en derhalve ook tegen dezelfde prijs als in deze overeenkomst bepaald en nog te bepalen.
Voor het geval dat het algemene huurniveau op 1 Januari 1946 in vergelijking van Januari 1940 aanmerkelijk is gestegen zal de huurprijs in onderling overleg tussen partijen nader worden vastgesteld en op het gewijzigde huurniveau worden gebracht.
Zijn de huurprijzen omstreeks Januari 1946 vrijwel gelijk gebleven aan de huurprijzen van Januari 1941, dan verplicht verhuurster zich tot verhuur tot 31 December 1950 tegen gelijke huurprijs van f.6000,- per saldo volgens artikel2 hieronder.
In ieder geval heeft de huurster voor de periode een Januari 1946 tot 31 December 1950 een voorkeursrecht op iedere andere gegadigde-huurder, met dien verstande, dat zij voor die periode f.1000,- per jaar minder zal behoeven te betalen dan de meest biedende gegadigde.
Evenwel heeft de verhuurster het recht op dit voorkeursrecht van de huurster af te kopen tegen betaling van een bedrag van vijf en zeventig honderd gulden (f.7500,-), mits verhuurster minstens zes maanden voor het eindigen van deze huurovereenkomst, dus voor een Juli 1900 vijf en veertig aan de huurster schriftelijk kennis geeft, dat zij van dit afkooprecht wenst gebruik te maken, onder aanbieding tevens en terzelfdertijd van gemeld bedrag van f.7500,- in contanten, en zich daarbij en daarnaast nog uitdrukkelijk verbindende, dat in het gehuurde, hetzij in het geheel, hetzij in een gedeelte daarvan gedurende het eerste jaar nadat verhuurster van haar afkooprecht gebruik heeft gemaakt geen publieke vermakelijkheden, noch societeitsbijeenkomsten, van welke aard of in welke vorm ook, zullen worden vertoond of gehouden, tenzij verhuurster tegelijk met het hierboven genoemde bedrag van f.7500,- aan de huurster bij wijze van schadevergoeding betaalt een bedrag van vijf en twintig honderd gulden (f.2500,-). Indien verhuurster van haar afkooprecht gebruik heeft gemaakt en zich heeft verbonden als voormeld, zal zij, voor het geval dat in strijd met deze verbintenis wordt gehandeld, ten behoeve van huurster en aan deze eene boete verbeuren van vijf en twintighonderd gulden (f.2500,-), welke boete op eerste aanmaning, door of namens huurster gedaan, onmiddellijk moet worden betaald.
De huurster zal nimmer stilzwijgende voortzetting of hernieuwing van huur na afloop der in dit contract bedoelde tweemaal vijf jaren kunnen inroepen, ook al zou huurster in het genot zijn gebleven van het thans gehuurde.
Indien deze overeenkomst van huur en verhuur op 31 December 1950 eindigt, zal de verhuurster aan huurster in ieder geval als tegemoetkoming in de door huurster gemaakte verbouwingskosten nog betalen een bedrag van vijf en twintig honderd gulden (f.2500,-), welk bedrag bij doorlopen der huur, of indien een nieuw huurcontract tussen partijen wordt gemaakt, met de door huurster te betalen huurprijs zal worden verrekend naar rato van f.1000,- per jaar.
In geval van stijging van het algemeen huurniveau als hiervoren bedoeld, zullen de in dit artikel genoemde bedragen in gelijke verhouding tot deze stijging worden verhoogd."
dat eveneens onbetwist is dat [eiser] zonder enig protest of voorbehoud te maken de beide in het huurcontract voorziene afkoopsommen groot respectievelijk f.7500,- en f.2500,- van [verweerders] in ontvangst heeft genomen en wel blijkens de in het geding zijnde kwitantie, op 14 augustus 1945 hoewel in het contract was bepaald dat van het afkooprecht vóór 1 juli 1945 gebruik moest worden gemaakt onder gelijktijdige betaling van de afkoopsommen;
dat door deze gedraging [eiser] naar verkeersopvattingen aan [verweerders] te kennen gaf dat hij met de beëindiging per 31 december 1945 van de lopende huurovereenkomst instemde;
dat op deze grond het Hof - de motivering van de rechtbank in haar 39e rechtsoverweging daarlatende - de in die overweging juncto de 38e rechtsoverweging vervatte beslissing van de rechtbank juist acht;
dat deze beslissing hier op neerkomt dat [eiser] door zijn handelwijze met betrekking tot de afkoop van het voorkeursrecht door [verweerders] bij hen het gerechtvaardigde vertrouwen opwekte dat hij het gehuurde bij het einde van de huur op 31 december 1945 zou ontruimen en hij een onrechtmatige daad pleegde door desondanks deze ontruiming te gaan frustreren;
dat derhalve de zevende en de twaalfde grief moeten worden verworpen;
dat de achtste grief moet worden verworpen omdat door [eiser] is erkend dat hij na 31 december 1945 de ontruiming heeft geweigerd, eerst bij de kantonrechter over huurbescherming is gaan procederen en vervolgens verweer heeft gevoerd in de ontruimingsprocedure;
dat met betrekking tot de in de toelichting op deze achtste grief vervatte stellingen en met betrekking tot de dertiende grief door het Hof wordt overwogen dat noch een advies van een advocaat noch machtiging van het Nederlands Beheersinstituut [eiser] disculperen, daar de onrechtmatigheid van zijn handelen zo duidelijk is dat hij deze als ontwikkeld mens moet hebben begrepen;
dat de derde grief, betrekking hebbende op de 35ste rechtsoverweging van de rechtbank, moet worden verworpen daar niet ter zake
dienende is of alle eigenaren - verhuurders medewerkten aan de opzegging van de oude en het sluiten van de nieuwe huur, aangezien zulks de onrechtmatigheid jegens [verweerders] van de verandering van [eiser] 's houding - eerst instemmen met de beëindiging van de huur en later desondanks ontruiming weigeren - niet wegneemt;
dat wat betreft de vierde grief, de negende grief en het nieuwe verweer de onrechtmatige daad van [eiser] gelegen is in het weigeren van de ontruiming van de Schouwburg en het daardoor beletten dat [verweerders] hun huurcontract met [betrokkene 1] konden naleven, zulks hoewel [eiser] eerder, zoals bij de behandeling van de zevende grief is overwogen, aan [verweerders] door daden te kennen had gegeven dat hij op 31 december 1945 de schouwburg zou opleveren;
dat [eiser] in dit verband een beroep doet op de nietigheid genoemd in artikel 14 Besluit E 133;
dat het hier echter niet gaat over de vraag of bepaalde rechtshandelingen nietig zijn maar over de daarvan losstaande vraag of de meergenoemde gedraging van [eiser] jegens [verweerders] onrechtmatig is;
dat derhalve de vierde en de negende grief en het nieuwe verweer moeten worden verworpen;
dat wat betreft de vijfde grief het bedingen van een te hoge huurprijs tussen [betrokkene 1] en [verweerders] tot gevolg had dat ingevolge het Huurprijsbesluit 1940 enkel de hoogst toelaatbare huurprijs gold, doch dit aan de onrechtmatigheid van [eiser] gedraging niet af doet;
dat wat betreft de zesde grief en de tiende grief daarin de beweerde toezegging door [verweerders] vaag is geformuleerd, met name niet is aangegeven op welk tijdstip de toezegging is gedaan en wat deze precies inhield;
dat [eiser] in zijn conclusie van antwoord in eerste aanleg stelde dat de toezegging enige tijd voor 30 juni 1945 was gedaan en inhield dat [verweerders] alvorens aan derden te verhuren met [eiser] zouden onderhandelen over continuatie van de huur en wel naar [eiser] in zijn conclusie van dupliek stelde, tegen een hogere huurprijs;
dat [verweerders] bij brief van 30 juni 1945 aan [eiser] verklaarden gebruik te maken van hun recht de huur te beëindigen door afkoop van het voorkeursrecht;
dat bij brief van 29 juni 1945 [eiser] aan notaris [notaris] had geschreven dat mevrouw [A] hem had medegedeeld dat zij er weinig voor voelde in de huidige verhoudingen wijziging te brengen in die geest dat zij er huiverig voor was het bestaande huurcontract vóór 1 juli 1945 op te zeggen en dat [eiser] daarom mededeelde dat hij geen gebruik zal maken van de uitnodiging van mevrouw [A] om deze aangelegenheid met de notaris te bespreken; dat uit de brief van 29 juli (lees: Juni) 1945 blijkt dat aan [eiser] gelegenheid is gegeven om over de ontinuatie van de huur te spreken;
dat [eiser] na ontvangst van de brief van 30 juni 1945 niets heeft gedaan om kenbaar te maken dat hij protesteerde tegen de niet nakoming van de beweerde toezegging door [verweerders] ; dat in elk geval door het op 14 augustus 1945 zonder protest in ontvangst nemen van de afkoopsommen [eiser] te kennen gaf dat hij niet een recht pretendeerde op onderhandelingen over continuatie van de huur;
dat voorts al zouden [verweerders] in strijd met een rechtens bindende toezegging hebben gehandeld, dit de onrechtmatigheid aan de gedragingen van [eiser] niet ontneemt;
dat derhalve de zesde grief en de tiende grief moeten worden verworpen;
dat de elfde grief, die betrekking heeft op de tussenzin in de 45e rechtsoverweging van de rechtbank, moet worden verworpen daar niet terzake doet of de N.V. Stadsschouwburg al of niet buiten de toezegging door Mevrouw [A] stond, immers in geen van beide gevallen iets wordt afgedaan aan hetgeen bij de behandeling van de zesde en de tiende grief is overwogen;
dat de veertiende grief moet worden verworpen daar [eiser] ook persoonlijk gehandeld heeft in strijd met de zorgvuldigheid die ten aanzien van anderen betaamt;
dat thans alle grieven en het nieuwe verweer van [eiser] zijn behandeld en verworpen;"
dat [eiser] 's Hofs arrest bestrijdt met het navolgende middel van cassatie:
"Schending en/of verkeerde toepassing der artikelen 175 der Grondwet, 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, 48 en 59 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1279 tot en met 1284, 1302, 1303, 1374, 1376, 1401, 1402 en 1403 van het Burgerlijk Wetboek, 1 tot en met 7 van het Huurbeschermingsbesluit 1941, 6, 13 en 14 van het Besluit vijandelijk vermogen (E 133),
a. doordat het Hof, met verwerping van de zevende en twaalfde grief van [eiser] , heeft beslist, dat [eiser] door zijn handelwijze met betrekking tot de afkoop van het voorkeursrecht door
[verweerders] bij hen het gerechtvaardigde vertrouwen opwekte, dat hij het gehuurde bij het einde van de huur op 31 december 1945 zou ontruimen en hij een onrechtmatige daad pleegde door desondanks deze ontruiming te gaan frustreren,
daar immers de door het Hof bedoelde onrechtmatige daad juist bestaat in de niet-nakoming of niet-tijdige nakoming van een door de aanvaarding der opzegging per 31 december 1945 ontstane verbintenis tot ontruiming van het gehuurde, dus in een wanprestatie jegens [verweerders] , zodat het Hof de handelwijze van [eiser] niet tevens als een onrechtmatige daad jegens [verweerders] had mogen beschouwen;
b. doordat het Hof bij de verwerping van de achtste en dertiende grief heeft voorbijgezien, dat het Huurbeschermingsbesluit 1941 de huurder ook dan beoogde te beschermen, indien het betrof een door de huurder zelve gedane opzegging en mitsdien aangegane verbintenis tot ontruiming, zodat ook in die gevallen het weigeren van de ontruiming en het voeren van verweer tegen de ontruiming, met een beroep op het Huurbeschermingsbesluit 1941, nog niet een onrechtmatige daad is, althans [eiser] in verontschuldigbare dwaling mocht aannemen dat zijn handelwijze rechtmatig was;
c. doordat het Hof, met verwerping van de derde grief, heeft beslist, dat niet terzake dienende is of alle eigenaren-verhuurders medewerkten aan de opzegging van het huurcontract van 31 december 1940,
daar immers de opzegging slechts rechtsgeldig kon zijn en dus de verbintenis tot ontruiming per 31 december 1945 slechts kon ontstaan door medewerking of goedkeuring van alle partijen bij het huurcontract van 31 december 1940, dus ook met medewerking van [betrokkene 2] of zijn beheerder;
d. doordat het Hof, met verwerping van de vierde grief, de negende grief en het nieuwe verweer, heeft beslist, dat het beroep van [eiser] op de van rechtswege, door de rechter ambtshalve uit te spreken, nietigheid krachtens de artikelen 13 en 14 van het Besluit vijandelijk vermogen (E 133) van de rechtshandeling, bestaande in het aanvaarden der opzegging en het mitsdien aangaan der verbintenis tot ontruiming per 31 december 1945, bij welke rechtshandeling [betrokkene 2] en [betrokkene 3] waren betrokken, benevens de nietigheid van de nieuwe huur, bij dewelke [betrokkene 2] als mede-eigenaar van het verhuurde was betrokken, niet terzake dienende is voor de beslissing van de vraag of de gedragingen van [eiser] jegens [verweerders] onrechtmatig zijn,
daar immers het Hof door het ambtshalve uitspreken van die nietigheden, krachtens artikel 14 lid 4 van het Besluit Vijandelijk Vermogen (E 133), generlei rechtsgevolg aan voormelde rechtshandeling en aan de nieuwe huur had mogen toekennen, zodat het Hof aan [eiser] niet had kunnen en mogen verwijten, noch bij wijze van wanprestatie, noch bij wijze van onrechtmatige daad, dat hij, als bestuurder der N.V. Stadsschouwburg, een niet-bestaande of niet-ontstane verbintenis tot ontruiming niet of niet-tijdig is nagekomen, terwijl het Hof dan evenmin had kunnen en mogen aannemen, dat [verweerders] schade zouden hebben geleden door het moeten nakomen van een, uit de nietige nieuwe huur niet-ontstane, verbintenis tot oplevering jegens W.A. [betrokkene 1] ;
e. doordat het Hof, met verwerping van de veertiende grief, heeft beslist dat [eiser] ook persoonlijk jegens [verweerders] heeft gehandeld in strijd met de betamelijkheidsregels van het maatschappelijk verkeer,
daar het huurcontract van 31 december 1940 door [verweerders] , tezamen met [betrokkene 2] , is aangegaan met de N.V. Stadsschouwburg en [betrokkene 3] , terwijl [eiser] de opzegging per 31 december 1945 heeft aanvaard in zijn hoedanigheid van bestuurder van de N.V. Stadsschouwburg, zodat de uit die rechtshandeling, in verband met het huurcontract, voortvloeiende verbintenis tot ontruiming, - daargelaten, dat aan die rechtshandeling generlei rechtsgevolg kan en mag worden toegekend krachtens artikel 14 lid 4 van het Besluit vijandelijk vermogen (E 133) -, slechts kan hebben bestaan tussen [verweerders] en voormelde N.V .;
f. doordat het Hof de verwerping van voormelde grieven en de beslissing, dat [eiser] jegens verweerders een onrechtmatige daad in de zin van artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek zou hebben gepleegd, de daaruit voortvloeiende schade het naar ervaringsregelen redelijkerwijze te verwachten gevolg van de gedragingen van eiser is en [eiser] voor die schade persoonlijk aansprakelijk is, niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.";
dat verweerders onder 1, 2 en 3 tot niet-ontvankelijkheid van het beroep hebben geconcludeerd op de navolgende gronden:
"1. dat zij bij dagvaardingen van 6 februari 1957 zijn gedagvaard om op 8 maart 1957 des voormiddags tien uur te verschijnen voor de Hoge Raad;
2. dat hun, op voornoemd tijdstip verschenen zijnde, alstoen ter zitting bleek, dat zij in de onderhavige zaak mede-verweerders waren naast [verweerster 4] en diens echtgenot [verweerder 5] ;
3. . dat ter zitting eveneens bleek, dat [verweerster 4] en [verweerder 5] voornoemd niet waren verschenen;
4. dat de Hoge Raad op 15 maart 1957 tegen de niet-verschenen verweerders verstek heeft verleend, en de zaak heeft aangehouden;
5. dat [eiser] de wel verschenen verweerders opnieuw voor de Hoge Raad heeft doen oproepen bij deurwaardersexploiten van 18 april 1957;
6. dat uit deze exploiten onder meer blijkt, dat [eiser] de cassatie-dagvaarding van [verweerster 4] en [verweerder 5] voornoemd door de deurwaarder [deurwaarder] te Bussum heeft doen uitbrengen op 6 februari 1957;
7. dat de cassatie-dagvaarding van [verweerster 4] en [verweerder 5] voornoemd de gemeente [woonplaats] als woonplaats van deze verweerders vermelden;
8. dat [verweerster 4] en [verweerder 5] voornoemd op 6 februari 1957 in Genève (Zwitserland), althans elders dan in de gemeente [woonplaats] , woonplaats hadden;
9. dat de cassatie-dagvaardingen d.d. 6 februari 1957 niet overeenkomstig de wet aan [verweerster 4] en [verweerder 5] zijn betekend, immers zijn betekend aan domiciliën, welke niet de hunne waren, en zij wellicht daarom op deze dagvaardingen niet zijn verschenen;
10. dat [eiser] [verweerster 4] en [verweerder 5] opnieuw voor de Hoge Raad heeft doen oproepen, nadat de Hoge Raad tegen hen verstek had verleend op 15 maart 1957;
11. dat deze nadere oproeping echter geschied is na 8 februari 1957, zijnde de laatste dag, waarop cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 8 november 1956 ingesteld had kunnen worden;
12. dat uit het sub 9 tot en met sub 11 gestelde volgt, dat het cassatieberoep, voor zover dit de verweerders [verweerster 4] en [verweerder 5] betreft, niet ontvankelijk is;
13. dat zulks met zich medebrengt, dat het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 8 november 1956 - waartegen beroep in cassatie - ten aanzien van [verweerster 4] en [verweerder 5] voornoemd in kracht van gewijsde is gegaan;
14. dat de rechtsverhouding tussen [eiser] enerzijds, en alle verweerders in cassatie anderzijds, van zodanige aard is, dat de rechter daarover niet anders dan in den geding, gevoerd door allen tezamen, kan beslissen, omdat rechtens noodzakelijk is, dat de beslissing tegen elk der samen in het proces staande partijen luidt in één zelfde zin;
15. dat echter tengevolge van de omstandigheid, dat slechts drie van de vijf verweerders rechtsgeldig in het cassatiegeding zijn betrokken, de mogelijkheid zou zijn geschapen, dat de Hoge Raad ten aanzien van deze drie verweerders een beslissing zou nemen, welke anders luidt dan (c.q. tegenstrijdig is met) het ten aanzien van de verweerders [verweerster 4] en Dr A.L.S.P. [verweerder 5] in kracht van gewijsde gegane arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 8 november 1956;
16. dat derhalve van Dullemensberoep tot cassatie ten aanzien van de drie verschenen verweerders niet-ontvankelijk is;
17. dat verweerders onder protest tot gehoudenheid hun hierboven sub 8 geponeerde stelling aanbieden te bewijzen door getuigen, bescheiden en/of andere middelen rechtens, en zij ten bewijze van deze stelling in het geding brengen:
a. een aan Mr A.Mout gerichte brief d.d. 14 mei 1957 van Mr […] (een broeder van [verweerder 5] );
b. een aan Mr A.Mout gerichte brief d.d. 14 mei 1957 van [betrokkene 4] ;
c. een bewijs van afvoering van het bevolkingsregister van de gemeente [woonplaats] , waaruit blijkt dat [verweerder 5] op 1 november 1956 van dat bevolkingsregister is afgevoerd (N.B .: [verweerster 4] is eerst op 18 februari 1957 afgevoerd uit het bevolkingsregister van de gemeente [woonplaats] , gelijk uit het hierbij overgelegde bewijs van haar afvoering blijkt; niettemin handhaven verweerders
ook te haren aanzien het sub 8 dezer conclusie geponeerde);"
Overwegende dat ter bestrijding van de door [verweerders] opgeworpen niet-ontvankelijkheid van het beroep bij pleidooi namens [eiser] is gesteld dat het echtpaar [verweerder 5] op 6 Februari 1957 op het adres te [woonplaats] , Huize […] , alwaar de dagvaarding is uitgebracht, woonplaats had;
dat tot staving van deze stelling namens [eiser] de volgende feiten zijn aangevoerd:
1. dat [verweerster 4] op 6 Februari 1957 nog in het bevolkingsregister te [woonplaats] op voormeld adres was ingeschreven, en Dr. [verweerder 5] wel uit het register was afgevoerd, doch zelfs zijn naaste verwanten en medewerkers zijn adres niet kenden, althans dat adres onbekend hielden, waarbij zelfs zijn schoonmoeder mededeelde dat zij niet wist waar haar schoonzoon en haar dochter waren;
2. dat op 6 Februari 1957 het huis van het echtpaar, met economisch adviesbureau en inboedel, zich nog in denzelfden uiterlijken toestand bevond als voorheen, zodat geen verhuizing plaats vond;
3. dat het huwelijk van het echtpaar [verweerder 5] een goed en normaal huwelijk was en geen grond bestond waarop ware aan te nemen dat Dr. [verweerder 5] alléén zijn woonplaats zou hebben gewijzigd, zonder dat zijn echtgenote hem vergezelde;
4. dat het economisch adviesbureau, dat Dr. [verweerder 5] sinds 1953 tezamen met zijn broeder in zijn woonhuis dreef, gewoon doorging, terwijl de telefoongids van April 1957 bij de naam [verweerder 5] nog het adres " […] " vermeldt;
Overwegende dat de juistheid van deze feiten van de zijde van [verweerders] bij pleidooi niet is ontkend en de Hoge Raad deze feiten mitsdien als vaststaande aanmerkt;
Overwegende dat volgens artikel 75 van het Burgerlijk Wetboek verandering van woonplaats zal stand grijpen door de werkelijke woning in een andere plaats gevoegd bij het voornemen om aldaar zijn hoofdverblijf te vestigen;
Overwegende dat de evengemelde als vaststaande aangenomen feiten alle er op wijzen dat ten aanzien van het echtpaar [verweerder 5] op 6 Februari 1957, toen de dagvaarding werd uitgebracht, van een "werkelijke woning in een andere plaats" niet kan worden gesproken;
Overwegende dat daartegenover van de zijde van [verweerders] feiten en omstandigheden welke zulk een "werkelijke woning in een andere plaats" wel aannemelijk zouden kunnen maken niet zijn gesteld, kunnende als zodanig niet gelden het feit dat Dr. [verweerder 5] op 1 November 1956 uit het bevolkingsregister der Gemeente [woonplaats] is afgevoerd en zijn echtgenote op 18 Februari 1957, zodat aan het onder 17 van de conclusie van antwoord gedaan bewijsaanbod van de onder 8 vermelde stelling: "dat [verweerster 4] en [verweerder 5] voornoemd op 6 Februari 1957 in Genève (Zwitserland), althans elders dan in de gemeente [woonplaats] , woonplaats hadden", als kennelijk niet ernstig gemeend moet worden voorbijgegaan;
Overwegende dat uit het vorenoverwogene volgt dat het door [verweerders] voorgestelde middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen;
Overwegende thans aangaande het door [eiser] voorgestelde middel van cassatie:
dat, naar uit het bestreden arrest blijkt, [eiser] , toen hij de in het huurcontract voorziene afkoopsommen van f.7500,- en f.2500,- in ontvangst nam, niet voor zich in prive handelde doch als orgaan van de naamloze vennootschap "Stadsschouwburg", en aldus in die hoedanigheid te kennen gaf dat hij met de beëindiging per 31 December 1945 van de lopende huurovereenkomst instemde;
dat dus, indien al uit [eiser] handelingen een overeenkomst ontstond, deze tot stand kwam tussen de"Stadsschouwburg" en [verweerders] en niet ook, naar in onderdeel a van het middel blijkbaar wordt aangenomen, tussen [eiser] persoonlijk en [verweerders] ;
dat hiermede aan dat onderdeel zijn grondslag ontvalt;
dat, indien een orgaan van een rechtspersoon door zijn handelingen die rechtspersoon aan een derde bindt, de omstandigheid dat de weigering van dat orgaan om die verbintenis na te komen wanpraestatie van die rechtspersoon oplevert geenszins - anders dan in onderdeel e wordt aangenomen - een belemmering vormt om ten aanzien van de natuurlijke persoon, die als orgaan optreedt, diens weigering tot nakoming aan te merken als een onrechtmatige daad jegens dien derde; dat in het bijzonder in de te dezen door het Hof vastgestelde omstandigheden moet worden geoordeeld dat de zorgvuldigheid welke [eiser] persoonlijk naar verkeersnormen ten aanzien van [verweerders] had in acht te nemen medebracht dat hij zijn volle medewerking gaf aan de ontruiming per 31 December van het door de naamloze vennootschap van [verweerders] gehuurde, zodat het tegenwerken van die ontruiming [eiser] als een onrechtmatige daad jegens [verweerders] is aan te rekenen;
dat daaraan niet kan afdoen dat, gelijk in onderdeel b wordt gesteld, aan een huurder, zelfs indien deze zelf de huur had opgezegd, destijds een beroep op huurbescherming openstond, noch ook de omstandigheid, in onderdeel c gesteld, dat aan de betaling van de door [eiser] in ontvangst genomen afkoopsommen niet alle eigenaren- verhuurders medewerkten;
dat, wat onderdeel d betreft, in de voor het Hof gevoerde procedure in zake vrijwaring, gegrond op de aan [eiser] verweten onrechtmatige daad, voor een "ambtshalve uitspreken" van de in dat onderdeel gestelde nietigheden geen plaats was;
dat overigens met betrekking tot de in dit onderdeel gestelde omstandigheid dat bij het doen eindigen van de huur van de Stadsschouwburg per 31 December 1946 zowel aan de zijde van de verhuurders als aan de zijde van de huurster belangen zouden zijn betrokken van een persoon als bedoeld in artikel 6, lid 1, van het Besluit Vijandelijk Vermogen, en dat dienvolgens tussen de naamloze vennootschap en [verweerders] geen overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, al wederom geldt dat daardoor aan de handelwijze van [eiser] , te weten het eerst voor de door hem vertegenwoordigde naamloze vennootschap van [verweerders] aannemen van de afkoopsommen en het vervolgens met alle middelen trachten te beletten dat die naamloze vennootschap de van [verweerders] gehuurde Stadsschouwburg ontruimde het onrechtmatig karakter niet wordt ontnomen;
dat onderdeel d eindelijk nog de stelling inhoudt, dat het Hof niet zou hebben mogen aannemen dat [verweerders] jegens [betrokkene 1] tot schadevergoeding zouden worden veroordeeld wegens het te laat opleveren van de aan [betrokkene 1] verhuurde schouwburg, en wel hierom niet, omdat de met [betrokkene 1] gesloten huurovereenkomst nietig zoude zijn als betreffende een onroerend goed dat mede zou toebehoren aan een persoon als bedoeld bij artikel 6, lid 1, Besluit Vijandig Vermogen; dat echter die omstandigheid geenszins noodzakelijk een veroordeling van [verweerders] tot schadevergoeding als bedoeld zou uitsluiten;
dat tenslotte blijkens het voorgaande ook de in onderdeel f vervatte motiveringsklacht geen doel treft;
dat mitsdien het middel in al zijn onderdelen faalt;
Verklaart [eiser] ontvankelijk in zijn beroep.
Verwerpt het beroep.
Verwijst [eiser] in de daarop gevallen kosten, aan de zijde van [verweerders] tot op de uitspraak van dit arrest begroot op twee en twintig gulden vijftig cent aan verschotten en op zevenhonderd vijf- tig gulden voor salaris.
Gedaan bij de Heren Donner, President, Smits, Boltjes, Hülsmann en Petit, Raden, en door voornoemden President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den een en dertigsten Januari 1900 acht en vijftig, in tegenwoordigheid van den Advocaat-Generaal Loeff.