8 Februari 1961.
F.
No. 14464.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ,
Gezien het beroepschrift in cassatie van den Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 Augustus 1960 betreffende den aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1953 opgelegd aan wijlen [X], gewoond hebbende te [Z];
Gezien de stukken;
Overwegende dat aan wijlen [X] een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1953 werd opgelegd, naar een zuiver inkomen van f. 3.400, -, welke aanslag na reclame ongewijzigd werd gehandhaafd, waarna zijn erfgenamen zich tot het Hof hebben gewend, daarbij als grief aanvoerende, dat de termijn om aan hun erflater een primitieven aanslag voor het jaar 1953 op te leggen was verstreken;
Overwegende dat het Hof omtrent de feiten en der partijen verschillend standpunt heeft overwogen:
"Wijlen [X] werd volgens mededeling van de Inspecteur, aan welke mededeling het Hof geloof hecht, voor het jaar 1953 niet beschreven. Ook in het daarop volgende jaar was dit niet het geval. Hij was in die jaren bij de belastingadministratie niet bekend en hem werd geen aangiftebiljet toegezonden. Evenmin deed hij in die jaren eigener beweging de vereiste aangifte. Toen ter inspectie de aanslagen over het belastingjaar 1953 werden geregeld, werd hem dientengevolge geen aanslag opgelegd.
Op 18 juli 1957 werd ter inspectie een renseignement ontvangen, dat [X] in het genot was van een uitkering A.O.W. en daarnevens een lijfrente genoot van f. 20, - per week. Voor het jaar 1955 is hij toen aangeslagen naar een inkomen van f. 2.500, -. In 1958 volgde de primitieve aanslag over het jaar 1956, zomede een navorderingsaanslag over het jaar 1955. Uit een rapport van de Rijksaccountantsdienst van 28 maart 1958 kwam in dat jaar aan het licht, zulks als gevolg van een door die dienst ingesteld onderzoek bij de firma [A] te [Z], dat wijlen [X] in de jaren 1953 en 1954 voor die firma werkzaamheden had verricht en daarmede in 1953 f.1.950, - had verdiend. Bovendien bleek hij te
in dat jaar nog eigenaar te zijn geweest van een terrein met garage, dat hij aan die firma verhuurde. De netto-opbrengst hiervan was f. 1.450, -. Dit was voor de Inspecteur aanleiding hem over 1953 alsnog primitief aan te slaan naar een inkomen van f. 3.400, -. Het besluit hiertoe werd genomen in 1958, doch het register van voor de In aanslagen werd eerst getekend op 11 december 1959. De Inspecteur legde een primitieve aanslag op, aangezien tot [X] nimmer een mededeling was gericht, dat hij over 1953 niet in de inkomstenbelasting zou worden aangeslagen. In verband hiermede heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld, dat, al was in 1958 de aanslagregeling over 1953 reeds voltooid, het nog mogelijk was [X] voor laatstbedoeld jaar aan te slaan. Tot dan toe was niet bekend, dat hij voor dat jaar belastingplichtig was en dit had de fiscus ook niet bekend kunnen zijn, bij gebreke van een aangifte of van andere gegevens, welke tot nader onderzoek hadden kunnen leiden. De Inspecteur heeft er daarbij op gewezen, dat ook bij het vaststellen van de aanslagen over de jaren 1955 en 1956 niet bekend was, dat [X] ook voor het jaar 1953 voor een aanslag in aanmerking kwam. Z.i. werd door de administratie nimmer afgezien van dat het opleggen van een aanslag over dat jaar. Dit zou z.i. slechts het geval zijn, indien een positieve daad van de Inspecteur zou zijn aan te wijzen, waaruit deze conclusie zou kunnen worden getrokken. Nu zodanige daad er niet is geweest, geldt volgens de Inspecteur de regel, dat voor het opleggen van een primitieve aanslag geen termijn is gesteld. Doordat eerst in 1958 duidelijk werd, dat [X] in 1953 belastingplichtig was geweest, kon hem in 1959 redelijkerwijs nog een aanslag over dat jaar worden opgelegd.
De belanghebbenden, die in hun beroepschrift ten onrechte veronderstellen, dat aan wijlen [X] voor het jaar 1953 een aangiftebiljet zou zijn uitgereikt en dat hem zou zijn medegedeeld, dat een aanslag niet zou volgen, zijn van oordeel dat het recht om over het jaar 1953 een primitieve aanslag op te leggen in 1959 voor de Inspecteur niet meer bestond. H.i. had de over dat jaar niet geheven belasting slechts door middel van een navorderingsaanslag kunnen zijn gevorderd. Dat de aanslag over 1953 ten onrechte achterwege was gebleven, blijkt h.i. voldoende uit het feit, dat over de latere jaren 1955 en 1956 wel reeds aanslagen waren opgelegd; "
Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:
"dat, ofschoon door de Inspecteur nimmer een formeel besluit werd genomen aan wijlen [X] over het jaar 1953 geen aanslag in de inkomstenbelasting op te leggen, uit de feiten, zoals zij zich
hebben toegedragen, toch duidelijk blijkt, dat het in 1958 nog niet opgelegd zijn van die aanslag niet het gevolg was van de omstandigheid, dat het vaststellen van die aanslag om de een of andere reden was aangehouden, maar van die, dat de Inspecteur met de belastingplicht van [X] voor dat jaar niet bekend is geweest toen hij de aanslagregeling over dat jaar voltooide;
dat dit meebrengt, dat die aanslag over dat jaar ten onrechte achterwege was gebleven;
dat, bij aldien ten onrechte is afgezien van het vaststellen van een aanslag, de te weinig geheven belasting ingevolge artikel 1 van de Zevende Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941 kan worden nagevorderd, indien althans aan de overige daarvoor gestelde vereisten is voldaan;
dat de Inspecteur van oordeel is, dat eerst dan van een afzien van het vaststellen van een aanslag zou kunnen worden gesproken, indien de Inspecteur, bekend met de objectieve belastingplicht van [X], nochtans de aanslag niet tijdig zou hebben opgelegd;
dat dit evenwel een te enge uitleg is van artikel 1 van de voormelde Uitvoeringsbeschikking; dat toch de bevoegdheid tot navordering is gegeven om belasting te kunnen achterhalen, welke niet werd geheven wijl de fiscus niet bekend was met de juiste omstandigheden, welke de omvang van de belastingplicht bepalen; dat er geen reden is een onderscheid te maken tussen het geval, waarin als gevolg hier van een te lage aanslag is opgelegd en dat, waarin in het geheel geen aanslag werd opgelegd;
dat derhalve in beide gevallen het middel van navordering openstaat en dit meebrengt, dat - als eenmaal de aanslagregeling over een bepaald jaar is voltooid, zonder dat er een reden was die voor een bepaalde belastingplichtige nog aan te houden - deze belastingplichtige nog slechts door middel van navordering en niet meer langs de weg van het opleggen van een primitieve aanslag in de belasting kan worden betrokken;
dat mitsdien in het onderhavige geval zodanige primitieve aanslag ten onrechte werd opgelegd; "
Overwegende dat het Hof dienvolgens de bestreden beschikking van den Inspecteur en den daarbij gehandhaafden aanslag heeft vernietigd;
Overwegende dat de Staatssecretaris als middel van cassatie heeft voorgesteld:
"Schending of verkeerde toepassing van artikel 42 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 en artikel 1 der Zevende Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941 doordat het Gerechtshof - op grond van de overweging, dat als eenmaal de aanslagregeling over een bepaald jaar is voltooid zonder dat er een reden was, die voor een bepaalde belastingplichtige nog aan te houden, deze belastingplichtige nog slechts door middel van navordering en niet meer langs de weg van het opleggen van een primitieve aanslag in de belasting kan worden betrokken - heeft beslist, dat in het onderhavige geval ten onrechte een primitieve aanslag werd opgelegd, zulks ten onrechte, aangezien in het onderwerpelijke geval, waarin de Inspecteur met de belastingplicht over het jaar 1953 van de erflater van belanghebbenden niet bekend was toen hij de aanslagregeling over dat jaar voltooide, het niet aan een bepaalde termijn gebonden recht om alsnog een primitieve aanslag op te leggen pas zou zijn vervallen indien de Inspecteur op enig tijdstip daarna - ten onrechte - van de vaststelling van zodanige aanslag zou hebben afgezien, hetgeen echter in casu blijkens de vastgestelde feiten niet is geschied.";
Overwegende dienaangaande:
dat in de toelichting op het middel er terecht op wordt gewezen, dat in artikel 82 van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 als voorwaarde voor het ontstaan van het recht op navordering van inkomstenbelasting onder meer gesteld was, dat het opleggen van een aanslag "ten onrechte is achterwege gebleven", zulks in tegenstelling tot artikel 21 van de Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917, waarbij als voorwaarde voor het ontstaan van het recht op navordering onder meer was gesteld, "dat de Inspecteur ten onrechte besloten heeft geen aanslag op te leggen", terwijl thans artikel 1 van de Zevende Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941 als voorwaarde voor het ontstaan van de mogelijkheid tot navordering onder meer stelt, dat "ten onrechte is afgezien van het vaststellen van een aanslag";
dat derhalve in afwijking van de vroegere regeling, gelijk ook in de officiële toelichting op de Zevende Uitvoeringsbeschikking tot uitdrukking wordt gebracht, thans als voorwaarde voor het ontstaan van het recht van navordering geldt, dat de Inspecteur een zeker standpunt heeft ingenomen, hetwelk tot het afzien van het vaststellen van een aanslag heeft geleid, zonder dat daarbij de eis, dat door den Inspecteur in dit opzicht een formeel besluit is genomen, is gesteld;
dat het Hof in de aangevallen uitspraak dit thans geldende criterium niet heeft aangelegd;
dat mitsdien de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en het Hof door toetsing aan bovenvermelden in artikel 1 van de Zevende Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941 gegeven maatstaf alsnog zal moeten oordelen of te dezen een recht op navordering was geboren en daarmede het recht tot het opleggen van een primitieven aanslag was verloren gegaan;
dat derhalve verwijzing moet volgen;
Vernietigt de bestreden uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage;
Verwijst het geding naar dat Gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.
Gedaan bij de Heren Smits, Vice-President, van der Loos, Tekenbroek, Korthals Altes en Kisch, Raden, en door voornoemden Vice- President uitgesproken ter Raadkamer van den Achtsten Februari 1900 een en zestig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Geppaart.