19 april 1972
Nr. 16.700
Jb. 131
De Hoge Raad der Nederlanden,
Gezien het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 juni 1971 betreffende de aan [X] te [Z] opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1966;
Gezien de stukken;
Overwegende dat belanghebbende is aangeslagen in de inkomstenbelasting voor het jaar 1966, welke aanslag na bezwaar is geregeld naar een belastbaar inkomen van f 50.429, --;
Overwegende dat belanghebbende van de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaarschrift in beroep is gekomen bij het Hof;
Overwegende dat het Hof allereerst heeft overwogen: "dat belanghebbende het belastbare inkomen van f 50.429, -- alsnog verminderd wil zien met een bedrag van f 6.450,99, waarbij het tussen partijen bestaande geschil zich in wezen beperkt tot de vraag, of door belanghebbende in 1966 tot een totaal van f 7.399,92 betaalde bedragen al of niet als aftrekbare periodieke uitkeringen zijn aan te merken; ";
Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt:
"Belanghebbende, geboren 26 april 1922, is als economisch adviseur in dienstbetrekking werkzaam bij de Vereniging van Zusters van Liefde te Tilburg (de Vereniging).
In 1962/1963 verstrekte de Vereniging aan belanghebbende voor de bouw van een door hem en zijn gezin te betrekken woning een bedrag van f 80.431,50, zijnde de totale bouwkosten van deze woning; de daaruit voor de Vereniging en belanghebbende voortspruitende rechten en verplichtingen zijn neergelegd in een ongedagtekende, onderhandse akte (de akte); de in de akte neergelegde overeenkomst is in januari 1963 tot stand gekomen; de akte houdt het volgende in:
" "De ondergetekenden:
1. de Vereniging van de Zusters van Liefde, gevestigd te Tilburg; en
2. [X], wonende te [Z], van beroep economisch adviseur
in aanmerking nemende, dat de ondergetekende sub 1 ter belegging van overtollige liquiditeiten de ondergetekende sub 2 per 1 januari 1962 een bedrag van f 80.431,50 ter beschikking heeft gesteld; dat partijen een lijfrenteverplichting wensen te vestigen op het leven van de ondergetekende sub 2;
verklaren te zijn overeengekomen als volgt:
1. De onderhavige lijfrente-overeenkomst heeft het karakter van een tijdelijke lijfrente afhankelijk van het leven van de ondergetekende sub 2;
2. Als termijnen van lijfrente zal de ondergetekende sub 2 betalen:
a. een bedrag van f 150, -- per maand voor het laatst in de maand juni 1979;
b. een jaarlijks bedrag, telkens op 1 juli van de navolgende grootte
3. Indien de ondergetekende sub 2 komt te overlijden voor 1 juli 1979 zal, behoudens de per sterfdatum reeds verschenen termijnen, door de ondergetekende sub 2 aan de sub 1 niets meer verschuldigd zijn;
4. Als zekerheid voor de richtige betaling van de sub 2 genoemde lijfrentetermijnen verbindt de ondergetekende sub 2 zich op eerste aanvraag van de ondergetekende sub 1 eerste hypotheek te zijnen behoeve te vestigen op het met het in de overweging genoemde bedrag gebouwde woonhuis. Tevens verbindt de ondergetekende sub 2 zich dit pand noch te vervreemden in de meest ruime zin noch op enige andere wijze te verbinden of aan te wenden tot zekerheid voor door hem aangegane verplichtingen. Bij overtreding van deze bepaling zal terstond zonder enige waarschuwing kunnen worden opgeëist een bedrag gelijk aan f 80.000, -- plus 6% rente hierover vanaf 1 januari 1962. Deze som zal worden verminderd met de reeds betaalde lijfrentetermijnen, waarbij voor de renteberekening de betaalde lijfrentetermijnen vanaf de dag der betaling worden afgetrokken van het hierboven genoemde bedrag.
Een zelfde bedrag zal terstond opeisbaar zijn zonder enige waarschuwing bij niet prompte voldoening van de betaalde lijfrentetermijnen, bij faillissement of surséance van betaling van de ondergetekende sub 2, alsmede wanneer zijn goederen geheel of gedeeltelijk door derden mochten worden in beslag genomen.
5. De ondergetekende sub 2 verbindt zich, de betreffende woning tot de herbouwwaarde bij een bonafide verzekeringsmaatschappij verzekerd te houden tegen alle risico's waartegen een goed huiseigenaar zich pleegt te verzekeren (perfekt-polis), inzonderheid tegen brand.
De polis zal ten name van de ondergetekende sub 1 gesteld worden.
De premie wordt betaald door de ondergetekende sub 2, die verplicht is binnen veertien dagen na het verval van de premie de betaalde premiekwitantie aan de ondergetekende sub 1 te tonen.
6. Op deze lijfrenteovereenkomst zijn overigens van toepassing de bepalingen in de tweede afdeling van de zestiende titel van het Burgerlijk Wetboek"".
Ingevolge deze overeenkomst moest belanghebbende in 1966 aan de Vereniging betalen 12 x f 150, -- plus f 5.600, -- is f 7.400, --; bij de berekening van zijn belastbare inkomen trekt hij ter zake een bedrag van f 7.399,92 af als een persoonlijke verplichting in de vorm van periodieke uitkeringen. De Inspecteur acht geen aftrekbare periodieke uitkering aanwezig en staat met betrekking tot bedoelde betalingen slechts een aftrek toe van f 2.850, -- , zijnde het door hem in deze betalingen onderscheiden rentebestanddeel.
Belanghebbende berekent zijn belastbare inkomen als volgt:
In de opvatting van de Inspecteur blijven de buitengewone lasten ten bedrage van f 1.901,07 beneden de in artikel 46, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) - zoals deze voor het belastingjaar 1966 luidde - gestelde grens van - in casu - 4% van het onzuivere inkomen verminderd met de persoonlijke verplichtingen; in de opvatting van belanghebbende, dat van een periodieke uitkering sprake is, acht de Inspecteur de gevraagde aftrek wegens buitengewone lasten juist;";
Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven:
"dat belanghebbende het volgende heeft gesteld:
De in januari 1963 tussen de Vereniging en belanghebbende gesloten overeenkomst is een lijfrente-overeenkomst - althans een overeenkomst waarbij van het leven afhankelijke periodieke uitkeringen zijn gecontracteerd, dan wel een combinatie van beide - met de Vereniging als lijfrentegenietster en belanghebbende als lijfrentebetaler. De onderhavige lijfrente is gevestigd op het leven van belanghebbende.
Een essentiale van deze lijfrente-overeenkomst is een koopsom, groot f 80.431,50, die door de Vereniging aan belanghebbende werd betaald. Deze koopsom is in een aantal bedragen in de loop van 1962 en een klein bedrag begin 1963 aan belanghebbende overgemaakt, ofwel rechtstreeks ofwel door het betalen van te zijnen name staande rekeningen. Een en ander geschiedde door de Vereniging ter belegging van overtollige liquiditeiten. Een ander essentiale van deze lijfrente-overeenkomst is het sterfterisico dat door de lijfrentegenietster wordt gelopen. Immers overlijdt belanghebbende vóór het einde van de lopende lijfrente- overeenkomst, dan eindigt de lijfrente.
Om ten aanzien van dit sterfterisico tot een duidelijk standpunt te komen, heeft belanghebbendes gemachtigde eind november 1962 een bezoek gebracht aan [A], toen actuaris te [Q], in dienst van het Algemeen Mijnwerkersfonds, waarbij deze [A] om een advies op dit punt heeft gevraagd.
Belanghebbendes gemachtigde heeft toen opgegeven het op dat moment openstaande bedrag van f 76.197,28, dat nog niet het definitieve eindbedrag kon zijn, omdat belanghebbendes woonhuis toen nog niet geheel gereed was en dus ook de bouwsom nog niet geheel vaststond.
Uit de berekening van [A] blijkt dat wegens sterfterisico rekening moet worden gehouden met een schaalverlenging van f 6.800, -- plus f 1.700, -- minus f 5.516,93 is f 2.983,07. Om redenen die overigens niet ter zake doen - een procent lagere rente - is bedoeld bedrag door de registeraccountant van de Vereniging - de heer [B] te [R] - gesteld op f 2.500, --.
Vervolgens heeft [B] gewezen op het feit dat de actuariële berekening gebaseerd was op de wet van de grote getallen en dat deze wet niet geldt ten aanzien van het overlijden van belanghebbende alleen.
Daarom is toen tevens besloten tot een extra verlenging van de schaal met f 6.500, --.
Beide bedragen, tezamen groot f 9.000, -- , vormen het extra voordeel - naast de ingecalculeerde rente - voor de Vereniging indien het lijfrentecontract niet eindigt door de dood van belanghebbende, en het extra nadeel voor belanghebbende indien hij blijft leven.
Het gestelde in punt 4 van het contract heeft met de wezenlijke inhoud van het contract niets uit te staan, nu hier slechts sprake is van een sanctie bij niet-nakoming door belanghebbende van zijn verplichtingen. Dergelijke sancties komen in vrijwel ieder contract voor. Globaal gesproken kan men hierbij twee kanten uit: ofwel er is een som ineens opeisbaar, die even groot is als benodigd zou zijn om elders een gelijke lijfrente te kopen, ofwel men rent de koopsom fors op - in casu is sprake van een veel hogere rente dan destijds gebruikelijk was, namelijk 6% - en brengt hierop de betaalde lijfrentetermijnen in mindering. Deze tweede methode is tussen de Vereniging en belanghebbende gevolgd.
De feiten geven aan, dat in het onderhavige geval van een geldlening geen sprake is. Het feit, dat bij voortijdig overlijden van belanghebbende op zijn echtgenote en andere erfgenamen geen verplichtingen meer rusten ten opzichte van de Vereniging, is voor belanghebbende van wezenlijke betekenis geweest bij zijn besluit het onderhavige contract zo met de Vereniging te sluiten. Het stond hen volstrekt vrij dit te gieten in de vorm van een overeenkomst als de onderhavige. Van wetsontduiking is daarbij geen sprake. De onderhavige problematiek - te weten de vraag, of de door belanghebbende ingevolge de overeenkomst van januari 1963 aan de Vereniging betaalde bedragen volledig dan wel slechts voor het rentebestanddeel voor de inkomstenbelasting aftrekbaar zijn - is ook voor de jaren 1963, 1964 en 1965 aan de orde geweest; daarop hebben betrekking de uitspraken van het Hof van 13 maart 1970, nummers 663, 664 en 665 van 1968, waarin conform belanghebbendes standpunt werd beslist. De Staatssecretaris van Financiën heeft gemeend geen beroep in cassatie in te moeten stellen tegen de uitspraken nummers 663 en 664, handelend over de jaren 1963 en 1964. Tegen de uitspraak nummer 665, betrekking hebbende op het jaar 1965, heeft de Staatssecretaris wel beroep in cassatie ingesteld, doch te laat. Thans heeft de Staatssecretaris gemeend opnieuw met een procedure te moeten beginnen voor het jaar 1966. Door deze gang van zaken handelt de Staatssecretaris in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.
Jarenlang heeft de fiscus belanghebbende in onzekerheid gelaten voordat het tot een procedure kwam; het aanslagbiljet voor het jaar 1963 is gedagtekend 25 juni 1968, terwijl in maart 1964 aangifte werd gedaan. Als men dan denkt: nu komt er zekerheid, door de hiervoor bedoelde uitspraken van het Hof, dan blijkt dit niet het geval te zijn, want voor het jaar 1966 begint de Staatssecretaris zonder enige reserve weer opnieuw, uiteraard belanghebbende wederom op kosten jagend. Hier is sprake van een zeker misbruik van fiscaal procesrecht, waardoor in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur is gehandeld;
dat de Inspecteur het volgende heeft gesteld:
In het onderhavige geval is geen sprake van een aftrekbare periodieke uitkering. De benaming van het contract van januari 1963 is in dit verband irrelevant. Niet de benaming is maatgevend voor de op te roepen gevolgen van een rechtshandeling, maar het wezenlijke karakter en dit is niets anders dan enerzijds de verstrekking van een geldlening en anderzijds de terugbetaling door belanghebbende van rente en aflossing van een rentedragende schuld in tevoren vastgestelde jaarlijkse termijnen, waaraan niet kan afdoen dat de Vereniging, voor het geval bij overlijden van belanghebbende nog een vordering van haar op belanghebbende mocht resteren, reeds bij de overeenkomst aan belanghebbende finale kwijting heeft verleend, derhalve kwijtschelding van een alsdan mogelijk nog onvoldaan restant van haar vordering.
Zulks vindt ook steun in de considerans van de akte, waar wordt vastgelegd dat een bedrag van f 80.431,50 ter beschikking van belanghebbende wordt gesteld ter belegging van overtollige liquiditeiten. Het is normaal dat overtollige kasgelden worden belegd in de vorm van een geldlening; het is echter beslist ongebruikelijk zulks te doen in de vorm van een periodieke uitkering.
Toegegeven kan worden dat in het door de Inspecteur ingenomen standpunt ten opzichte van de wezenlijke inhoud van het contract, het evenzeer ongebruikelijk is dat geldlening is verstrekt tegen aflossing in termijnen en kwijtschelding van het restant bij voortijdig overlijden van de schuldenaar; maar dit laatste doet niet af aan de feitelijke situatie: geldlening en aflossing in termijnen. Het verdere beding van kwijtschelding van het restant bij voortijdig overlijden is hierbij secondair en kan enkel worden overeengekomen op grond van de bijzondere relatie welke er bestond tussen belanghebbende en de geldschietster en de uitzonderlijke positie waarin laatstgenoemde verkeert met betrekking tot haar belastingplichtigheid.
Ook het gestelde in punt 4 van het contract omtrent de afwikkeling bij wanprestatie heeft geheel het karakter van een afwikkeling van een rentedragende geldlening met periodieke aflossingen. Niet alleen wordt bij wanprestatie de gehele hoofdsom opeisbaar, maar ook strekken de reeds betaalde termijnen hierop in mindering, terwijl bovendien voor de alsdan mede opeisbare rente ad 6% de berekening wordt gevolgd die ook zou gelden als het een lening betrof met periodieke aflossingen.
De gehele actuariële voorbereiding doet in dit verband niet ter zake, nu de gehele regeling uiteindelijk overeenkomt met een berekening van een geldlening tot bedoeld bedrag met een aflossing in de overeengekomen termijnen tegen een rente van 4%, een percentage dat, afgezien van het te lopen risico, voor de tijd van het sluiten van het contract aan de lage kant ligt. De actuariële berekening is enkel dienstig om de hoegrootheid van de termijnen te bepalen, die gedurende de looptijd van de geldlening dienen te worden terugbetaald.
In de opvatting van de Inspecteur omtrent het wezenlijke karakter van het contract heeft hij de door belanghebbende in 1966 betaalde termijn ad f 7.399,92 aangemerkt als een som bestaande uit aflossing op de geldlening en rente. Rekening houdend met het volgens contract totaal in termijnen te betalen bedrag moet de rente van de geldlening worden gesteld op ongeveer 4%. Dit houdt dan in dat de in 1966 betaalde som gesplitst moet worden in f 4.549,92 aflossing op de hoofdsom en f 2.850, -- aan rente. Deze rente kan ingevolge artikel 45, eerste lid, letter c, van de Wet op het onzuivere inkomen in mindering worden gebracht.
Uit de considerans van het contract met de Vereniging blijkt onder meer ""dat de ondergetekende sub 1 ter belegging van overtollige liquiditeiten de ondergetekende sub 2 per 1 januari 1962 een bedrag van f 80.431,50 ter beschikking heeft gesteld"". De werkelijke betekenis van deze zin is deze, dat de Vereniging per genoemde datum bij voortduring geld ter beschikking van belanghebbende heeft gesteld voor de financiering van de bouw van een woning.
Uit niets is gebleken dat er van de aanvang af sprake is geweest van een voorwaardelijke kwijtschelding van een bij overlijden van de schuldenaar nog onvoldaan restant van de schuld ofwel van een lijfrente zoals door belanghebbende wordt gesteld. De eerste tekenen, die op laatstbedoelde rechtsfiguur betrekking zouden kunnen hebben, mogen wellicht worden afgeleid uit de vraagstelling waarvan sprake is in de brief van [A] van 29 december 1962. Vervolgens is toen begin 1963 het onderhavige contract opgemaakt.
De stellingname van de Inspecteur omtrent het wezenlijk karakter van het overeengekomene is gebaseerd op vorenstaande gang van zaken. Er is geen wezenlijk verschil in rechtsgevolgen bij de door de Inspecteur verdedigde rechtsfiguur van een geldlening met voorwaardelijke kwijtschelding van een bij overlijden nog onvoldaan restant en de door belanghebbende bedoelde lijfrenteovereenkomst, anders dan dat een lijfrente het fiscale voordeel oproept dat in wezen aflossingen op een geldlening als persoonlijke verplichtingen op het inkomen in mindering kunnen worden gebracht. Een zo ingrijpend gevolg, dat wordt opgeroepen enkel door een naamgeving aan een contract, moet niet mogelijk worden geacht.
De in periodieke uitkeringen begrepen periodieke aflossingen van een bestaande schuld behoren niet als opbrengst van roerend kapitaal tot des schuldeisers inkomen.
Daaruit volgt dat de in periodieke betalingen begrepen periodieke aflossingen op een bestaande schuld niet op het inkomen in mindering behoren te worden gebracht in de vorm van persoonlijke verplichtingen.
Het wil de Inspecteur voorkomen dat de tweede afdeling van de zestiende titel - van het derde boek - van het Burgerlijk Wetboek (B.W.), handelende over kansovereenkomsten, een geheel andere rechtsfiguur voor ogen heeft gestaan dan de onderhavige casuspositie. Ook het feit dat het onderhavige "lijfrentecontract" juist op toch wel essentieel te noemen punten afwijkt van de toch al schaarse bepalingen van regelend recht in het B.W. over de overeenkomst van lijfrente, geeft steun aan de stelling dat wezenlijk geen sprake is van een lijfrente. In dit verband wordt gewezen op het bepaalde in artikel 1819 B.W., waarin bij wanbetaling de renteheffer het recht wordt ontnomen om teruggave van de hoofdsom te vorderen, en de desbetreffende bepaling onder punt 4, slot, van het contract; artikel 1822 B.W., regelend het recht op vordering van de evenredige termijn bij overlijden van degene op wiens lijf de rente is gevestigd, en het daaromtrent bepaalde onder punt 3 van het contract. De werking van het slot van artikel 1821 B.W. is uitgesloten door de "lijfrente" aan een uiterste termijn te binden in punt 3 van het contract.
Subsidiair wordt een beroep gedaan op toepassing van de leer van de wetsontduiking in die zin, dat de door belanghebbende geschapen rechtstoestand voor de toepassing van de Wet niet anders wordt behandeld dan de in de primaire stelling van de Inspecteur door hem verdedigde rechtstoestand, met andere woorden dat belanghebbende op dezelfde wijze moet worden behandeld als iemand die zijn woning financiert met een geldlening waarop normaal wordt afgelost, en die tot dekking van zijn overlijdensrisico een - aflopende - risicoverzekering sluit.
De feitelijke situatie in het onderhavige geval sluit volkomen aan aan laatstbedoelde situatie. Belanghebbende heeft een geldlening aangegaan en lost deze af in termijnen. In de termijnen is begrepen de verschuldigde rente alsmede een zekere opslag ter dekking van het overlijdensrisico. Dit laatste bedrag is volgens het beroepschrift te stellen op f 9.000, --. De Vereniging zou met dit bedrag desgewenst haar eigen risico kunnen dekken bij een verzekeringsmaatschappij.
Door de gekozen constructie van een "lijfrentecontract" zou evenwel belanghebbende erin slagen de gehele bouwsom van zijn woning als ook de kosten van de dekking van zijn overlijdensrisico ten laste te brengen van zijn inkomen.
Een zo zeer verschillende behandeling van in wezen gelijke gevallen druist volkomen in tegen doel en strekking der Wet. Nu belanghebbende geen ander argument voor de gekozen ongebruikelijke constructie heeft dan de wens bij eventueel overlijden zijn erfgenamen zonder schuld achter te laten - een wens waaraan op gebruikelijke doch fiscaal minder aantrekkelijke wijze kan worden voldaan door een risicoverzekering te sluiten - moet het ervoor worden gehouden dat de keuze niet is beïnvloed door de praktische betekenis van het "lijfrentecontract", doch dat veeleer het fiscale motief, namelijk het verijdelen van belastingheffing, van doorslaggevende betekenis is geweest. Het is daarom dat de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat belanghebbende dient te worden aangeslagen als ware een geldlening met periodieke aflossingen overeengekomen.
De drie, ook door de jurisprudentie gesanctioneerde, kenmerken voor de toepassing van de leer der wetsontduiking zijn in het onderhavige contract volledig aanwezig.
1. De gekozen constructie moet ongebruikelijk zijn, gekunsteld of geforceerd.
Dat de vormgeving in een lijfrentecontract van een normale geldlening ongebruikelijk is, behoeft geen nader betoog. De in het vertoogschrift - en hiervoor - weergegeven constructie voor dit soort geldleningen is normaal en gebruikelijk. Slechts in dit bijzondere geval, nu de lijfrentetrekker ter zake niet belastingplichtig is, is de gevolgde weg mogelijk en attractief voor de schuldenaar van de lijfrente. Ware de lijfrentetrekker niet in deze gunstige positie, er zou geen geldschieter gevonden worden die onder deze voorwaarden bereid was gelden te verstrekken.
2. Het eindresultaat moet niet of nauwelijks verschillen van hetgeen bij bewandeling van de normale en gebruikelijke weg zou zijn bereikt.
Zoals hiervoor reeds is betoogd, verschilt het bereikte resultaat enkel in de gevolgen met betrekking tot belastingbetaling. De civielrechtelijke gevolgen vertonen geen enkel verschil. Het is daarom duidelijk dat de lijfrenteclausule enkel en alleen is gekozen met het oog op belastingbesparing.
3. Doel en strekking van de wet moeten door de gekozen constructie worden miskend.
Hiervoor is in deze duidelijk genoeg uiteengezet dat bij een zo zeer verschillende behandeling van in wezen soortgelijke gevallen doel en strekking van de Wet worden miskend. Met inkomstenbelasting behoren te worden belast inkomsten en niet terugontvangen eerder ter leen gegeven gelden, Zo ook behoren van de andere kant op het inkomen in mindering te worden gebracht de betaalde renten van ter leen ontvangen gelden maar niet ook de aflossingen op de geldlening;";
Overwegende dat het Hof heeft overwogen in rechte:
"dat het Hof aan de hand van de akte oordeelt dat de uit de daarin neergelegde overeenkomst voortvloeiende verplichtingen van belanghebbende tot betaling van de onder punt 2 van de akte vermelde geldsbedragen het karakter hebben van een periodieke uitkering als bedoeld in de artikelen 45, eerste lid, letter b, en 25, eerste lid, letter g, van de Wet;
dat met betrekking tot de maandelijkse betalingen van f 150, -- sprake is van een tijdelijke lijfrente;
dat ook met betrekking tot de onder punt 2, letter b, van de akte vermelde jaarlijkse bedragen sprake is van een van het leven afhankelijke periodieke uitkering, nu voor elk van deze per 1 juli van de jaren 1963 tot en met 1979 vervallende termijnen geldt dat hij slechts verschuldigd is indien belanghebbende op de vervaldatum in leven is;
dat daaraan niet afdoet dat het voor een lichaam als de Vereniging zeer ongebruikelijk is dat overtollige kasgelden worden belegd in de vorm van een recht op een periodieke uitkering;
dat de strekking van de leden 3 en 4 van punt 4 van de akte geen andere is dan het stellen van een sanctie op wanprestatie en deze bepalingen niets zeggen omtrent de aard van datgene waartoe belanghebbende zich heeft verbonden;
dat het feit, dat de akte een van de artikelen 1819, 1821 en 1822 B.W. afwijkende regeling bevat, zeer wel verenigbaar is met de conclusie dat in casu aanwezig is een onder bezwarende titel gevestigd recht op van het leven afhankelijke periodieke uitkeringen;
dat, eenmaal beslist zijnde dat in het onderhavige geval aanwezig is een van het leven afhankelijke periodieke uitkering en niet de aflossing van een leenschuld in termijnen, te dezen van wetsontduiking geen sprake is;
dat immers in het systeem van de Wet in de privé-sfeer een periodieke uitkering bij de schuldenaar het inkomen vermindert en bij de rechthebbende het inkomen verhoogt, zulks in tegenstelling tot een geldlening waarbij slechts de rentebetaling het inkomen van schuldeiser en schuldenaar beïnvloedt, doch niet de aflossing van de lening zelve, zodat doel en strekking van de Wet in casu niet worden miskend; dat in dit verband van geen belang is dat belanghebbende de tegenover zijn verplichting tot het doen van periodieke uitkeringen staande en van de Vereniging ontvangen contraprestatie - zijnde geldsbedragen ad in totaal f 80.431,50 - heeft gebruikt voor de bouw van zijn woning;
dat bij elk tegen een koopsom gevestigd recht op een van het leven afhankelijke periodieke uitkering, in de uitkeringstermijnen naast een rentebestanddeel een kapitaalelement kan worden onderscheiden, doch zulks de wetgever niet heeft belet de gehele uitkering enerzijds tot de belaste inkomsten en anderzijds tot de aftrekbare persoonlijke verplichtingen te rekenen;
dat nog gewezen kan worden op artikel 26, letter b, juncto artikel 45, eerste lid, letter b, van de Wet, krachtens welke bepalingen periodieke uitkeringen tussen naaste familieleden tot de aftrekbare persoonlijke verplichtingen behoren, indien zij de tegenwaarde voor een prestatie - bijvoorbeeld een door de belastingplichtige verkregen woning - vormen;
dat daarom niet aannemelijk is dat, indien een belastingplichtige - ook al is daarbij sprake van een uitzonderlijk geval en een streven naar belastingbesparing - erin slaagt de bouw van zijn woning te financieren met de koopsom van een te zijnen laste bedongen recht op periodieke uitkeringen, doel en strekking van de Wet niet zouden toelaten deze periodieke uitkeringen volledig ten laste van het inkomen te brengen;
dat derhalve het in het jaar 1966 door belanghebbende verschuldigde en betaalde bedrag van f 7.399,92 volledig een aftrekbare persoonlijke verplichting vormt;
dat voor dit geval partijen het erover eens zijn, dat het belastbare inkomen, rekening houdende met f 1.901,07 aftrekbare buitengewone lasten, f 43.978,97 bedraagt, terwijl dan belanghebbendes grief, dat de belastingadministratie gehandeld zou hebben in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, buiten beschouwing kan blijven;";
Overwegende dat het Hof op deze gronden de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaarschrift heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 43.978, --;
Overwegende dat de Staatssecretaris als middel van cassatie voordraagt:
"Schending van artikel 45 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in verband met artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, doordat het Gerechtshof heeft beslist dat het door belanghebbende in het jaar 1966 betaalde bedrag van f 7.399,92 volledig een aftrekbare persoonlijke verplichting vormt, zulks ten onrechte, althans op gronden welke deze beslissing niet kunnen dragen, aangezien onder de in de uitspraak vermelde omstandigheden het Hof had dienen te beslissen dat met toepassing van de leer der wetsontduiking het door belanghebbende betaalde bedrag dient te worden behandeld als de aflossing en rentebetaling van een geldlening, althans had dienen te onderzoeken of aan de voor toepassing van dit leerstuk te stellen eisen in dit geval was voldaan; ";
Overwegende dat de Staatssecretaris dit middel heeft toegelicht als volgt:
"De Staatssecretaris merkt hierbij op dat, zoals uit de gedingstukken blijkt, over dezelfde kwestie maar met betrekking tot het jaar 1965 tegen een vrijwel gelijkluidende uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch door hem beroep in cassatie is ingesteld. Door een administratief abuis werd dit beroepschrift echter op een zodanig tijdstip verzonden dat het niet meer tijdig bij het Hof werd ontvangen. De Staatssecretaris heeft dit beroep toen ingetrokken. Omdat over de hier aan de orde zijnde kwestie gaarne het oordeel van de Hoge Raad wordt verkregen - de bestreden constructie en daarop sterk gelijkende figuren komen meer en meer voor - heeft de Staatssecretaris de betrokken Inspecteur verzocht voor het jaar 1966 de kwestie opnieuw aan de orde te stellen. De thans bestreden uitspraak is daarvan het gevolg. Ter toelichting van het middel moge voorts het volgende worden opgemerkt.
Het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat de onderwerpelijke verplichtingen van belanghebbende tot betaling van geldsbedragen het karakter hebben van een periodieke uitkering als bedoeld in de artikelen 45, eerste lid, letter b, en 25, eerste lid, letter g, van de Wet. De Staatssecretaris zal derhalve van deze vaststelling moeten uitgaan. Hij vermag echter niet in te zien waarom uit deze vaststelling zou volgen dat te dezen van wetsontduiking geen sprake is, gelijk het Hof blijkens zijn zevende rechtsoverweging meent. Hetgeen het Hof daarvoor ter adstructie aanvoert, namelijk dat in het systeem van de Wet in de privé-sfeer een periodieke uitkering andere rechtsgevolgen oproept dan de aflossing van een geldlening, is uiteraard juist, maar is ter weerlegging van het door de Inspecteur gedane beroep op de leer der wetsontduiking niet ter zake doende. Dit beroep strekte er immers toe om, juist met erkenning van het feit dat belanghebbende er in is geslaagd een andere rechtsfiguur te hanteren dan die van een geldlening met periodieke aflossingen, niettemin aan die rechtsfiguur de gevolgen te verbinden van een geldlening met periodieke aflossingen, zulks wegens het oogmerk tot verijdelen van belastingheffing en de geringe praktische betekenis welke het kiezen van die andere rechtsfiguur heeft. In de zienswijze van het Hof is er nimmer plaats voor het leerstuk der wetsontduiking; het Hof redeneert: of er is een geldlening en dan gelden de daaraan verbonden gevolgen, of er is een periodieke uitkering en dan gelden de daaraan verbonden gevolgen. Het is duidelijk dat het Hof er op deze wijze geheel aan voorbij gaat dat er omstandigheden kunnen zijn waarin doel en strekking der wet meebrengen aan een rechtsgeldige periodieke uitkering niet de daaraan normaliter verbonden gevolgen te verbinden. Nu de Inspecteur heeft gesteld, dat zodanige omstandigheden zich voordeden, had het Hof zulks moeten onderzoeken. De Staatssecretaris meent dan ook dat het Hof onvoldoende gemotiveerd het beroep op de leer der wetsontduiking heeft afgewezen.
Naar het de Staatssecretaris voorkomt had het Hof op grond van de gebleken omstandigheden tot een geheel andere beslissing moeten komen. Immers, uit de gedingstukken blijkt dat de Vereniging van Zusters van Liefde aan belanghebbende f 80.431,50 ter beschikking heeft gesteld, zijnde de totale bouwkosten van de door belanghebbende en zijn gezin te betrekken woning; dat belanghebbende dit bedrag terugbetaalt volgens een overeengekomen schema, met dien verstande dat bij overlijden van belanghebbende niets meer zal zijn verschuldigd; dat belanghebbende in verband met dit overlijdensrisico tevens een bedrag moet betalen waaruit de Vereniging dit risico desgewenst zou kunnen dekken bij een verzekeringsmaatschappij. Het is duidelijk dat belanghebbende er aldus in slaagt de gehele bouwsom van zijn woning ten laste van zijn inkomen te brengen, terwijl hij in feite in dezelfde positie verkeert als iemand die zijn woning financiert met een geldlening waarop normaal wordt afgelost en ter dekking van het overlijdensrisico een (aflopende) risicoverzekering sluit. Naar het oordeel van de Staatssecretaris druist een zozeer verschillende behandeling van in wezen gelijke gevallen volkomen in tegen doel en strekking der wet. Nu belanghebbende voorts geen ander argument voor de gekozen constructie heeft aangevoerd dan de wens bij eventueel overlijden zijn erfgenamen zonder schuld achter te laten - een wens waaraan op gebruikelijker doch fiscaal minder aantrekkelijke wijze kan worden voldaan door een risicoverzekering te sluiten - moet het er voor gehouden worden dat het fiscale motief doorslaggevend is geweest. De Staatssecretaris meent dat een en ander de conclusie rechtvaardigt dat belanghebbende dient te worden aangeslagen als ware een geldlening met periodieke aflossingen overeengekomen, Hij is dan ook van oordeel, dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal kunnen blijven;";
Overwegende dienaangaande:
dat het Hof, na te hebben beslist, dat in het onderhavige geval aanwezig is een van het leven afhankelijke periodieke uitkering en niet de aflossing van een leenschuld in termijnen, heeft geoordeeld, dat te dezen van wetsontduiking geen sprake is en dat niet aannemelijk is, dat, indien een belastingplichtige - ook al is daarbij sprake van een uitzonderlijk geval en van een streven naar een belastingvoordeel - erin slaagt de bouw van zijn woning te financieren met de koopsom van een te zijnen laste bedongen recht op periodieke uitkeringen, doel en strekking van de wet niet zouden toelaten deze periodieke uitkeringen volledig ten laste van het inkomen te brengen;
dat dit oordeel van het Hof in het middel terecht wordt bestreden;
dat de omstandigheid, dat belanghebbende erin is geslaagd de bouw van zijn woning te financieren door middel van de koopsom van een te zijnen laste bedongen recht op periodieke uitkeringen, juist de vraag oproept of met doel en strekking van het bepaalde in artikel 3, lid 3, en artikel 45, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wel is overeen te brengen, dat belanghebbende de voormelde periodieke uitkeringen ten volle op zijn onzuiver inkomen in mindering brengt;
dat bij de beoordeling van deze vraag de positie, welke belanghebbendes wederpartij bij de onderhavige overeenkomst ten opzichte van het Nederlandse belastingrecht inneemt, niet buiten beschouwing kan blijven; dat echter het Hof in zijn beslissing aan deze positie van belanghebbendes wederpartij niet voldoende aandacht heeft geschonken, zodat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven;
dat, nu 's Hofs uitspraak de gegevens bevat, die nodig zijn om vorenbedoelde vraag tot oplossing te brengen, de Hoge Raad de hoofdzaak kan beslissen;
dat belanghebbendes wederpartij een vereniging is, die niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen;
dat duidelijk is, dat de medewerking van deze wederpartij aan de onderhavige ongebruikelijke regeling alleen in haar bijzondere positie van vrijdom van belasting kan zijn gegrond;
dat de wet, naar haar doel en strekking, niet toelaat de rechtstoestand, die uitsluitend op grond van de belastingvrijdom van belanghebbendes wederpartij tussen partijen is kunnen ontstaan en die kennelijk niet om zijn reële praktische betekenis in het leven is geroepen, doch alleen om belanghebbende te doen profiteren van een belastingvoordeel, dat door de wet met het oog op andere gevallen dan het onderwerpelijke is gegeven, te aanvaarden als de grondslag van belanghebbendes belastingplicht;
dat dienvolgens belanghebbende niet anders is te beschouwen dan als ieder ander die, op gebruikelijke wijze, tegen vergoeding van rente een geldsom ter beschikking heeft verkregen, af te lossen in termijnen zolang hij in leven is, en die ter dekking van zijn overlijdensrisico een verzekering heeft gesloten;
dat uit het vorenoverwogene volgt, dat de uitspraak van de Inspecteur juist is, tenzij belanghebbendes stelling dat te zijnen opzichte is gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, met name dat misbruik is gemaakt van fiscaal procesrecht, gegrond zou zijn;
dat dit laatste evenwel niet het geval is, daar niets de Inspecteur kon beletten het punt van de wetsontduiking, nadat voor de jaren 1963, 1964 en 1965 bij onherroepelijke uitspraken van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch dit punt ten voordele van belanghebbende was beslist, voor het jaar 1966 opnieuw aan de orde te stellen;
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.
Gedaan bij de Heren Van Rijn van Alkemade, President, Hollander, Van der Linde, Polak en Telders, Raden, en door de President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de negentiende april 1900 twee en zeventig, in tegenwoordigheid van de Substituut-Griffier Joosten.