18 januari 1967.
No. 15.639 .-
L.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 juni 1966, betreffende de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1963; Gehoord de advocaat van belanghebbende;
Gezien de stukken;
Overwegende dat belanghebbende voor het jaar 1963 werd aangeslagen in de inkomstenbelasting naar een zuiver inkomen van f 111.884, -- , welke aanslag na reclame werd gehandhaafd;
Overwegende dat op het beroep van belanghebbende het Hof, na te hebben overwogen dat het geschil tussen partijen loopt over de vraag of het verlies dat belanghebbende in 1963 heeft geleden op termijntransacties in cacao ten bedrage van f 39.215,31 in mindering op diens zuiver inkomen over dat jaar dient te worden gebracht, vervolgens feitelijk heeft vastgesteld:
"dat belanghebbende is directeur van de N.V.[A] en van de N.V.[B]; dat eerstgenoemde naamloze vennootschap cacaoproducten vervaardigt terwijl laatstgenoemde naamloze vennootschap zich bezig houdt met het afsluiten van aan- en verkoopcontracten van cacaobonen, cacaoboter en aanverwante artikelen; dat het afsluiten van deze contracten verreweg het belangrijkste deel van de werkzaamheden van belanghebbende als directeur van laatstgenoemde naamloze vennootschap uitmaakt; dat hij daartoe door een uitvoerige studie van allerlei periodieken op gebied van cacao en met de moderne communicatiemiddelen, de cacaovoorraden op de gehele wereld, de prijzen daarvan en de daarmede nauw verband houdende termijnhandel in cacao die van dag tot dag verschilt volgt; dat belanghebbende deze werkzaamheden zowel op kantoor als 's avonds thuis verricht; dat hij geregeld op de termijnmarkten voor cacao te Londen en New-York heeft geopereerd; dat het cacaoverbruik in het algemeen stabiel is zodat het prijsverloop afhangt van de oogsten, die kunnen mee- en tegenvallen; dat belanghebbende in 1963, op de hoogte gekomen door bestudering van de marktgegevens van plannen bij de cacaoproducenten om het marktverloop te gaan beinvloeden door het inhouden van voorraden en mitsdien een prijsstijging van cacao verwachtende, op de termijnmarkt te New-York verscheidene partijen cacao op lange termijn heeft gekocht; dat belanghebbende op deze termijntransacties in 1963 verliezen heeft geleden ten bedrage van f 39.215,31; dat de commissarissen van de N.V.[B] op de hoogte gekomen van belanghebbendes activiteiten voor eigen rekening hem hebben verboden hiermede door te gaan; dat [C] ter zitting het volgende heeft verklaard:
" "Het verschil tussen de zuivere speculant en de insider die ook eens speculeert zit naar mijn mening in de winst- en verlieskans en de deskundigheid en arbeid. De kans van de zuivere speculant is namelijk 50 tegen 50, die van de speculerende insider 70 tegen 30. Bij de insider gaat veel arbeid vooraf aan zijn meningsvorming (bestuderen van oogstberichten, productiecijfers, verbruik, voorraden, het al of niet achter zijn van de fabrikanten op hun inkoopschema, enzovoort). Dat er toch grote verliezen kunnen voorkomen kan zijn doordat men bepaalde facetten over het hoofd gezien heeft of verkeerd beoordeeld. In het onderhavige geval besloten de producenten uit de markt te blijven tot zij een prijs van 190 shilling per hundredweight konden maken. Dit was bekend in de markt. Toen men in een kans op succes van deze politiek ging geloven, ging de markt omhoog (in 1963). Later daalde de markt weer omdat de producenten financieel niet sterk genoeg bleken om lang uit de markt te blijven en niet eensgezind waren. Ook waren er fabrikanten die grote voorraden hadden. Tenslotte moesten de producenten 2 oogsten ongeveer gelijktijdig aan de markt brengen tegen een lage prijs. De zaken liggen bij de effectenhandel anders dan in de cacaohandel. De mededelingen van bankexperts zijn bestemd voor het publiek. De klanten zijn daar zuiver speculanten. De transacties op de termijnmarkt vorderen echter arbeid en deskundigheid en de termijnhandelaar zal zijn wetenschap zoveel mogelijk geheim houden. Er zijn op de termijnmarkt zelfs speculatieve groepen die de markt sterk kunnen beinvloeden. De termijnmarkten zijn juist opgezet om de prijsrisico's te beperken. Zelden vraagt een cacaohandelaar advies aan een cacaomakelaar, omdat hij geacht wordt het zelf beter te weten "" ; "
Overwegende dat het Hof het wederzijdse standpunt van partijen als volgt heeft weergegeven:
"dat belanghebbende heeft aangevoerd:
dat hij in 1963 is begonnen met het afsluiten van een aantal termijntransacties op eigen naam omdat hij in het bijzonder door zijn dagelijkse werkzaamheden deskundigheid op dat gebied heeft verworven; dat artikel 28 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 medebrengt dat indien men door het uitoefenen van een bepaalde functie een bijzondere bekwaamheid en deskundigheid heeft verworven, de resultaten die tijdelijk door persoonlijke gebruikmaking daarvan ten profijte van zich zelf ontstaan in het belastbare inkomen dienen te worden begrepen; dat het met de transacties geleden verlies een gevolg was van een niet te voorziene ineenstorting van de cacaomarkt, welke internationaal en nationaal in de handelsbedrijven desastreuze gevolgen had; dat dit verlies op zijn inkomen in mindering moet worden gebracht;
dat de Inspecteur heeft aangevoerd:
dat hoewel belanghebbende door zijn dienstbetrekking een goede kennis van de gang van zaken in de termijnhandel in cacao heeft verkregen, niet gezegd kan worden dat belanghebbende een gunstige afloop van de termijntransacties als gevolg van zijn dienstbetrekking of zijn transacties terzake kon voorzien; dat het bovendien zonder meer duidelijk is dat de uitkomst van de transacties op geen enkele wijze door de dienstbetrekking of anderszins door belanghebbende kon worden beinvloed doch enkel afhing van de situatie op de wereldmarkt; ";
Overwegende dat het Hof dienaangaande heeft overwogen:
"dat tussen partijen buiten geschil is dat belanghebbende er geen beroep of bedrijf van gemaakt heeft om, buiten de naamloze vennootschappen, waarvan hij directeur is, voor eigen rekening termijntransacties op de termijnmarkt voor cacao af te sluiten en dat hij deze transacties niet heeft, verricht ter vervulling van zijn dienstbetrekkingen bij bedoelde naamloze vennootschappen; dat de verliezen op de door belanghebbende op eigen naam verrichte termijntransacties dan ook enkel in mindering op zijn onzuiver inkomen kunnen worden gebracht indien zou komen vast te staan dat deze verliezen als negatieve opbrengsten van arbeid in de zin van artikel 28 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 zijn aan te merken; dat niet is gesteld noch het Hof is gebleken dat belanghebbende voor eigen rekening cacaovoorraden heeft aangehouden zodat aannemelijk is dat belanghebbende de termijntransacties op eigen naam heeft verricht niet om prijsrisico's af te wentelen maar om profijt te trekken van de zich op de termijnmarkt voordoende prijsverschillen op termijn; dat belanghebbende de termijntransacties voor eigen rekening verrichtte tegelijk met de termijntransacties voor zijn werkgeefsters zodat het Hof aanvaardt dat de resultaten van de termijntransacties op eigen naam zijn aan te merken als resultaten van werkzaamheden van belanghebbende waarmede hij voordeel voor zich zelf beoogde; dat deze omstandigheid echter de verliezen nog niet stempelt tot negatieve opbrengsten van arbeid in de zin van artikel 28 van voornoemd Besluit; dat daartoe nog vereist is dat belanghebbende de resultaten van zijn werkzaamheden kon voorzien, waartoe niet voldoende is dat hij die werkzaamheden met zijn ervaring en deskundigheid verrichtte; dat genoemde [C] ter zitting heeft medegedeeld dat de kansen op voordeel voor belanghebbende als insider op de termijnmarkt op 70% kunnen worden gesteld doch dit aan het Hof niet aannemelijk voorkomt; dat immers vast staat dat belanghebbende door het bestuderen van de marktgegevens op de hoogte was gekomen van de plannen van de cacaoproducenten om de prijs vån de cacao te gaan beinvloeden door achterhouding van voorraden en dat hij met het oog op de door hem in
verband met die plannen verwachte prijsstijgingen verscheidene partijen cacao op lange termijn op de termijnmarkt voor cacao heeft gekocht; dat hieruit blijkt dat belanghebbende voor die partijen op de termijnmarkt verkopers heeft kunnen vinden op lange termijn; dat het Hof geen reden acht te twijfelen aan de door genoemde [C] ter zitting onweersproken gedane mededeling dat op de termijnmarkt voor cacao hoofdzakelijk insiders op het gebied van de cacaohandel opereren zodat moet worden aangenomen dat die verkopers evenals belanghebbende op de hoogte waren van de plannen van de cacaoproducenten; dat die verkopers in tegenstelling tot belanghebbende in die plannen geen reden hebben gezien om prijsstijging van cacao te verwachten maar prijsdaling; dat het Hof hieruit afleidt dat het ook voor insiders op de termijnmarkt voor cacao niet was te voorzien hoe het prijsverloop van de cacao op die markt zou zijn; dat voorts niet gesteld noch het Hof is gebleken dat belanghebbende door zijn inkoop-of verkooppolitiek op de termijnmarkt voor cacao het prijsverloop heeft kunnen beinvloeden; dat het Hof dan ook aanneemt dat belanghebbende wel werkzaamheden heeft verricht door het afsluiten van de termijntransacties waarmede hij voordeel heeft beoogd doch het resultaat van die werkzaamheden niet heeft kunnen voorzien; dat de verliezen die belanghebbende in 1963 op de door hem voor eigen rekening verrichte termijntransacties dan ook zijn te beschouwen als vermogensverliezen en niet als negatieve opbrengsten van arbeid in de zin van artikel 28 van het Besluit; dat de uitspraak van de Inspecteur mitsdien in stand dient te blijven; ";
Overwegende dat het Hof op voormelde gronden de beschikking van de Inspecteur heeft bevestigd; Overwegende dat belanghebbende tegen deze uitspraak als middel van cassatie heeft voorgesteld: "Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlandse recht, in het bijzonder van artikel 28 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 en artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, doordat het Hof, na feitelijk te hebben vastgesteld, dat belanghebbende ervaren en deskundig is op het gebied van transacties op de termijnmarkten voor cacao en voor eigen rekening op de termijnmarkt te New York verscheidene partijen cacao op lange termijn heeft gekocht, en dat de resultaten van de termijntransacties zijn aan te merken als resultaten van werkzaamheden, waarmede belanghebbende voordeel voor zichzelf beoogde, niettemin het op deze transacties geleden verlies niet als negatieve opbrengst van arbeid heeft aangemerkt, zulks op grond dat belanghebbende het resultaat van die werkzaamheden niet heeft kunnen voorzien, dit motiverende met de overweging dat de verkopers van deze partijen, naar het Hof aanneemt eveneens insiders op het gebied van de cacaohandel, in tegenstelling tot belanghebbende, een prijsdaling verwachtten, zulks ten onrechte en op gronden welke deze beslissing niet kunnen dragen, daar a) het niet de vraag is, of de deskundige belanghebbende het resultaat van zijn werkzaamheden heeft kunnen voorzien, doch of in redelijkheid geldelijk voordeel kon worden verwacht en b) de motivering dat verkopers een prijsdaling verwachtten onjuist en ondeugdelijk is, daar verkopen op de termijnmarkten door handelaren plegen te geschieden ter beperking van het prijsrisico van ingekochte voorraden; ";
Overwegende nopens onderdeel b) van het middel:
dat het Hof uit in zijn uitspraak vermelde omstandigheden heeft afgeleid, dat verkopers op de termijnmarkt voor cacao een prijsdaling verwachtten;
dat deze gevolgtrekking van feitelijke aard niet onbegrijpelijk is en in cassatie niet met vrucht kan worden aangevoerd, dat zij onjuist of ondeugdelijk zou zijn;
dat dit onderdeel van het middel mitsdien niet tot Cassatie kan leiden;
Overwegende aangaande onderdeel a) van het middel: dat het Hof, ervan uitgaande, dat ook voor insiders op de termijnmarkt voor cacao niet was te voorzien, hoe het prijsverloop op die markt zou zijn, en voorts oordelende, dat belanghebbende dit prijsverloop niet heeft kunnen beinvloeden, heeft aangenomen, dat belanghebbende door het afsluiten van termijntransacties in cacao wel voordeel heeft beoogd, doch dit niet heeft kunnen voorzien; dat dit niet anders wil zeggen dan dat winst of verlies uit die transacties voor belanghebbende afhing van het voor hem onzeker prijsverloop van cacao en dat dus geldelijk voordeel daaruit in redelijkheid niet door hem verwacht kon worden; dat het Hof door, hiervan uitgaande, het verlies, dat belanghebbende tengevolge van deze transacties heeft geleden, niet aan te merken als negatieve opbrengst van arbeid in de zin van artikel 28 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 van een juiste opvatting van dat begrip heeft getuigd;
dat derhalve ook onderdeel a) van het middel niet kan slagen;
Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heren van Rijn van Alkemade, waarnemend- President, van der Loos, Dubbink, Korthals Altes en Peters, Raden, en door voornoemde waarnemend-President uitgesproken ter Raadkamer van de achttiende januari 1900 zeven en zestig, in tegenwoordigheid van de Substituut- Griffier Joosten.