ECLI:NL:HR:1968:AX5955

ECLI:NL:HR:1968:AX5955, Hoge Raad, 19-06-1968, 15 939

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 19-06-1968
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 15 939
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

Schenking. Vruchtgebruik. Overlijden. Fraus legis.

Uitspraak

19 juni 1968

No. 15.939

H.C.

DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,

Gezien het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 februari 1968 betreffende de aan Mr. [X] te [Z] opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1965;

Gezien de stukken;

Overwegende dat belanghebbende, die voor het belastingjaar 1965 werd aangeslagen in de inkomstenbelasting naar een belastbaar inkomen van f 66.845, -- , na vergeefse reclame bij de Inspecteur, zich heeft gewend tot het Gerechtshof;

Overwegende dat het Hof als voor dit geding vaststaand heeft aangemerkt:

"dat belanghebbende, geboren 16 december 1892, bij een op 4 februari 1965 verleden notariële akte heeft geschonken aan zijn beide gehuwde kinderen, ieder voor de helft, het recht van vruchtgebruik gedurende de jaren 1965 tot en met 1967 van hem in eigendom toebehorende 30 aandelen à nominaal f 1.000, -- met dividendbewijzen in een te [Z] gevestigde industriële maatschappij en van 40 aandelen à nominaal f 1.000, -- met dividendbewijzen in een eveneens aldaar gevestigd bankbedrijf; dat volgens voormelde akte het vruchtgebruik, behalve op 31 december 1967, tevens zal eindigen bij overlijden van de schenker vóór die datum en dat de genoemde fondsen in bewaring worden gegeven bij een bank in belanghebbendes woonplaats, terwijl voorts in de akte is bepaald dat als vruchten zullen gelden alle opbrengsten die voor de inkomstenbelasting als inkomen zullen gelden; dat in het belastingjaar op eerstgenoemd pakket aandelen een dividend is gedeclareerd en betaalbaar gesteld van f 3.750, -- en op het tweede pakket van f 3.600, -- of totaal f 7.350, --; dat het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen ad f 59.495, -- bij het regelen van de aanslag is verhoogd met voormeld bedrag ad f 7.350, -- tot een belastbaar inkomen van f 66.845, --; ";

Overwegende dat het Hof het standpunt van belanghebbende als volgt heeft weergegeven:

"dat belanghebbendes grief zich richt tegen deze afwijking van de aangifte, zakelijk op grond, dat hij steeds vrijgevig is geweest tegenover zijn twee kinderen, zulks niet alleen bij hun huwelijk en zijn zeventigste verjaardag, maar praktisch ieder jaar; dat belanghebbende schenkingen aan zijn kinderen zou hebben gedaan ook al zouden er geen mogelijkheden tot belastingbesparing zijn geweest; dat belanghebbende alleen bij het doen van schenkingen een voor hem fiscaal voordelige weg heeft gekozen door tot en met het jaar 1964 nog niet vervallen dividendbewijzen te schenken, waardoor de fiscale besparing kon worden bereikt; dat sedert 1965 deze mogelijkheid is verdwenen door het tweede lid van artikel 27 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 - hierna ook "de Wet" te noemen -, waarna belanghebbende toen een andere weg tot belastingbesparing heeft gezocht met als resultaat het schenken van het recht van vruchtgebruik van aandelen; dat de in voornoemde notariële akte bepaalde beperkte duur van het vruchtgebruik een zeer gegronde reden heeft, aangezien vanaf 1968 belanghebbendes inkomen in sterke mate zal verminderen door beëindiging van zijn lidmaatschap van de raad van toezicht van een hypotheekbankconcern; dat de Inspecteur kennelijk zijn afwijzende uitspraak baseert op voormeld tweede lid van artikel 27 in samenhang met het arrest van de Hoge Raad de dato 27 januari 1954, rolnummer 11584, B.N.B. 1954/101; dat in dit arrest wordt overwogen dat de begiftigde bij schenking van dividendbewijzen, voor zover het de op genoemde dividendbewijzen uit te keren dividenden betreft, in de zin van artikel 29 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 het recht van vruchtgenot van de desbetreffende aandelen verkrijgt; dat uit deze overweging duidelijk blijkt het verschil met het onderhavige geval, omdat hij die begiftigd wordt met het vruchtgebruik van bepaalde aandelen het zakelijk recht krijgt om van die aandelen de vruchten te trekken ongeacht of die vruchten slechts tegen inlevering van enig dividendbewijs kunnen worden genoten; dat dan ook een schenking van een recht van vruchtgebruik van aan de belastingplichtige in eigendom toebehorende aandelen in wezen iets anders is dan de schenking van dividendbewijzen, waarop dividend betaalbaar wordt gesteld; dat in de zienswijze van de Inspecteur niet alleen artikel 188 van de Grondwet wordt geschonden maar ook artikel 11 van de Wet houdende Algemene Bepalingen der Wetgeving van het Koninkrijk; dat artikel 27, lid 2, van de Wet aan duidelijkheid niets te wensen overlaat en uitsluitend betrekking heeft op schenking van niet vervallen dividendbewijzen, hetgeen overduidelijk blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de bepaling; dat het een eis van rechtszekerheid is dat een dergelijke bepaling niet extensief wordt geïnterpreteerd; ";

Overwegende dat het Hof het standpunt van de Inspecteur heeft weergegeven als volgt:

"dat de Inspecteur belanghebbendes grief bestrijdend, heeft aangevoerd dat belanghebbende met de overschakeling van het schenken van dividendbewijzen op het schenken van het vruchtgebruik voor een korte periode geen andere bedoeling heeft gehad dan het continueren van zijn belastingvoordeel dat aan de schenkingen verbonden was; dat de rechtsgevolgen ten aanzien van het genot van de gerijpte vruchten- de dividenden - niet verschillen bij schenking van dividendbewijzen - betreffende nog niet opeisbare dividenden - afzonderlijk en bij schenking van het recht van vruchtgebruik; dat de aard van het recht van vruchtgebruik, dat is geschonken voor een korte periode, behoudens ten aanzien van het gebruik van de aandelen, niet wezenlijk verschilt van de aard van de schenking van een aantal dividendbewijzen, waarop dividenden betaalbaar zullen worden gesteld; dat het gebruik van de aandelen, dat voortvloeit uit het vruchtgebruik van de aandelen, van zeer beperkte omvang is en in casu van wezenlijk belang verstoken is, zowel door de aard van het gebruik van courante aandelen als door het schenken van het vruchtgebruik voor een kort tijdsbestek; dat uit het voorgaande de conclusie moet worden getrokken, dat de schenking van het recht van vruchtgebruik van aandelen voor een periode van 3 jaar, met een voorwaardelijke verkorting van die periode in geval van het tussentijds overlijden van de schenker tot de datum van overlijden, en onder de bepaling, dat als vruchten zullen worden beschouwd de opbrengsten voor de inkomstenbelasting, in wezen bijna uitsluitend het schenken van dividendbewijzen, waarop binnen die periode dividenden betaalbaar zullen worden gesteld, omvat, zodat artikel 27, lid 2, van de Wet van toepassing is waardoor belanghebbende geacht wordt het dividend te genieten dat door het aan zijn beide kinderen geschonken recht van vruchtgebruik bestreken wordt; dat doel en strekking van deze wetsbepaling zouden worden miskend bij niet toepassing; dat strijdigheid met de door belanghebbende aangehaalde wetsbepalingen zich daarbij niet voordoet;";

Overwegende dat het Hof heeft overwogen omtrent het geschil:

"dat artikel 27 van de Wet, zoals deze wetsbepaling luidde gedurende het kalenderjaar 1966 (lees: 1965), inhoudt:

1. Termijnen van huren, pachten en renten van schuldvorderingen welke zijn vervreemd, worden, zowel indien de belastingplichtige de vervreemder, als indien hij de verkrijger of krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht rechtsopvolger van de verkrijger is, in aanmerking genomen voor het bedrag dat betrekking heeft op het tijdvak gedurende hetwelk die termijnen bij de belastingplichtige en zijn rechtsvoorganger krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht zijn gerijpt .;

2. Ingeval van schenking van dividendbewijzen, betrekking hebbende op nog niet opeisbare dividenden, wordt de schenker, ingeval hij alsdan binnenlands belastingplichtige is, geacht het dividend te genieten dat nadien op die bewijzen betaalbaar wordt .;

dat blijkens de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wet voornoemd eerste lid van artikel 27 als artikel 23a is ingevoegd bij Tweede Nota van Wijziging, onderdeel XI, ingezonden bij brief van 30 november 1962;

dat uit bedoelde geschiedenis voorts blijkt, dat het voorschrift vervat in het tweede lid van meergenoemd artikel 27 tot stand is gekomen door het aannemen van het Amendement stuk nummer 49, I, door het kamerlid Scholten en 4 anderen ingediend op 21 mei 1964 tijdens de mondelinge behandeling van het wetsontwerp;

dat de Toelichting op dit amendement luidde:

""Artikel 23a juncto artikel 29 beoogt mede een einde te maken aan het veelvuldig voorkomend misbruik dat ouders door het schenken van lopende coupons de door de belastingwetgever gestelde beperkingen bij de fiscale aanvaarding van inkomensoverdrachten aan anderen frustreren (vergelijk Memorie van Antwoord bladzijde 92, linkerkolom) . Naar het oordeel van de ondergetekenden bestaan er geen maatschappelijke gronden om voor het eveneens veelvuldig voorkomend verschijnsel van inkomensoverdracht door middel van schenking van dividendbewijzen betrekking hebbende op nog niet opeisbare dividenden, wel de mogelijkheid open te houden. Het in de Memorie van Antwoord gesignaleerde juridische verschil tussen een schenking van een lopende coupon en een schenking van een nog niet betaalbaar gesteld dividendbewijs kan een geheel verschillende fiscale behandeling niet voldoende rechtvaardigen. Het amendement beoogt dus te voorkomen dat de bezitters van aandelen en winstbewijzen vergeleken met de bezitters van obligaties op het stuk van het ontgaan van inkomstenbelasting door middel van vorenbedoelde schenkingen in een bevoorrechte positie zouden komen. Bij aanvaarding van het eerste amendement zal het verschijnsel van schenkingen van nog niet betaalbaar gestelde dividendbewijzen automatisch verdwijnen, aangezien aan zodanige schenkingen maatschappelijk geen behoefte bestaat en zij louter tegen fiscale achtergronden kunnen worden verklaard. Bij aanvaarding van de gedachte van een algemene maatregel tegen deze schenkingen kan de door de Regering in artikel 39 in het kader van de giftenregeling voorgestelde specifieke maatregel vervallen"";

dat in het ontwerp amendement van voornoemd kamerlid niet voorkwamen de woorden: ""ingeval hij alsdan binnenlands belastingplichtige is"";

dat de Staatssecretaris van Financiën tijdens de mondelinge behandeling (Handelingen, zitting 1963-1964, pagina 1963, linkerkolom) heeft gezegd, dat hij erover gedacht heeft een regeling als in het amendement voor te stellen, doch dat hij er na ampele overwegingen van heeft afgezien; dat hij er echter weinig bezwaar tegen kon hebben en voorts de volgende opmerkingen maakte:

""De geachte afgevaardigde de heer Scholten zegt, dat de verschillen nu weggenomen zijn. Dat is niet helemaal waar. Hij maakt nu ook weer een paar verschillen. Zo wordt in het voorstel van de geachte afgevaardigde het hele dividend teruggeschoven naar de schenker, terwijl bij coupons slechts een deel van de rente wordt teruggeschoven. In de tweede plaats geldt bij de coupons voor de terugschuiving een feitelijke tijdslimiet van een jaar. Door de ruime tekst van het amendement vindt voor dividenden echter de terugschuiving ongelimiteerd plaats. Er zijn dus weer verschillen. Ik wil daarmede niet zeggen, dat het amendement voor mij niet aantrekkelijk is. Wanneer de geachte afgevaardigde nu toch lekken dicht, zou ik hem echter willen voorstellen zijn amendement, dat geen bestrijding uit de Kamer heeft gevonden, nog iets aan te vullen, want daarin is ook weer een lekje ontstaan, en wel voor het geval dat de schenker naar het buitenland vertrekt. Dan valt het dividend tussen de kaai en het schip. Wanneer de geachte afgevaardigde nu zijn amendement zou willen aanvullen in die zin, dat tussen de woorden "schenker" en "geacht" wordt ingevoegd: "", ingeval hij alsdan binnenlands belastingplichtige is, "", dan is een volkomen afdekking verkregen.""

dat het kamerlid Scholten vervolgens in het nieuw voorgestelde tweede lid van artikel 23a tussen "schenker" en "geacht" heeft ingevoegd: ""ingeval hij alsdan binnenlands belastingplichtige is"", waarna het gewijzigde amendement werd aangenomen;

dat uit deze parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever, ten einde ook het ontgaan van belasting te voorkomen door het schenken van dividendbewijzen, in artikel 27, lid 2, van de Wet een afwijkende regeling heeft gegeven ten aanzien van de persoon die als genieter van geschonken dividendbewijzen, betrekking hebbende op nog niet opeisbare dividenden, moet worden aangemerkt;

dat zulks de conclusie wettigt, dat voor een uitbreidende uitlegging van deze afwijkende regeling, in strijd met haar bewoordingen, geen grond bestaat; dat bovendien niet alleen de duidelijke tekst maar ook voormelde parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van artikel 27, lid 2, van de Wet niet de conclusie rechtvaardigt, dat de werkingssfeer van deze wetsbepaling zou moeten worden uitgebreid, gelijk de Inspecteur wil, tot daarin niet omschreven gevallen, en wel met name tot een schenking van het recht van vruchtgebruik van aandelen, waarop tijdens het bestaan van dat recht van vruchtgebruik dividenden worden betaalbaar gesteld;

dat blijkens de parlementaire geschiedenis het ontgaan van belasting door middel van een schenking, als in casu het geval is, niet aan de orde is geweest en daaruit kan worden afgeleid dat zowel de betrokken kamerleden als de Regering slechts het oog hebben gehad op schenkingen als omschreven in meergenoemd tweede lid;

dat voor een uitbreidende uitlegging mede daarom geen argument aanwezig is nu het onderwerpelijke geval betreft een schenking van een recht van vruchtgebruik, hetwelk niet gebonden is aan het beding van wederopzegging en bovendien gevestigd is gedurende een periode van 3 jaar, en aldus niet zeer tijdelijk;

dat ten slotte het streven naar belastingbesparing niet in strijd is met enige wettelijke bepaling of de goede zeden;

dat uit al het voorgaande volgt, dat de Inspecteur het aangegeven belastbare inkomen ten onrechte heeft verhoogd met f 7.350, -- , zodat de uitspraak niet in stand kan blijven;";

Overwegende dat het Hof op deze gronden de beschikking van de Inspecteur heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van f 59.495, --;

Overwegende dat de Staatssecretaris van Financiën voorstelt als middel van cassatie:

"Schending van artikel 27, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, doordat het Gerechtshof heeft beslist dat in het onderhavige geval, waarin het gaat om schenking van een recht van vruchtgebruik voor een periode van drie jaar van aandelen waarop tijdens het bestaan van dat recht van vruchtgebruik vermoedelijk dividenden zullen worden gedeclareerd, deze wetsbepaling toepassing mist, zulks ten onrechte, aangezien onder de in de uitspraak vermelde omstandigheden doel en strekking van de wet zouden worden miskend indien de door belanghebbende geschapen rechtstoestand voor de toepassing van artikel 27, tweede lid, niet zou worden beoordeeld op dezelfde wijze als de situatie waarin belanghebbende dividendbewijzen, betrekking hebbende op de vermoedelijk gedurende drie jaar na de schenking te declareren dividenden, zou hebben geschonken.";

Overwegende dat ter toelichting van dit middel het volgende wordt aangevoerd:

"De beslissing van de Hoge Raad zal goeddeels een einde kunnen maken aan de in de praktijk van de belastingheffing gerezen onzekerheid omtrent de vraag of, dan wel in hoeverre, belastingplichtigen door middel van schenking van een tijdelijk vruchtgebruik of een vruchtgebruik tot wederopzegging aan de werking van artikel 27, tweede lid, van de Wet kunnen ontkomen. Blijkens zijn eigen stellingen heeft belanghebbende tot en met het jaar 1964 aan zijn beide kinderen dividendbewijzen geschonken, waardoor een fiscale besparing kon worden bereikt. Toen met ingang van het jaar 1965 door het tweede lid van artikel 27 van de Wet deze mogelijkheid tot belastingbesparing verdween, heeft hij een andere weg tot belastingbesparing gezocht, met als resultaat het schenken van het recht van vruchtgebruik van aandelen voor een periode van drie jaar. Uit deze feiten kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat het enig oogmerk van belanghebbende bij het tot stand brengen van de schenkingen in deze vorm, is geweest de werking van artikel 27, tweede lid, van de Wet, te ontgaan om zodoende toch een fiscale besparing te bereiken. Zulks brengt mede dat, indien mocht blijken dat de aldus geschapen rechtstoestand niet of praktisch niet verschilt van die welke zou zijn ontstaan bij schenking van dividendbewijzen, betrekking hebbende op de vermoedelijk gedurende drie jaren na de schenking te declareren dividenden, doel en strekking van de wet zouden worden miskend indien deze beide situaties niet fiscaal op dezelfde wijze zouden worden beoordeeld. Verwezen moge worden naar de arresten van de Hoge Raad van 26 mei 1926 (P.W. 12157), 2 december 1959, rolnummer 14070 (B.N.B. 1960/18) en 22 april 1964, rolnummer 15201 (B.N.B. 1964/180) (P.W. 17584). Anders dan belanghebbende voor het Hof heeft betoogd staat aan deze wijze van wetstoepassing niet in de weg dat artikel 27, tweede lid, voor de fiscale gevolgen van het schenken van dividendbewijzen een regeling geeft welke kennelijk is geschreven om een bepaalde wijze van belasting ontgaan te keren door middel van een fictie. Integendeel, juist bij dergelijke fictiebepalingen, die naar hun aard spoedig inspireren tot rechtshandelingen, welke formeel niet onder de fictie vallen, doch praktisch tot nagenoeg hetzelfde resultaat leiden, is veelal toepassing van de in de hierboven vermelde arresten neergelegde leer der wetsontduiking noodzakelijk om heffing overeenkomstig doel en strekking van de wet te waarborgen. Het is in dit verband tekenend dat het arrest van 26 mei 1926 juist op een dergelijke fictiebepaling betrekking had.

Uit het voorgaande volgt dat requirant van cassatie zich ook met de door het Hof aan de parlementaire geschiedenis ontleende argumentatie niet kan verenigen. Uit de omstandigheid dat bij de totstandkoming van het artikel het ontgaan van belasting door middel van een schenking als in casu het geval is niet aan de orde is geweest, mag niet worden afgeleid dat deze vorm dus niet door de wettelijke fictie wordt getroffen. Die gevolgtrekking zou slechts gerechtvaardigd zijn indien de wetgever de mogelijkheden tot het doen van zodanige schenkingen zou hebben onderkend. Uit de parlementaire stukken blijkt daarvan echter niets.

Indien belanghebbende op 4 februari 1965 aan zijn beide kinderen van de aandelen, waarop thans voor de jaren tek 1965 tot en met 1967 een vruchtgebruik is gevestigd, de dividendbewijzen zou hebben geschonken waarop vermoedelijk gedurende 1965 tot en met 1967 dividend zou worden gedeclareerd, zou het dividend dat in die jaren op die dividendbewijzen betaalbaar is geworden krachtens artikel 27, tweede lid, bij belanghebbende moeten zijn belast. Het moge zijn dat uit de wijze van totstandkoming van artikel 27, eerste lid, moet worden afgeleid dat die bepaling uitsluitend betrekking heeft op lopende termijnen, het zou onjuist zijn hieruit af te leiden dat artikel 27, tweede lid, uitsluitend de of betrekking heeft op reeds gedeclareerde doch nog niet betaalbaar gestelde dividenden. Het ""veelvuldig voorkomend verschijnsel van inkomensoverdracht door middel van schenking van dividendbewijzen betrekking hebbende op nog niet opeisbare dividenden"" waaraan het kamerlid Scholten en 4 anderen via het amendement stuk nummer 49 I, een eind wilden maken betrof immers mede schenking van dividendbewijzen waarop nog geen dividend was gedeclareerd. Verwezen moge worden naar de gevallen welke werden beslist bij de arresten van de Hoge Raad van 27 januari 1954, rolnummer 11584 (B.N.B. 1954/101) en 8 maart 1961, rolnummer 14368 (B.N.B. 1961/133). Bovendien heeft de Staatssecretaris van Financiën tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk gewezen op de verschillen die na aanneming van het amendement zouden ontstaan tussen het eerste en het tweede lid van artikel 27, en daarbij opgemerkt dat door de ruime tekst van het amendement voor dividenden de terugschuiving ongelimiteerd plaatsvindt. Deze opmerking is door de opstellers van het amendement niet weersproken.

Gelet op het hierboven betoogde moeten mitsdien ook is in casu de in de jaren 1965 tot en met 1967 op de desbetreffende aandelen betaalbaar gestelde dividenden bij belanghebbende worden belast indien mocht blijken dat de door belanghebbende geschapen rechtstoestand niet of praktisch niet verschilt van die welke zou zijn ontstaan bij da schenking door belanghebbende op 4 februari 1965 van de op de jaren 1965 tot en met 1967 betrekking hebbende dividendbewijzen. Door schenking van dividendbewijzen verkrijgt de begiftigde een (persoonlijk) recht van vruchtgenot betreffende de op die dividendbewijzen uit te keren dividenden (Hoge Raad 27 januari 1954, rolnummer 11584, B.N.B. 1954/ 101). Door schenking van een tijdelijk vruchtgebruik verkrijgt de begiftigde voor de bepaalde periode een zakelijk recht van vruchtgebruik. De materiële gelijkenis tussen deze juridisch verschillende rechten is uitermate groot; het is zelfs zo dat de geringe praktische verschillen door bijkomende bedingen in de schenkingsakte of in de akte van vestiging van het vruchtgebruik geheel kunnen worden weggenomen. Waar het bij beide rechten op aankomt is het recht om de vruchten van de desbetreffende aandelen te trekken. Hierin verschillen deze rechten onderling niet. Enig praktisch verschil ontstaat pas ingeval van uitreiking van bonusaandelen, aanwijzing van claimbewijzen en dergelijke. Enerzijds zouden partijen echter zeer wel in de akte van vestiging van het vruchtgebruik kunnen neerleggen dat een bonusaandeel toekomt aan de vruchtgebruiker - zoals in casu ook is geschied - anderzijds zouden zij bij schenking van dividendbewijzen kunnen bedingen dat een claimrecht blijft toekomen aan de schenker, voor zover de goede trouw bij de uitvoering van de schenkingsovereenkomst dit al niet reeds zou meebrengen. Ook zal men dividendbewijzen kunnen schenken met het beding dat de gift tot de schenker zal terugkeren indien de begiftigde vóór de schenker mocht overlijden. Het kan partijen - behalve in fiscaal opzicht - dus onverschillig zijn welke vorm zij voor de beoogde bevoordeling gebruiken omdat toch hetzelfde resultaat kan worden verkregen. In dit verband wordt nog opgemerkt dat de aan het aandeel verbonden zogenaamde lidmaatschapsrechten (zoals het vergaderings- het stem- en het enquêterecht) bij beide vormen van bevoordeling blijven toekomen aan de schenker. Deze rechten immers zijn onverbrekelijk met de kwaliteit van aandeelhouder verbonden.

De in casu geschapen rechtstoestand verschilt dus praktisch niet van die welke zou zijn ontstaan bij schenking van dividendbewijzen en in het geheel niet van die welke zou zijn ontstaan bij zodanige schenking onder voorwaarde van overleving en een beding omtrent claimopbrengsten. Nu, zoals hiervoor is betoogd, het enig oogmerk van belanghebbende met het verrichten van schenkingen in de gekozen vorm is geweest de werking van artikel 27, tweede lid, te verijdelen, brengt het leerstuk der wetsontduiking mede de tijdens de ingestelde vruchtgebruiken gedeclareerde dividenden bij de schenker te belasten. Wellicht ten overvloede zij nog opgemerkt dat niet elke schenking van een vruchtgebruik, met name niet de vestiging van een vruchtgebruik voor onbepaalde tijd zonder de mogelijkheid van opzegging en de vestiging van een vruchtgebruik voor geruime tijd onder de werking van artikel 27, tweede lid, zal vallen. In deze gevallen zal immers gevoeglijk kunnen worden aangenomen dat aan de schenking niet de opzet ten grondslag heeft gelegen de werking van artikel 27, tweede lid, te verijdelen.";

Overwegende hieromtrent:

dat artikel 27, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals het luidt, weliswaar zonder beperking geldt voor elke schenking van dividendbewijzen, betrekking hebbende op nog niet opeisbare dividenden, ingeval de schenker op het tijdstip, waarop het dividend wordt genoten, binnenlands belastingplichtige is, doch blijkens de geschiedenis van zijn totstandkoming in de wet is opgenomen om het ontgaan van belasting door middel van schenking van dividendbewijzen, waarop een uitkering van dividend op handen is, te keren;

dat immers juist, indien een schenking van dividendbewijzen voor schenker en begiftigde op hetzelfde neerkwam als de gift van een bepaalde, eerlang vorderbare, geldsom, deze figuur kon worden gebezigd als middel om belasting te ontgaan;

dat de schenking van een recht van vruchtgebruik van aandelen, waardoor daarop uit te keren dividenden in het vervolg krachtens zijn zakelijk recht aan de vruchtgebruiker zullen toekomen, met deze figuur geenszins op één lijn kan worden gesteld en tijdens de behandeling van artikel 27, lid 2, in de Tweede Kamer der Staten-Generaal ook niet is ter sprake gebracht;

dat echter doel en strekking van artikel 27, lid 2, zouden worden miskend, zo het buiten toepassing werd gelaten, indien een recht van vruchtgebruik van aandelen klaarblijkelijk niet om de reële praktische betekenis van dit zakelijke recht geschonken is, maar om met het oog- merk om belastingheffing te verijdelen een rechtstoestand in het leven te roepen, welke niet of vrijwel niet verschilt van die, welke zowel de Regering als de Staten-Generaal voor ogen stond, toen met de aanvaarding van artikel 27, lid 2, in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een onwederlegbaar vermoeden werd opgenomen, dat aan de schenking van dividendbewijzen, betrekking hebbende op nog niet opeisbare dividenden, het door schenker en begiftigde beoogde rechtgevolg voor de heffing van de inkomstenbelasting ontzegt;

dat zulk een uitzondering zich kan voordoen, indien een vruchtgebruik van aandelen slechts tot wederopzegging of voor een tijdvak van korte duur geschonken is;

dat blijkens de bestreden uitspraak in dit geval de belanghebbende als reden, waarom hij bij akte van 4 februari 1965 aan zijn kinderen het vruchtgebruik van hem toebehorende aandelen slechts gedurende de jaren 1965, 1966 en 1967 geschonken heeft, zodat het niet later dan op 31 december 1967 al weder zou eindigen, onweersproken heeft gesteld, dat zijn inkomen van 1968 af in sterke mate zou verminderen door de beëindiging van een door hem vervulde functie;

dat het onder deze omstandigheden niet juist zou zijn de door belanghebbende geschapen rechtstoestand voor de toepassing van artikel 27, lid 2, der Wet op dezelfde wijze te beoordelen als die, waarbij hij aan zijn kinderen niet het recht van vruchtgebruik van aandelen gedurende een tijdvak van drie jaar had geschonken, maar een aantal dividendbewijzen, betrekking hebbende op de vermoedelijk gedurende drie jaar na de schenking te declareren dividenden, zoals in het middel wordt bepleit, en hieraan niet afdoet, dat belanghebbende, naar hij blijkens 's Hofs uitspraak toegeeft, de door hem gekozen rechtsfiguur in plaats van de schenking van dividendbewijzen heeft gebezigd om belasting te besparen;

dat mitsdien het middel niet tot cassatie kan leiden;

Verwerpt het beroep.

Gedaan bij de Heren van Rijn van Alkemade, waarnemend President, van der Loos, Korthals Altes, Peters en van der Linde, Raden, en door voornoemde waarnemend President uitgesproken ter Raadkamer van de negentiende juni 1900 achtenzestig, in tegenwoordigheid van de Substituut-Griffier Joosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl BNB 1968/166 met annotatie van H.J. Heilema
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?