ECLI:NL:HR:1973:AX4623

ECLI:NL:HR:1973:AX4623, Hoge Raad, 17-10-1973, 17 161

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 17-10-1973
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 17 161
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

Belanghebbende en zijn echtgenote richten samen een stichting op ter behartiging van de belangen van hun gezin. Belanghebbende betaalt aan die stichting in 1969 f 5000 als premie voor lijfrenten voor zijn kinderen.

Uitspraak

17 oktober 1973.

Nr. 17.161

Jb .

De Hoge Raad der Nederlanden,

Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 maart 1973 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1969;

Gezien de stukken;

Overwegende dat belanghebbende is aangeslagen in de inkomstenbelasting voor het jaar 1969, welke aanslag na bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is geregeld naar een belastbaar inkomen van f 86.508, --; dat belanghebbende van de uitspraak van de Inspecteur in beroep is gekomen bij het Hof;

Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt :

"Volgens een notariële akte van 16 juli 1968 - waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort - hebben belanghebbende, geboren in 1924, en zijn echtgenote, [A], daarbij opgericht [B], gevestigd te [Z] (de Stichting) met een aanvangskapitaal van f 100, --.

De Stichting heeft volgens haar, in die notariële akte opgenomen statuten ten doel de behartiging van de belangen van de familie [X]-[A] in de meest ruime zin. Bedoelde statuten houden voorts onder meer het volgende in:

Artikel 4:

1. Het bestuur der Stichting bestaat uit één lid of een oneven aantal leden, een en ander door het bestuur te bepalen.

Voor de eerste maal treden op als leden van het bestuur:

a. de komparant sub 1.

b. [C], te [Q], [R].

c. [D] te [R], [b-straat 1].

2. De bestuursleden worden voor één jaar benoemd. Zij zijn terstond herbenoembaar. De komparant sub 1. voornoemd is voor het leven benoemd als voorzitter van het bestuur.

3. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt:

a. door periodiek aftreden;

b. enzovoorts.

4. In vacatures wordt voorzien door benoeming door de voorzitter van het bestuur. Ingeval van overlijden,

onder curatele stelling van of genomen ontslag door de voorzitter, wordt in diens vacature voorzien door diens echtgenote, [A], die het recht heeft zich zelf voor het leven als voorzitter te benoemen.

5. Het bestuur vertegenwoordigt de Stichting in en buiten rechte en is belast met het besturen van de zaken van de Stichting en het beheer over haar vermogen. De voorzitter is belast met de uitvoering van de bestuursbesluiten.

De bestuursleden ontvangen voor de door hen als zodanig verrichte werkzaamheden geen beloning.

Artikel 7:

Het bestuur kan besluiten tot wijziging der statuten of tot ontbinding der Stichting over te gaan, mits het bestuur daartoe besluit met eenparigheid van stemmen in een daartoe bijeengeroepen vergadering, waarin alle bestuursleden aanwezig zijn.

De liquidatie en vereffening geschiedt door de voorzitter van het bestuur.

Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten voor zover mogelijk van kracht. Het bestuur bepaalt, welke bestemming overeenkomstig het doel der Stichting na betaling van alle schulden aan de overgebleven bezittingen der Stichting wordt gegeven.

In 1968 heeft belanghebbende met de Stichting vier overeenkomsten van levensverzekering afgesloten, die in de desbetreffende onderhandse akten van september en 5 oktober 1968 - welke in fotocopie tot de gedingstukken behoren - worden gekwalificeerd als lijfrente-overeenkomsten, terwijl daarin als begunstigden van de lijfrenten de vier minderjarige kinderen van belanghebbende, geboren in 1957, 1960, 1961 en 1964, zijn aangewezen. Op grond van deze overeenkomsten heeft belanghebbende zowel in 1968 als in 1969 4 x f 1.250, -- overgemaakt op de bankrekening van de Stichting, welke bedragen hij zowel in 1968 als in 1969 als persoonlijke verplichting ten laste van zijn inkomen heeft gebracht. De Inspecteur heeft voor het jaar 1969 deze aftrek ten bedrage van f 5.000, -- niet aanvaard. Ter dekking van het risico van overlijden van belanghebbende tijdens de duur van diens premieverplichting tegenover de Stichting op grond van de hiervoor bedoelde vier overeenkomsten, heeft belanghebbende bij een levensverzekeringmaatschappij een dalende risicoverzekering afgesloten - een fotocopie van de desbetreffende polis behoort tot de gedingstukken - met een verzekerde som van f 45.000, -- , telkens verminderd met f 5.000, -- per jaar en lopende van 29 januari 1969 tot 29 januari 1978; daarbij is het Bestuur van de Stichting als begunstigde aangewezen;";

Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven:

"dat belanghebbende van oordeel is, dat de Inspecteur ten onrechte het bedrag van f 5.000, -- , dat hij - belanghebbende - in 1969 aan de Stichting heeft betaald, niet als tot de persoonlijke verplichtingen behorende lijfrentepremiën in aanmerking heeft genomen;

dat hij daartoe zakelijk het volgende heeft aangevoerd :

Belanghebbende heeft vier in leeftijd elkaar betrekkelijk snel opvolgende kinderen en in het jaar 1969 - en vermoedelijk ook in de daaropvolgende jaren - een bij zijn leeftijd passend relatief hoog inkomen. Dit hoge inkomen, dat mede gunstig wordt beïnvloed door kinderbijslaguitkeringen, is in deze periode van zijn werkzaam leven ruimschoots toereikend om alle kosten van levensonderhoud van zijn gezin te dekken. Hij voorziet evenwel dat op het moment dat zijn kinderen na afloop van hun middelbare studies, die in de omgeving van de woonplaats worden gevolgd, een academische studie buiten de woonplaats gaan volgen, zijn dan te genieten inkomen in aanzienlijk mindere mate toereikend zal zijn om de studiekosten van de kinderen op een universiteit of hogeschool te kunnen dragen, met name indien twee of meer kinderen gelijktijdig die studie buitenshuis gaan volgen. Hij besluit daarom ten laste van zijn huidig inkomen een voorziening te treffen om die studiekosten in dat latere stadium mede daaruit te kunnen bestrijden.

Het opbouwen van een dergelijke voorziening kan op verschillende wijzen gebeuren. Terwille van een zo snel mogelijke opbouw van die voorziening - gelet ook op de te verwachten stijgingen van de studiekosten te zijner tijd - en zonder daarbij in de huidige periode zijn consumptief te besteden inkomen meer te besnoeien dan verantwoord en bereikbaar is, kiest hij de vorm, waarbij enerzijds de voorziening ten laste van zijn belastbaar inkomen kan worden gebracht en anderzijds een maximum aan rendement daarop kan worden gehaald. Die selectie uit de diverse mogelijkheden leidt dan in hoofdlijnen tot het benutten van de in artikel 45 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) genoemde aftrek van premies voor lijfrenten, de vrijwel enige in de Wet voorziene mogelijkheid om besparingen ten laste van het huidige inkomen te brengen ter voorziening in latere uitgaven, met name uitgaven ter voorziening in het levensonderhoud. Na deze keuze is een voor de hand liggende vorm dan de studieverzekering of studierenteverzekering bij een levensverzekeringmaatschappij. Daartoe heeft belanghebbende echter niet besloten, aangezien het rendement op dergelijke verzekeringen - door kosten en winstopslag van de maatschappij - beneden niveau ligt. Hij heeft de behartiging van zijn familiale belangen voor wat dit onderdeel betreft, toevertrouwd aan de daartoe opgerichte Stichting, daarbij overwegende dat de totale premiestorting van f 5.000, -- per jaar in de opbouwperiode en ook nog daarna een maximaal rendement biedt, enerzijds doordat hij op deze wijze in staat is een bedrag vóór belastingen voor dit doel af te zonderen - het marginale percentage is in casu rond 60% - en anderzijds doordat de rentebaten op de samengestelde premies binnen de Stichting netto aangroeien tot dekking van de lijfrenteuitkeringen te zijner tijd. Er staat tegenover dat het nu als lijfrentepremie af te trekken bedrag plus de daarop gekweekte rente straks bij de lijfrentegenieters aan belasting is onderworpen en dat belanghebbende wellicht geheel of gedeeltelijk het recht op kinderbijslag en kinderaftrek zal verliezen. Niettemin zal het geheel hem van voordeel kunnen zijn en voldoet het aan een reëel gevoelde behoefte toekomstige hoge uitgaven te dekken op een wijze die het meest strookt met zijn persoonlijke omstandigheden. De Stichting is rechtsgeldig tot stand gekomen, heeft een doel dat niet in strijd is met de bepalingen van de Wet op stichtingen en wordt bestuurd - tot op heden - door drie natuurlijke personen, die rechtsgeldig zijn benoemd.

De Stichting bezit rechtspersoonlijkheid en kan overeenkomsten als de onderhavige aangaan, zonder daarbij in strijd te komen met haar doelomschrijving of andere statutaire of wettelijke regelen.

De onderhavige overeenkomsten zijn te beschouwen als lijfrente-overeenkomsten of lijfrenten in de zin van de Wet, terwijl de betaalde premie ad f 5.000,- een premie voor lijfrente is als bedoeld in artikel 45 van de Wet, die tot de aftrekbare persoonlijke verplichtingen is te rekenen. Er is immers sprake van een aanspraak op een vaste en gelijkmatige periodieke uitkering, waarvan het bedrag is vastgesteld bij het tot stand komen van de overeenkomst en welke uitkering eindigt bij het overlijden van de lijfrentegenieter, doch tevens bij het bereiken van diens 27e verjaardag; een tijdelijke lijfrente die aan alle in de Wet genoemde begripsomschrijvingen voldoet.

Voor het risico van vooroverlijden van de premieplichtige - belanghebbende - werd een aflopende risicoverzekering gesloten, met het Bestuur van de Stichting als begunstigde; dit onderstreept de realiteit van de handelingen, nu de Stichting zodoende altijd over voldoende middelen kan beschikken om haar verplichtingen na te komen.

In het onderhavige geval is geen dwingend wettelijk voorschrift buiten toepassing gesteld; reeds hierom is van wetsontduiking geen sprake. Ook het gebezigde middel - de lijfrente-overeenkomst met de Stichting - is op zich geoorloofd.

De in het leven geroepen toestand is niet in strijd met enig dwingend wettelijk voorschrift. Er vindt belastingheffing plaats bij de lijfrentegenieters, zodra zij de uitkering ontvangen.

Doel en strekking van de Wet ten aanzien van de aftrekbaarheid van lijfrentepremies worden niet verijdeld.

Ook de vraag, of de wijze waarop belanghebbende deze voorzieningen heeft getroffen, gekunsteld of ongebruikelijk is, dient ontkennend te worden beantwoord. De onderhavige rechtsfiguur - het bedingen van lijfrente bij de Stichting - wordt voor een belangrijk gedeelte door rendementsoverwegingen gedragen; daartegen kan geen bezwaar bestaan.

De Stichting wordt als rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam geregeerd door haar statuten. In deze statuten is sprake van een bestuur, dat bestaat uit één lid of een oneven aantal leden. De facto treden drie bestuursleden op. Weliswaar is aan de oprichter van de Stichting een functie als voorzitter toegedacht en een bepaalde invloed op de benoeming van het bestuur verleend, doch dit neemt niet weg dat het bestuur - niet te vereenzelvigen met belanghebbende - de belangen van de Stichting behartigt en bestuurt conform de stichtingsbrief. Het gaat niet aan om de rechtspersoon met haar organen te vereenzelvigen omdat het orgaan een meervoudige positie jegens die rechtspersoon zou innemen.

Zo al op enigerlei wijze sprake zou zijn van een vereenzelviging van belanghebbende en de Stichting

- quod non - dan nog heeft belanghebbende geen bijzondere feitelijke zeggenschap over het vermogen van de Stichting. Dit vermogen is vooralsnog - per ultimo 1969 - te verwaarlozen en bestaat uit het aanvangskapitaal van de Stichting, te vermeerderen met die revenuen op dit aanvangskapitaal, welke niet noodzakelijk gereserveerd dienen te worden ter dekking van de verplichtingen die de Stichting contractueel op zich heeft genomen. Vervolgens wordt deze zogenaamde feitelijke zeggenschap beheerst door de bepalingen van de stichtingsakte en de Wet en het goede beheer of bestuur, dat de bestuurder van een stichting dient te voeren; een bestuur en beheer, dat in overeenstemming dient te zijn met de doelstelling van de Stichting, welke weliswaar inhoudt de behartiging van de belangen van de familie [X]-[A], doch op die enkele grond niet valt te vereenzelvigen met persoonlijke belangen van belanghebbende.

De bepalingen van de lijfrente-overeenkomsten laten het bestuur van de Stichting geen ruimte tot het genieten van enig persoonlijk voordeel ten laste van de Stichting.

De opbouw en samenstelling van het bestuur van de Stichting moet mede worden gezien als een vorm van zekerheid voor belanghebbende en de lijfrentegenieters, dat de aan het fonds toevertrouwde middelen correct en kundig worden beheerd ter uitbetaling te zijner tijd van de lijfrenten. Belanghebbende contracteert immers met een rechtspersoon - ten behoeve van zijn kinderen - die op geen andere wijze wordt beheerd en gecontroleerd dan door haar bestuursorganen. De keuze van het bestuur is voor alle betrokkenen van belang, waarbij belanghebbende zich in casu het best in staat acht aan die keuze richting te geven.

Belanghebbende houdt staande dat hij wezenlijk een stichting in het leven heeft willen roepen, dat tot op heden het bestuur nog steeds is samengesteld uit twee onafhankelijke personen en belanghebbende, dat dit bestuur geregeld overleg pleegt over de gang van zaken binnen de Stichting, dat alle civielrechtelijke contracten en verplichtingen worden nagekomen en dat ook economisch het vermogen van de Stichting realiter is afgescheiden van dat van belanghebbende. Dit is te meer duidelijk nu belanghebbende tot op heden noch feitelijk noch juridisch de alleen-zeggenschap over de Stichting heeft gevoerd, en zo hij dit in de toekomst zou gaan doen, het vereenzelvigen van stichtingsvermogen en eigen vermogen tot consequenties zou hebben dat slechts in zijn vermogen zal terugvloeien die bedragen waarop hij krachtens de gesloten overeenkomsten aanspraak zou kunnen maken, met name, in het geval van afkoop, 99% van de gestorte premies, vermeerderd met 4% samengestelde interest onder aftrek van de verschuldigde belastingen, waarbij nog wordt opgemerkt dat dat saldo dient te worden belegd ten gunste van de kinderen en dus civielrechtelijk niet terugvloeit in het vermogen van belanghebbende. Dit civielrechtelijke aspect beïnvloedt de realiteit van het geheel; met andere woorden: van simulatie is geen sprake.

De mogelijkheid dat de ten behoeve van de kinderen bedongen lijfrente-uitkeringen vóór de ingangsdatum op bepaalde voorwaarden kunnen worden afgekocht, ontneemt aan de contracten niet het karakter van lijfrenteovereenkomst. De Wet eist voor de aftrekbaarheid van de premie niet, dat ook effectief een lijfrente zal worden uitgekeerd.

dat de Inspecteur zakelijk het volgende heeft gesteld:

Primair: De oprichting van de Stichting is een schijnhandeling. Volgens de akte van oprichting bestaat het bestuur van de Stichting uit één lid of een oneven aantal leden, een en ander door het bestuur te bepalen. Belanghebbende is voor het leven als voorzitter benoemd. Na zijn overlijden heeft zijn echtgenote het recht zich voor het leven als voorzitster te benoemen. De voorzitter heeft het recht eventuele medebestuurders te benoemen, die periodiek - na een jaar - aftreden.

Belanghebbende is derhalve de facto en desgewenst ook de jure de enige en onbeperkte beheer van de Stichting.

Indien de medebestuurders de wensen van belanghebbende niet willen volgen, kan hij zijn wil, zij het met enig uitstel, toch doorzetten. Hij heeft immers het recht om na het jaarlijks aftreden van de onwillige bestuurder, een andere, meer volgzame bestuurder of zelfs in het geheel geen medebestuurders te benoemen, zodat hij in het laatste geval legaal ook rechtens de enige en onbeperkte beheerder van de Stichting is.

Bovendien valt de doelstelling van de Stichting - de behartiging van de belangen van de familie [X]- [A] in de meest ruime zin - volkomen samen met de belangen van belanghebbende zelf; immers het levenspatroon van belanghebbende omvat, naar heersende maatschappelijke opvattingen, ook de behartiging van de belangen van zijn echtgenote en kinderen, die tezamen met belanghebbende de familie [X]-[A] vormen.

Uit de feitelijke en desgewenst ook juridische alleen-zeggenschap over de Stichting en vooral ook uit het samenvallen van het doel van de Stichting met de persoonlijke belangen van belanghebbende volgt, dat belanghebbende wel in de stichtingsakte heeft verklaard een van hem zelf te onderscheiden rechtssubject - de Stichting - in het leven te roepen, maar uit de bepalingen die hij daarbij stelde zelve blijkt dat hetgeen hij aldus heeft verklaard te willen, in werkelijkheid niet wilde.

Derhalve bestaat de Stichting niet en kan er van enige betaling - van lijfrentepremie - aan de Stichting geen sprake zijn; de bezittingen en schulden van de Stichting behoren tot het vermogen van belanghebbende. Subsidiair: De Stichting moet fiscaal genegeerd worden casu quo vereenzelvigd worden met belanghebbende, zodat de bezittingen en schulden van de Stichting fiscaal aan belanghebbende moeten worden toegerekend en de rechtshandelingen tussen stichting en belanghebbende fiscaal moeten worden genegeerd.

Door het oprichten van de Stichting treedt er in de economische realiteit, ook met inachtneming van de civielrechtelijke aspecten, geen verandering in.

Voor de toepassing van de Wet dient derhalve het rechtssubject de Stichting vereenzelvigd te worden met belanghebbende als rechtssubject. Het gevolg hiervan is dat bezittingen, schulden, inkomsten en uitgaven van de Stichting fiscaal aan belanghebbende moeten worden toegerekend en dat rechtshandelingen tussen de Stichting en belanghebbende geen invloed hebben op de heffing van inkomstenbelasting. Derhalve kunnen de aan de Stichting overgemaakte bedragen ad in totaal f 5.000, -- niet als premies voor lijfrente ten laste van het onzuivere inkomen van belanghebbende worden gebracht.

Meer subsidiair: De door belanghebbende geschapen rechtstoestand - Stichting plus lijfrente-overeenkom- sten - is gekunsteld en ongebruikelijk en niet in het leven geroepen om zijn reëele practische betekenis maar om onder het mom van premies voor lijfrenten aftrek te krijgen voor bedragen die in wezen gewone besparingen zijn en waarvan belanghebbende feitelijk de beheers- en beschikkingsmacht blijft behouden, zodat doel en strekking van de Wet zouden worden miskend, indien de aftrek zou worden verleend - fraus legis -. De onderhavige situatie dient derhalve voor de toepassing van de Wet op dezelfde wijze te worden beoordeeld als de situatie waarin belanghebbende geen stichting had opgericht en de aan de Stichting afgedragen premies dus tot zijn vermogen waren blijven behoren.

Nog meer subsidiair: De in het geding zijnde premies missen het karakter van premies voor lijfrenten. Doordat het recht op afkoop vóór ingang van de uitkeringen is bedongen - artikel 2, letter b, van de desbetreffende contracten - staat niet vast dat de premie geheel of gedeeltelijk een contraprestatie is voor door de Stichting verschuldigde lijfrenten.

Het blijft economisch om het even, of belanghebbende het vermogen dat nodig is om zijn toezegging aan de kinderen te zijner tijd te honoreren, opbouwt op eigen naam dan wel op naam van de Stichting via zogenaamde premiebetaling.

In feite verzekert belanghebbende zich niet; hij beoogt enkel voor wat in werkelijkheid besparingen zijn, aftrek te krijgen als waren het lijfrentepremies. Het draagvlak van de Stichting is te gering om zonder een risicoverzekering nakoming van de contracten te garanderen. Met deze contracten plus een risicoverzekering van de Stichting is belanghebbende precies zover als wanneer hij jaarlijks het premiebedrag zou sparen en daarnaast een risicoverzekering zou sluiten. De conclusie is dan ook dat de contracten als niet ernstig gemeend zijn te beschouwen.

Volgens de contracten eindigt de premiebetaling ook bij het overlijden van belanghebbende. Aangenomen kan dan ook worden dat in de actuariële berekening van de premie de kans is verdisconteerd dat de premie niet over de volle tien jaar - dat maximaal premie is verschuldigd - wordt betaald. Het is duidelijk dat de Stichting niet aan haar verplichtingen kan voldoen, indien niet nagenoeg de volle tien jaar premie wordt betaald, zulks wegens gebrek aan spreiding van het risico en gebrek aan reserves. Dit zou voorkomen kunnen worden, indien de Stichting een risicoverzekering sluit, waarvan de premies zouden kunnen worden betaald uit de door haar van belanghebbende ontvangen premies.

Belanghebbende heeft echter zelf een risicoverzekering gesloten, waarbij het Bestuur van de Stichting als begunstigde is aangewezen. Belanghebbende betaalt dus tweemaal het risico van vóóroverlijden met betrekking tot de premiebetaling. Bovendien is het wel een zeer vreemde zaak, dat de verzekeringnemer door het sluiten van een risicoverzekering bij een derde zijn verzekeraar - de Stichting - in staat moet stellen aan zijn verplichtingen te voldoen.

Ervan uitgaande dat de volledige premiebetaling voor de Stichting is gegarandeerd - via de door belanghebbende bij een levensverzekeringmaatschappij gesloten risicoverzekering - dan is het toch zo, dat in de grootte van de actuarieel berekende uitkeringen de kans is verdisconteerd dat ten gevolge van vóóroverlijden aan de begunstigden niet alle uitkeringen behoeven te worden uitbetaald. Blijven echter alle begunstigden in leven, dan heeft de Stichting een strop. Men kan nu wel stellen dat de Stichting dan toch aan haar verplichtingen kan voldoen, omdat zij in werkelijkheid een hogere rente zal ontvangen dan de in de uitkeringen verdisconteerde rekenrente, maar dat dit ook inderdaad gedurende een periode van 15 à 20 jaren het geval zal zijn, is niet met enige zekerheid te voorspellen;

bovendien zijn ook als het beheer goed is, koersverliezen op beleggingen niet bij voorbaat uitgesloten.

Het is daarom duidelijk dat men met een werkelijke derde, die in dezelfde financiële positie verkeert als de Stichting, de onderhavige contracten niet zou willen aangaan, uit hoofde van het daarmee verbonden risico.

Verder is het dubieus of hier niet sprake is van misbruik van het instituut van de stichting, gelet op artikel 3, eerste lid, van de Wet op stichtingen; ";

Overwegende dat het Hof heeft overwogen in rechte:

"dat het Hof op grond van hetgeen hiervoor onder de vaststaande feiten is vermeld nopens de in de stichtingsakte van 16 juli 1968 opgenomen regeling be- treffende het bestuur van de Stichting, de mogelijkheid van statutenwijziging en de ontbinding van de Stichting, oordeelt dat belanghebbende en zijn echtgenote in die akte wel verklaren uit hun vermogen te hebben afgezonderd een bedrag van f 100, -- , waarmede zij bij deze een stichting in het leven roepen, maar dit slechts schijn is en zij in werkelijkheid nimmer een van hen te onderscheiden rechtssubject, de stichting - met een eigen vermogen - wilden;

dat zulks ook wordt bevestigd door de onderhavige vier lijfrente-overeenkomsten tussen belanghebbende en de Stichting, in samenhang met de door belanghebbende bij een levensverzekeringmaatschappij afgesloten risicoverzekering, aangezien toch anders onverklaarbaar is, dat belanghebbende een verzekering sluit ten einde de Stichting in staat te stellen aan de voor haar uit de overeenkomst voortspruitende verplichtingen te voldoen;

dat derhalve de Stichting niet is tot stand gekomen, zodat in werkelijkheid aan haar geen bedragen zijn betaald en reeds daarom met betrekking tot het litigieuze bedrag van f 5.000, -- van een als persoonlijke verplichtingen aftrekbare lijfrentepremie geen sprake kan zijn;";

Overwegende dat het Hof op deze gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd;

Overwegende dat belanghebbende als middel van cassatie stelt:

"Schending van het recht, met name van artikel 45 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, artikel 3 van de Wet op Stichtingen en artikel 1374 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede verzuim van vormen, bij de wet op straffe van nietigheid voorgeschreven, doordat het Hof in zijn uitspraak op de daarbij vermelde gronden heeft beslist, dat de Stichting Familie [X]- [A], gevestigd te [Z], welke Stichting door belanghebbende, tezamen met zijn echtgenote, mevrouw [A] is opgericht bij notariële akte van 16 juli 1968, niet is tot stand gekomen, zodat in werkelijkheid aan haar geen bedragen zijn betaald en reeds daarom met betrekking tot het litigieuze bedrag van f 5.000, -- van een als persoonlijke verplichting aftrekbare lijfrentepremie geen sprake kan zijn, zulks echter ten onrechte aangezien in artikel 3 van de Wet op Stichtingen de vereiste van afzondering van vermogen voor het in het leven roepen van een stichting niet wordt gesteld, zodat de stichting als zodanig bestaat, totdat zij door een rechterlijke uitspraak of uit anderen hoofde is ontbonden;";

Overwegende dat belanghebbende ter toelichting van dit middel aanvoert:

"Bij notariële akte van 16 juli 1968, waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort, heeft belanghebbende tezamen met zijn echtgenote opgericht een stichting, genaamd: [B], gevestigd te [Z], met een aanvangskapitaal van f 100, -- , met als doel: de behartiging van de belangen van de familie [X]-[A]. In de statuten is voorts bepaald, dat het bestuur bestaat uit een lid of een oneven aantal leden, een en ander door het bestuur te bepalen.

Voor de eerste maal werden als leden van het bestuur aangewezen: belanghebbende; [C], wonende te [Q] en [D], wonende te [R].

Tevens werd de wijze van benoeming van nieuwe bestuursleden geregeld.

In 1968 heeft belanghebbende met bedoelde stichting vier lijfrente-overeenkomsten afgesloten, welke in fotocopie eveneens tot de gedingstukken behoren. Bij deze overeenkomsten - welke door het Hof in zijn uitspraak ten onrechte als overeenkomsten van levensverzekering worden gekwalificeerd - bedong belanghebbende ten laste van bedoelde stichting vier lijfrenten op het leven van elk van zijn minderjarige kinderen, zulks tegen betaling door belanghebbende van jaarlijks premiën, bedragen tezamen f 5.000, --.

Het bedrag dat belanghebbende in 1969 heeft betaald als premie van lijfrenten, heeft hij bij zijn aangifte voor de inkomstenbelasting over dat jaar als persoonlijke verplichting in mindering gebracht op zijn onzuiver inkomen. De Inspecteur heeft bij de regeling van de aanslag, alsmede bij zijn uitspraak op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen deze aanslag, de gevraagde aftrek geweigerd.

In beroep heeft de Inspecteur zijn weigering van de gevraagde aftrek primair verdedigd met de stelling: de oprichting van de stichting is een schijnhandeling. Deze stelling baseert hij op de feitelijke en desgewenst ook juridische alleen-zeggenschap van belanghebbende over de stichting, alsmede op het samenvallen van het doel van de stichting met de persoonlijke belangen van belanghebbende.

Uit deze omstandigheden zou blijken, volgens de stellingen van de Inspecteur, dat belanghebbende datgene, wat hij verklaard heeft te willen, te weten het in leven roepen van een aparte rechtspersoon, in werkelijkheid niet heeft gewild.

Belanghebbende ontkent, dat uit de door het Hof als vaststaande vermelde feiten, de door de Inspecteur en het Hof voorgestane conclusie, te weten de non-existentie van de beoogde stichting, kan worden getrokken.

Belanghebbende wil er in dit verband op wijzen, dat tijdens de vigeur zowel van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, alsmede van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 in Nederland vele naamloze vennootschappen zijn opgericht, waarbij de qualiteiten van oprichter, enig aandeelhouder en enig bestuurder in een persoon waren verenigd, zulks overeenkomstig de bedoelingen van de betreffende persoon vóór en bij de oprichting.

Het rechtsgeldig bestaan van dergelijke éénmansvennootschappen is op deze grond nimmer in rechte omstreden. Zowel naar fiscaal als naar burgerlijk recht is in een dergelijke situatie steeds het bestaan van een afzonderlijke rechtspersoon aanvaard, die eigen rechten en verplichtingen kon bezitten zowel tegenover derden als tegenover de oprichter-bestuurder-enig aandeelhouder. Een schijnhandeling heeft men in de oprichting van een dergelijke vennootschap nimmer gezien en blijkbaar ook niet willen zien.

Belanghebbende mag dan ook aannemen, dat een door hem, tezamen met zijn echtgenote opgerichte naamloze vennootschap, ten doel hebbend het afsluiten van lijfrente-overeenkomsten, niet als een schijnhandeling zou zijn aangemerkt. Hij voelt het dan ook als een ongemotiveerde discriminatie ten nadele van de stichtingsvorm, dat het Hof in zijn bestreden uitspraak op grond van de door het Hof daarvoor aangevoerde gronden de oprichting van [B] als een schijnhandeling aanmerkt, welke de nietigheid van de stichting zou meebrengen.

Belanghebbende acht deze beslissing van het Hof bovendien in strijd met de tekst en de opzet van de Wet op Stichtingen. Het bestaan van een stichting als rechtspersoon wordt ingevolge artikel 3, lid 4, van genoemde wet uitsluitend afhankelijk gesteld van de omstandigheid dat is voldaan aan de in lid 3 van artikel 3 gestelde eisen. Artikel 2 van genoemde wet verklaart een verboden stichting nietig. Overigens kunnen gebreken hetzij in de oprichtingshandeling, hetzij in de structuur van de stichting slechts aanleiding geven tot ontbinding van de stichting, ofwel tot haar omzetting in een andere rechtsvorm. Het zou met deze opzet in strijd zijn indien wilsgebreken, klevend aan de rechtshandeling van de oprichting, tot de nietigheid van de stichting als rechtspersoon zouden kunnen leiden. Noch de regeling van het bestuur van de stichting, noch de mogelijkheid van statutenwijziging en de ontbinding van de stichting vermogen de verklaring van belanghebbende en van zijn echtgenote, zoals deze zijn vastgelegd in de notariële akte van 16 juli 1968, verleden voor notaris Jozef Antoon Ferdinand van de Venne, notaris ter standplaats [Z], teniet te doen, dat zij ""bij deze een Stichting in het leven roepen"".

Belanghebbende is daarom van oordeel, dat het Hof te 's-Hertogenbosch in zijn bestreden uitspraak ten gevolge van een onjuist juridisch standpunt tot de stelling is gekomen, dat de meergenoemde stichting niet is tot stand gekomen en dat deze conclusie dan ook onmogelijk uit de daarvoor aangevoerde gronden kan worden getrokken.

De overweging van het Hof, dat belanghebbende en zijn echtgenote nimmer een stichting - met een eigen vermogen - hebben gewild, acht belanghebbende bovendien onverenigbaar met de voorlaatste overweging van het Hof, te weten dat belanghebbende een risicoverzekering heeft gesloten ten einde de stichting in staat te stellen aan de voor haar uit de gesloten lijfrente-overeenkomsten voortspruitende verplichtingen te voldoen.

Voorts heeft het Hof ten onrechte beslist, dat belanghebbende in werkelijkheid geen bedragen aan de stichting zou hebben betaald, zodat er van een aftrek als persoonlijke verplichting van de betaalde lijfrente- premie geen sprake zou kunnen zijn;";

Overwegende hieromtrent:

dat belanghebbende ten onrechte ervan uitgaat, dat het Hof zou hebben beslist, dat de stichting, welke belanghebbende en zijn echtgenote in het leven hebben willen roepen, geen rechtsgeldig bestaan heeft verkregen wijl zij niet voldeed aan het vereiste van afzondering van vermogen;

dat de beslissing van het Hof immers inhoudt, dat belanghebbende en zijn echtgenote wel in de stichtingsakte van 16 juli 1968 hebben verklaard uit hun vermogen te hebben afgezonderd een bedrag van f 100, -- , waarmede zij bij deze een stichting in het leven roepen, maar dat uit hetgeen in de uitspraak van het Hof onder de vaststaande feiten is vermeld nopens de in voormelde stichtingsakte opgenomen regeling betreffende het bestuur van de stichting, de mogelijkheid van statutenwijziging en de ontbinding van de stichting blijkt, dat het in het leven roepen van deze stichting slechts schijn is en dat belanghebbende en zijn echtgenote in werkelijkheid nimmer een van hen te onderscheiden rechtssubject, de stichting - met een eigen vermogen - wilden; dat dit oordeel van het Hof is van feitelijke aard en niet in cassatie op zijn juistheid kan worden getoetst;

dat derhalve het litigieuze bedrag van f 5.000, -- niet kan worden aangemerkt als premie voor lijfrente als bedoeld in artikel 45, lid 1, aanhef en letter d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zodat het Hof, door de aftrek niet toe te staan, een juiste beslissing heeft gegeven;

Verwerpt het beroep.

Gedaan bij de Heren Van der Loos, Vice-President, Eijssen, Polak, Telders en Köster, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de zeventiende oktober 1900 drie en zeventig, in tegenwoordigheid van de Griffier Reyers.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl BNB 1974/21
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?