ECLI:NL:HR:1963:AY4117

ECLI:NL:HR:1963:AY4117, Hoge Raad, 03-04-1963, 14 968

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 03-04-1963
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14 968
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 11 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0018472

Samenvatting

Inkomstenbelasting; art. 32(1) IB '41; uitreiking van aandelen aan aandeelhouders zonder dat zij de nominale waarde storten; inspecteur mag slechts eenmaal beschikken op een tegen een aanslag ingediend bezwaarschrift.

Uitspraak

3 April 1963

No. 14.968

v.D.

DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,

Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 September 1962, betreffende den aan hem opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1958;

Gezien de stukken;

Overwegende dat belanghebbende voor het jaar 1958 werd aangeslagen in de inkomstenbelasting naar een zuiver inkomen van f 35.836, --; dat belanghebbende tegen den hem opgelegden aanslag een bezwaarschrift heeft ingediend, doch de Inspecteur bij beschikking van 23 November 1961, overwegende dat het aanslagbiljet was gedagtekend 25 April 1960, terwijl het bezwaarschrift was ingekomen op 12 Augustus 1960, derhalve niet binnen den wettelijken termijn van twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet, belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar, waarna hij ambtshalve den aanslag heeft verminderd tot een naar een zuiver inkomen van f 35.788, --; dat vervolgens de Inspecteur bij beschikking van 30 November 1961 de beschikking van 23 November 1961 voor wat betreft de niet-ontvankelijkverklaring heeft vernietigd, daar de dagtekening van het kohier 21 Juni 1960 was en niet 25 April 1960 zoals in die beschikking was vermeld, en den verminderden aanslag heeft gehandhaafd;

Overwegende dat op het beroep van belanghebbende tegen de beschikking van 23 November 1961 het Hof met betrekking tot de feiten en het wederzijdse standpunt van partijen heeft overwogen:

"dat het geschil betreft het navolgende:

De belanghebbende was in 1958 in het bezit van twee certificaten elk van 10 aandelen [A] Corporation. In dat jaar werden aan de aandeelhouders van die maatschappij zonder storting uitgereikt evenveel aandelen in de [B] Corporation als zij aandelen hadden in de [A]. De belanghebbende verkreeg terzake van zijn belang bij de [A] derhalve 20 aandelen [B], waarvoor hem in dat jaar door het administratiekantoor twee certificaten van elk 10 aandelen werden uitgereikt. De uitreiking van de aandelen [B] vond haar grond in de omstandigheid, dat de [A] onder meer was een "bank-holding Company". Ingevolge de Bank Holding Company Act 1956 mocht echter een bank-holding company geen niet-bankbelangen hebben. Om die reden richtte de [A] op de [B] Corporation, in welke maatschappij zij haar bankbelangen inbracht, waarvoor zij de aandelen van die maatschappij verkreeg. De aldus verkregen aandelen reikte zij, om zich te ontdoen van haar bankbelangen daarop uit aan haar aandeelhouders.

De Inspecteur ziet de uitreiking van de aandelen [B] als een uitkering in natura op de aandelen [A]. In deze beschouwing heeft hij de geldswaarde van eerstbedoelde aandelen als opbrengst van roerend kapitaal in de zin van artikel 31 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 tot belanghebbendes inkomen gerekend. Na aftrek van kosten heeft hij dit dividend geschat op f 1.281,20.

De belanghebbende acht deze beschouwing onjuist. Zijns inziens moet hetgeen is geschied worden gelijkgesteld met het uitreiken van bonusaandelen. Slechts voor zover de nominale waarde van de aandelen [A] + [B] overtreft de nominale waarde van de oorspronkelijke aandelen [A], acht hij een uitkering op laatstbedoelde aandelen aanwezig. Aldus berekent hij het te belasten dividend met toepassing van artikel 32, lid 1, van het Besluit op de Inkomstenbelasting do 1941 op f 76, -- , derhalve f 1.205,20 lager dan de Inspecteur juist acht;

dat in het geding nog het volgende is gebleken:

De splitsing van de [A] Corporation heeft aldus plaatsgehad, dat naar de [B] overgingen alle deelnemingen in banken met een boekwaarde van $ 148.524.203,- zomede $ 20.000.000, -- in contanten. Daartegenover werd bij de [A] afgeboekt het paid-in surplus groot $ 117.364.957, -- 40, -- en van het earned-surplus nog eens $ 51.159.246, --. Bij de [B] werd een en ander op overeenkomstige wijze geboekt, met dien verstande dat van het paid-in surplus een bedrag van $ 22.744.044, -- werd geboekt als capital-stock, zodat een paid- in surplus van $ 94.620.913, -- resteerde. Dit kapitaal van de [B] was gelijk aan dat van de [A] en was, evenals bij die maatschappij, verdeeld in aandelen met een nominale waarde van $ 2, --. Aldus werd het mogelijk aan iedere aandeelhouder van [A] één aandeel [B] zonder storting uit te reiken. Het overbrengen van een deel van de reserve naar de [B] geschiedde, omdat deze betrekking hadden op de bankbelangen. De uitreiking geschiedde ingevolge besluit van 24 april 1958 en had plaats op 15 mei daaraanvolgend. Ingevolge de Bank Holding Company Act 1956 moest de aanpassing van de [A] aan deze wet uiterlijk 9 mei 1958 geschied zijn. Het resultaat van de splitsing (spin off) was, dat het bedrijfsvermogen van de [A], zonder dat verder enige wijziging in de balanswaarden werd gebracht, werd verdeeld over de twee rechtspersonen. Wanneer men deze rechtspersonen als een eenheid ziet, vond onttrekking van vermogen aan deze eenheid ten behoeve van de aandeelhouders niet plaats. Dit bleef gebonden in de beide vennootschappen;

dat de belanghebbende van oordeel is, dat de splitsing de aandeelhouders niet raakt en zij in dezelfde positie zijn gebleven, behalve dat zij na de gedwongen splitsing van hun maatschappij voor een aandeel met een nominale waarde van $ 2, -- er twee verkregen van gelijke nominale waarde; dat dit ingevolge artikel 32, lid 1, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 moet worden aangemerkt als een uitdeling van 20 x $ 2, -- - $ 40, --; dat de belanghebbende dit berekent op / 76, -- , doch het Hof moet aannemen, dat bedoeld is f 152, --;

dat de Inspecteur erop heeft gewezen, dat in juridische zin hier geen overgang onder algemene titel heeft plaats gehad, doch de bankbelangen c.a. door de [A], die als rechtspersoon bleef bestaan, onder bijzondere titel, te weten inbreng, zijn overgedragen aan de nieuw opgerichte [B], derhalve aan een andere maatschappij; dat daarna de aandelen in die maatschappij zijn uitgedeeld aan de aandeelhouders van de [A] (distribution) en dit een dividend in natura is, waarop niet artikel 32 maar artikel 31 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 van toepassing is; dat mitsdien de geldswaarde van dit dividend moet worden belast; dat deze kan worden gesteld op 20 x $ 172 derhalve f 1.330, -- , verminderd met f 48,80 kosten; dat dit ook niet onbillijk is, daar de aandeelhouders middels hun aandelen [B] recht verkregen hebben op de naar die maatschappij overgebrachte reserves;";

Overwegende dat het Hof vervolgens heeft overwogen:

"dat de belanghebbende kan worden toegegeven, dat de onderhavige afsplitsing van de bankbelangen van de [A] naar een nieuw opgerichte maatschappij met uitdeling van de aandelen in die maatschappij aan de aandeelhouders van de [A] in economische zin niet anders is dan een verdeling van de rechten, welke de aandeelhouders in de [A] voor de reorganisatie hadden, over twee aandelen, die in de plaats traden van het oorspronkelijke aandeel [A];

dat dit geval voorts zo zeer nabij komt aan dat, waarop artikel 32 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 betrekking heeft, dat er alleszins aanleiding zou kunnen worden gevonden een regel in de wet neer te schrijven, dat ook in zodanig geval de bijzondere wijze van berekening van de waarde van het dividend neergelegd in artikel 32 dient te worden gevolgd;

dat echter artikel 32 spreekt van uitreiking van aandelen aan aandeelhouders zonder dat deze de volle nominale waarde storten en blijkens de geschiedenis van die wetsbepaling hierbij alleen wordt gedoeld op uitreiking van aandelen in de vennootschap die de uitdeling doet en niet op uitreiking van aandelen in een andere maatschappij;

dat nu weliswaar hier tussen de [A] en de [B] een zeer nauwe band bestond en de gehele uitreiking van aandelen in laatstbedoelde maatschappij slechts geschiedde met het oog op dwingende wettelijke bepalingen, terwijl voor en na de transactie de aandeelhouders in wezen in dezelfde positie bleven, doch dit alles niet wegneemt, dat na de reorganisatie van de [A] de beide toen bestaande vennootschappen niet anders konden worden gezien dan als twee los van elkaar staande rechtspersonen;

dat dat dit meebrengt, dat als gevolg van de splitsing niet alleen het nominale bedrag van de aandelen [B] maar ook de mede aan die vennootschap overgegane reserves uit het vermogen van de [A] werden losgemaakt en een en ander de aandeelhouders na de "distribution" van de aandelen in de nieuwe maatschappij onder een andere titel toekwam dan als aandeelhouder in de [A];

dat het Hof, nu de toepasselijkheid van de bijzondere bepaling van artikel 32 is vastgeknoopt aan een bepaalde juridische constellatie, geen vrijheid kan vinden op grond van de overweging, dat de onderhavige reorganisatie in haar maatschappelijke betekenis niet wezenlijk verschilt van de uitreiking van bonusaandelen in de eigen maatschappij, bedoelde bepaling nochtans mede te dien aanzien toepasselijk te achten;";

Overwegende dat het Hof daarna de beschikking van 23 November 1961 heeft bevestigd;

Overwegende dat belanghebbende tegen deze uitspraak heeft voorgesteld de navolgende middelen van cassatie:

"I. Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken doordat het Hof de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd, in stede van deze te vernietigen, inzoverre daarin de niet-ontvankelijkheid van belanghebbende werd uitgesproken;

II. Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken juncto de artikelen 31 en 32 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 door te beslissen dat de door belanghebbende als aandeelhouder van de [A] Corporation ontvangen aandelen in de [B] Corporation, waarin bepaalde bedrijfsonderdelen van de [A] Corporation waren ondergebracht, moeten worden belast voor de reële waarde, in plaats van voor de nominale waarde; ";

Overwegende dat deze middelen als volgt zijn toegelicht:

"Ad I

De Inspecteur had bij uitspraak van 23 november 1961 belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar, waarnaast hij ambtshalve de aanslag had verminderd met f 66, --. Bij een tweede "uitspraak" d.d. 30 november 1961 sprak de Inspecteur de nietigheid van de niet-ontvankelijkverklaring uit. Hiermede overschatte de Inspecteur zijn mogelijkheden. Door het doen van de uitspraak d.d. 23 november 1961 was het bezwaarschrift definitief afgedaan, de niet-ontvankelijkheidsuitspraak kan niet door de Inspecteur worden herroepen. Het beroepschrift werd mede gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring. Het Hof had - daar de gegrondheid van de grief vaststond en door de Inspecteur werd erkend - de uitspraak behoren te vernietigen en de ontvankelijkheid alsnog behoren uit te spreken.

Ad II

Uit de ten processe overgelegde stukken blijkt dat de uitreiking van aandelen in de [B] Corporation door de [A] Corporation een uitvloeisel is geweest van de reorganisatie van laatstgenoemde vennootschap, noodzakelijk geworden door de Bank Holding Company Act van 1956, een onderdeel van de anti-trust-wetgeving in de U.S.A. Deze wet verbood aan banken en houdstermaatschappijen van bankaandelen om in het bezit te zijn van meer dan 5% van de aandelen van andere vennootschappen, niet zijnde banken. Deze wet noodzaakte de [A] Corporation haar bedrijf te splitsen in een gedeelte waarin de bankbelangen werden ondergebracht en een gedeelte waarin de andere belangen een plaats vonden. Juridisch- technisch is de splitsing aldus uitgevoerd dat de bankbelangen en een bedrag van 20 miljoen dollar werden ingebracht in een nieuwe vennootschap, de [B] Corporation, en dat de

aandelen van deze nieuwe vennootschap zijn uitgereikt aan de aandeelhouders van de [A] Corporation. Indien men zich houdt aan deze uitvoering en een onderscheid maakt tussen de inbreng in de nieuwe naamloze vennootschap en de uitreiking van de aandelen van deze naamloze vennootschap aan aandeelhouders, dan brengt de toepassing van de Nederlandse belastingwetten daarop mede om de uitgereikte aandelen te beschouwen als opbrengst van de aandelen van de oude vennootschap. Naar belanghebbendes mening is deze wijze van beschouwing echter niet juist. De gehele operatie moet als één geheel worden gezien. Het voorstel tot reorganisatie is dan ook in zijn geheel aan de aandeelhouders van [A] Corporation ter behandeling in de algemene vergadering voorgelegd, niettegenstaande - zoals blijkt uit de bij de stukken (bijlage 7 bij het vertoogschrift) overgelegde prospectus, onder het hoofd "Proposed exchange and distribution", laatste alinea - alle onderdelen daarvan zonder besluit van de algemene vergadering hadden kunnen worden uitgevoerd. De reorganisatie zou dan ook niet zijn uitgevoerd als niet een meerderheid van aandeelhouders zich daarvoor had verklaard. Hieruit blijkt dat de gehele operatie als een geheel moet worden gezien. Men heeft - gedwongen door overheidsvoorschriften - van één vennootschap twee vennootschappen gemaakt door aktiva en passiva in twee helften te delen. Men had - afgezien van de juridische vorm waarin dit gegoten had kunnen worden - ook het aandelenkapitaal in twee helften kunnen delen. In plaats daarvan is het totale aandelenkapitaal verdubbeld en heeft men de vergroting van het aandelenkapitaal gesteld tegenover het afgesplitste vermogenssaldo, onder uitreiking van de nieuwgecreëerde aandelen aan de aandeelhouders. De nieuwe aandelen zijn dus als een afsplitsing van de oude aandelen te beschouwen, geheel te vergelijken met bonusaandelen. Er zou dus alle reden zijn hier artikel 32, lid 1, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 toe te passen, zodat de belastingheffing beperkt zou moeten blijven tot de nominale waarde der uitgereikte aandelen. Belanghebbende meent er de aandacht op te mogen vestigen dat de Hoge Raad bij arrest van 18 februari 1959 (B.N.B. 1959/ 124) in analoge zin heeft beslist in het omgekeerde geval, waarbij sprake was van een samenvoeging van twee vennootschappen naar Amerikaans recht (consolidation). Volgens dit arrest is er ingeval van omruil van aandelen van de opgeheven vennootschap in aandelen van de vennootschap, waarin de opgeheven vennootschap is opgegaan, slechts aanleiding tot belastingheffing, inzoverre er overheveling van waarden van de vennootschap naar de aandeelhouder heeft plaats gehad als gevolg waarvan aan het vermogen der vennootschap enige waarde, gedekt door in de vennootschap aanwezige winst, is onttrokken. In het onderhavige geval - waarin [A] Corporation in het kader van de afsplitsing haar aandelen in de [B] Corporation heeft uitgereikt - is de waarde van deze aandelen (corresponderend met het naar de [B] overgegane bedrijfsvermogen) niet ten behoeve van de aandeelhouder aan het vermogen van [A] onttrokken. Het vermogen van [A] is immers overgegaan naar [B] Corporation en slechts inzoverre tegenover [B] nominale aanspraken van aandeelhouders zijn gecreëerd is er sprake van overheveling. Aldus zou ook een sluitende belastingheffing worden verkregen. De beide maatschappijen tezamen moeten als de voortzetting van de oude maatschappij worden gezien en inzoverre aan aandeelhouders een hogere nominale aanspraak op beide maatschappijen tezamen wordt gegeven, is er in het systeem van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 en met volledige inachtneming van de overwegingen van het aangehaalde arrest aanleiding om tot belastingheffing over te gaan, geheel in overeenstemming met hetgeen artikel 32, lid 1, van genoemd Besluit voorschrijft voor bonusaandelen. Gelijk in het arrest van 18 februari 1959 is beslist zou ook hier artikel 32, lid 1, voor overeenkomstige toepassing in aanmerking komen. ";

Overwegende aangaande het eerste middel:

dat uit de te dezen op grond van artikel 57, lid 1, 2°, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 toepasselijke bepalingen van Hoofdstuk X van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914, en bepaaldelijk uit artikel 76 van die wet volgt, dat de inspecteur slechts éénmaal vermag te beschikken op een tegen een aanslag ingediend bezwaarschrift, zodat in het onderhavige geval de Inspecteur, nadat hij op het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift op 23 November 1961 had beschikt, niet bevoegd was op 30 November 1961 op datzelfde bezwaarschrift andermaal een beschikking te geven;

dat dan ook het beroep terecht is gericht tegen eerstvermelde beschikking;

dat uit het tot het Hof gerichte beroepschrift blijkt, dat belanghebbende tegen die beschikking als eerste grief heeft aangevoerd, dat de Inspecteur hem ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard in zijn bezwaar, omdat het aanslagbiljet niet was gedagtekend 25 April 1960, doch 21 Juni 1960 en zijn bezwaarschrift ter Inspectie was ingekomen op 12 Augustus 1960;

dat het Hof op deze grief geen beslissing heeft gegeven, zodat de uitspraak op dit punt niet naar den eis der wet met redenen is omkleed;

dat, nu tussen partijen vaststond dat het bezwaarschrift tijdig was ingediend, het Hof, alvorens over te gaan tot een onderzoek naar belanghebbendes bezwaren tegen den aanslag, allereerst de bestreden beschikking, voor zover zij betrof de ten onrechte uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring, had dienen te vernietigen en belanghebbende alsnog ontvankelijk had behoren te verklaren in zijn bezwaar;

dat derhalve het middel is gegrond;

Overwegende met betrekking tot het tweede middel:

dat zowel uit de tekst als uit de geschiedenis van artikel 32 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 blijkt, dat in genoemd artikel met de woorden "uitreiking van aandelen aan aandeelhouders zonder dat dezen de volle nominale waarde storten" uitsluitend wordt gedoeld op uitreiking van aandelen in de vennootschap, die de uitdeling doet, en niet op uitreiking van aandelen in een andere vennootschap;

dat derhalve genoemd artikel op het onderhavige geval niet van toepassing is;

dat mitsdien het middel faalt;

Vernietigt de bestreden uitspraak, alsmede de beschikking van den Inspecteur van 23 November 1961, houdende niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in diens bezwaar;

Verklaart belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar;

Handhaaft den ambtshalve verminderden aanslag.

Gedaan bij de Heren Boltjes, Vice-President, van Rijn van Alkemade, van der Loos, Korthals Altes en Peters, Raden, en van door voornoemden Vice-President uitgesproken ter Raadkamer van den derden April 1900 drie en zestig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Geppaart.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl BNB 1963/128 met annotatie van P. den Boer
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?