20 november 1974.
Nr. 17.420
Jb .
De Hoge Raad der Nederlanden,
Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 januari 1974 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1971;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit de bestreden uitspraak en uit de stukken van het geding blijkt:
dat belanghebbende, aan wie voor het jaar 1971 een aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 90.448, -- , tegen de aanslag bezwaar heeft gemaakt bij de Inspecteur, die de aanslag bij zijn uitspraak op het bezwaarschrift heeft gehandhaafd; dat belanghebbende van deze uitspraak in beroep is gekomen bij het Gerechtshof;
dat het Hof in de thans bestreden uitspraak vermeldt, dat de navolgende feiten op grond van de processtukken en de mondelinge behandeling als onbetwist of onvoldoende weersproken vaststaan:
"Bij notariële akte van 27 december 1971 is - door [A] - een stichting opgericht, blijkens artikel 1 van de statuten genaamd "[B]", en gevestigd te [Z]. De statuten van deze. Stichting luiden verder als volgt:
""Artikel 2.
De Stichting heeft ten doel de behartiging van de belangen van [X], geboren te [Q] op [geboortedatum] negentienhonderd negentien, en [C], geboren te [R] op [geboortedatum] negentienhonderd drie en twintig, echtgenoten, beiden ten tijde van de oprichting van de Stichting wonende te [Z], [a-straat 1] en hun afstammelingen in de rechte nederdalende linie, door het verlenen van materiële steun voor studie, opleiding of beroep en/of het verwerven van een levenspositie en/ of het verlenen van aanvullende oudedagsvoorzieningen of bijstand. De Stichting beoogt niet het maken van winst.
Vermogen.
Artikel 3.
Het vermogen der Stichting bestaat uit haar oprichtingskapitaal, inkomsten, opbrengsten en andere baten. Bestuur.
Artikel 4.
1. Het bestuur van de Stichting bestaat uit een door het bestuur te bepalen oneven aantal, doch tenminste drie leden, die uit hun midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester kiezen.
2. De penningmeester beheert de geldmiddelen der Stichting; overigens verdelen de bestuursleden onderling hun werkzaamheden.
3. Een bestuurslid defungeert door ontslag, bedanken of overlijden, indien hij onder curatele wordt gesteld, in een inrichting voor geestelijk gestoorden wordt geplaatst en voorts in het algemeen indien hij het vrije beheer over zijn vermogen verliest.
Jaarlijks in de maand januari treedt een van de bestuursleden volgens een door het bestuur op te maken rooster af, doch deze is steeds herbenoembaar.
Een periodiek aftredend bestuurslid blijft echter in functie tot in zijn opvolging is voorzien.
Een tussentijds benoemd bestuurslid neemt op het rooster van aftreding de plaats in van degene in wiens plaats hij is benoemd.
4. De bestuursleden worden benoemd en ontslagen door het bestuur met een meerderheid van twee/derde van het aantal geldig uitgebrachte stemmen in een vergadering, waarin tenminste twee/derde van het aantal bestuursleden aanwezig is.
5. Indien het aantal bestuursleden beneden het in dit artikel bedoelde aantal bestuursleden mocht dalen, berust het gehele bestuur van de Stichting bij het (de) overige bestuurslid (bestuursleden), onder verplichting om binnen zes maanden in de ontstane vacature(s) te voorzien.
6. Indien binnen de gestelde termijn geen voorziening in de vacature(s) heeft plaatsgevonden, zal zulks geschieden door de Kantonrechter te 's-Gravenhage op verzoek van de meest gerede partij onverminderd de bevoegdheid van het openbaar ministerie zodanige benoeming te vorderen.
7. Tot uitbreiding van het aantal bestuursleden kan slechts worden besloten met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle bestuursleden aanwezig zijn.
8. Een besluit tot benoeming of ontslag van een bestuurslid behoeft gedurende het leven van de heer en/of mevrouw [X], voornoemd, om van kracht te zijn de goedkeuring van [X], voornoemde, of bij diens belet of ontstentenis van [C], voornoemd.
9. Bestuursleden ontvangen voor door hen als zodanig verrichte werkzaamheden geen beloning.
Artikel 5.
1. Bestuursvergaderingen kunnen door elk lid van het bestuur worden bijeengeroepen. De vergaderingen worden gehouden in Nederland.
2. Met inachtneming van deze statuten worden de wijze van oproeping en voor de oproeping vereiste termijn vastgesteld door het bestuur.
3. Voor het nemen van rechtsgeldige besluiten moet tenminste twee/derde van het aantal bestuursleden ter vergadering aanwezig zijn, voor zover in deze statuten niet anders bepaald.
4. Besluiten worden, voor zover elders in de statuten niet anders vermeld, genomen bij gewone meerderheid van stemmen. Bij staken van stemmen wordt het betreffende voorstel geacht te zijn verworpen.
5. Een bestuurslid kan, ingeval van verhindering een vergadering bij te wonen, zijn stem schriftelijk uitbrengen aan het bestuur. Voor de toepassing van de statuten wordt in een dergelijk geval het betrokken bestuurslid als aanwezig bestuurslid aangemerkt, met dien verstande echter dat in ieder geval tenminste twee/derde van het aantal bestuursleden tegelijk aanwezig dient te zijn.
6. Ieder bestuurslid heeft recht op het uitbrengen van één stem.
Vertegenwoordiging.
Artikel 6.
1. De voorzitter vertegenwoordigt de Stichting in en buiten rechte.
2. Bij belet of ontstentenis van de voorzitter treden twee door het bestuur aan te wijzen bestuursleden in zijn plaats op.
Boekjaar.
Artikel 7. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Het eerste boekjaar loopt vanaf heden tot en met een en dertig december negentienhonderd twee en zeventig.
Verslaggeving.
Artikel 8.
1. Voor één juni van elk jaar wordt een vergadering gehouden, waarin de secretaris verslag uitbrengt van de werkzaamheden in het afgelopen jaar en de penningmeester rekening en verantwoording aflegt over het door hem in het afgelopen boekjaar gevoerde financiële beheer.
2. De op de rekening en verantwoording betrekking hebbende bescheiden worden voor één april van ieder jaar door de penningmeester aan zijn mede-bestuursleden toegezonden.
3. Goedkeuring van deze stukken door het bestuur déchargeert de penningmeester voor het door hem gevoerde beheer zoals dat uit die stukken blijkt.
4 . De balans en de winst- en verliesrekening dienen vergezeld te gaan van een verklaring van een door het bestuur aangewezen deskundige omtrent de controle van die stukken.
Huishoudelijk reglement.
Artikel 9.
1. Het bestuur kan een huishoudelijk reglement vaststellen, waarin alles wordt geregeld, wat nadere regeling behoeft.
2. De bepalingen van het huishoudelijk reglement mogen niet in strijd zijn met de statuten.
Statutenwijziging en opheffing van de stichting.
Artikel 10.
1. Besluiten tot wijziging van de statuten of opheffing van de stichting kunnen slechts worden genomen met algemene stemmen in een speciaal daartoe bijeengeroepen vergadering, waarin alle bestuursleden aanwezig zijn.
Het bepaalde in artikel 5, lid 5, is te dezen niet van toepassing. Bovendien behoeft - onverminderd het in lid 3 van dit artikel bepaalde - gedurende het leven van de heer en/of mevrouw [X], voornoemd, een besluit tot wijziging van de statuten en een besluit tot opheffing van de Stichting om van kracht te zijn de schriftelijke goedkeuring van [X], voornoemd, of bij diens belet of ontstentenis van mevrouw [C], voornoemd.
2. Bij de oproep tot een dergelijke vergadering, welke schriftelijk behoort te geschieden, dient een oproepingstermijn in acht te worden genomen van tenminste een en twintig dagen, terwijl in geval van een voorstel tot statutenwijziging de tekst van de wijziging in de oproep dient te worden vermeld.
3. Een besluit tot wijziging van de artikelen 2 en 11 en van dit artikel behoeven om van kracht te zijn de schriftelijk goedkeuring door of vanwege de Minister van Financiën.
Liquidatie.
Artikel 11.
1. Bij opheffing der Stichting is de voorzitter van het bestuur met inachtneming van deze statuten met de liquidatie belast.
2. Een eventueel batig saldo zal worden aangewend voor een doel in Nederland, zoveel mogelijk overeenkomende met dat van de Stichting.
Slotbepaling.
Artikel 12.
In alle gevallen, waarin deze statuten of het huishoudelijk reglement niet voorzien, beslist het bestuur.
Ten slotte verklaarde de comparant, dat in afwijking van artikel 4, wat de wijze van benoeming betreft, voor de eerste maal tot bestuursleden worden benoemd:
1. [A], voornoemd, als voorzitter van het bestuur;
2. [D], verfdeskundige, wonende te [S], [b-straat 1], geboren op [geboortedatum] negentienhonderd veertien, als secretaris van het bestuur;
3. [E], accountant, wonende te [T], [c-straat 1], geboren op [geboortedatum] negentienhonderd zes, als penningmeester van het bestuur "".
Bij onderhandse akte van 27 december 1971 is voorts tussen belanghebbende enerzijds en de stichting anderzijds een overeenkomst gesloten, waarvan de inhoud, voor zover te dezen van belang, als volgt luidt: overwegende :
dat de Stichting ten doel heeft de behartiging van de belangen van de Familie [X];
dat [X] zijn bestaande oudedags- en weduwenvoorzieningen voor zich, zijn echtgenote en eventueel zijn kinderen wenst uit te breiden en aan te passen aan de zich steeds wijzigende maatschappelijke opvattingen rond oudedagsvoorzieningen enerzijds en voortdurende inflatie anderzijds;
verklaren te zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1.
Partijen sluiten een overeenkomst van lijfrente, krachtens welke de Stichting zich verplicht te zullen voldoen een lijfrente per jaar ad vierhonderd acht gulden (f 408, --) aan de begunstigden, vervallende in kwartaaltermijnen op de eerste dag van ieder kwartaal, voor het eerst op de eerste dag van het kwartaal volgende op het bereiken van de acht en vijftig jarige leeftijd van [X], mits de begunstigde(n) de vervaldatum beleeft (beleven) en eindigende bij het overlijden van de begunstigde(n) en welke lijfrente bij deze door de begunstigde onherroepelijk wordt aanvaard, tegen betaling per de ondertekening van deze akte van een premie ineens ad vijfduizend gulden (f 5.000, -- ).
Artikel 2.
De Stichting verplicht zich de uit te keren lijfrente te zullen voldoen in kwartaal-termijnen bij vooruitbetaling, op de eerste dag van ieder kwartaal, voor het eerst op de dag volgende op het moment waarop het recht op de uitkering ontstaat.
Artikel 3.
De begunstigden zijn, respectievelijk de begunstiging luidt:
a) ingeval van overlijden van [X] voor het bereiken van de acht en vijftig jarige leeftijd, verbindt de Stichting zich aan een lijfrente ad vierhonderd acht gulden per jaar te zullen betalen aan mevrouw [X], geboren op [geboortedatum] negentienhonderd drie en twintig gedurende haar leven en mitsdien eindigende bij haar overlijden en ingaande per de eerste dag van het kwartaal volgende op het moment waarop [X] de acht en vijftig jarige leeftijd zou hebben bereikt;
b) ingeval [X] op zijn acht en vijftigste jaar in leven mocht zijn, verbindt de Stichting zich hem en na zijn overlijden zijn echtgenote mevrouw [X] voornoemd, zo die alsdan nog in leven mocht zijn, een lijfrente te betalen ad vierhonderd acht gulden per jaar en eindigende aldus bij het overlijden van de langstlevende van de heer en mevrouw [X];
c) ingeval de heer en mevrouw [X] op het moment waarop [X] acht en vijftig jaar zou zijn geworden beiden zijn voor-overleden verbindt de Stichting zich een lijfrente te betalen ad éénhonderd twee gulden per jaar aan elk van de uit hun huwelijk geboren kinderen tot het moment waarop zij vijf en twintig jaar zijn geworden, een en ander voor zover de financiële middelen van de Stichting toereikend zijn.
Artikel 4.
De Stichting is gerechtigd en verbindt zich de hiervoor genoemde lijfrente-uitkering te verhogen bij wijze van winstdeling ten gunste van de lijfrente-genieter(s) indien de met de gestorte premies behaalde beleggingsresultaten of het vermogen van de Stichting daartoe ruimte bieden, waarbij rekening kan worden gehouden met de omstandigheid, dat de Stichting geen winst beoogt te maken.
De mate van verhoging wordt uitsluitend bepaald door het bestuur van de Stichting.
Artikel 5.
De rechten uit deze overeenkomst zijn niet voor beslag of inpandgeving vatbaar, Het is ook overigens de bedoeling van partijen, dat deze overeenkomst een overeenkomst van lijfrente is, als bedoeld in artikel 45, lid 1, sub d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Indien derhalve de Inspecteur der Belastingen casu quo de hoogste rechter der belastingzaken van oordeel mocht zijn, dat deze overeenkomst op bepaalde punten wijzigingen behoeft, dan zijn deze wijzigingen vanaf het moment van het sluiten van deze overeenkomst een onderdeel van deze overeenkomst"".
Het beginkapitaal van de stichting bedraagt f 100, --. Nadien zijn op grond van voormelde overeenkomst in de jaren 1971, 1972 en 1973 stortingen gedaan van telkens f 5.000, -- , welke rentegevend zijn belegd. De in artikel 12 van de stichtingsakte genoemde bestuursleden - van wie [A], tevens als oprichter van de stichting fungeerde - zijn kennissen van belanghebbende.";
dat het Hof het punt van geschil als volgt heeft omschreven:
"Nadat het op 27 december 1971 door belanghebbende aan de stichting betaalde bedrag van f 5.000, -- door hem in zijn aangifte als een aftrekbare gift in de zin van artikel 47 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (verder te noemen: de Wet) is opgenomen - hetgeen door de Inspecteur niet werd aanvaard - heeft belanghebbende zich bij bezwaar en beroep op het standpunt gesteld dat dit bedrag van f 5.000, -- dient te worden aangemerkt als een koopsom voor een lijfrente, welke op grond van artikel 45, lid 1, letter d, van de Wet als een persoonlijke verplichting in mindering op het onzuiver inkomen dient te worden gebracht. De Inspecteur kan zich met deze opvatting niet verenigen.";
dat het Hof vermeldt dat de Inspecteur heeft aangevoerd :
"Het bestaan van de stichting wordt niet ontkend, doch belanghebbende heeft daarin de volledige beschikkingsmacht behouden. De door hem met de stichting gesloten overeenkomst is dan ook in werkelijkheid geen overeenkomst van lijfrente, doch heeft ten doel om onder de naam van lijfrente-premie voor hem zelf in de stichting te sparen. Met de aldus gespaarde gelden kan belanghebbende in feite doen wat hij wil. Bovendien loopt de stichting geen reëel risico, daar zij niet meer kan uitkeren dan door haar wordt ontvangen, vermeerderd met de gekweekte rente.
Dat belanghebbende in wezen de beschikkingsmacht in de stichting heeft en de bestuursleden niet meer dan stromannen zijn, blijkt onder meer hieruit, dat besluiten tot benoeming en ontslag van bestuursleden de goedkeuring van belanghebbende casu quo zijn echtgenote behoeven (artikel 4, lid 8). Dit geldt eveneens voor besluiten tot wijziging van de statuten en opheffing van de stichting (artikel 10, lid 1). Zoals uit de doelstelling blijkt, is de stichting uitsluitend opgericht ter behartiging van de belangen van belanghebbende, zijn echtgenote en zijn kinderen.";
dat belanghebbende blijkens de uitspraak heeft aangevoerd :
"Zowel de stichting als de door belanghebbende met de stichting gesloten lijfrente-overeenkomst zijn reëel. Onjuist is dat belanghebbende in de stichting de beschikkingsmacht heeft. De bestuursleden zijn weliswaar kennissen van belanghebbende, doch zij staan niet in familie- of dienstverhouding tot hem en kunnen zelfstandig beslissingen nemen, in het bijzonder omtrent de belegging van gelden. Zij hebben ook de bevoegdheid bestuursleden te benoemen en te ontslaan en kunnen besluiten tot statutenwijziging of liquidatie, zij het dat voor al deze besluiten - bij hun leven - de goedkeuring van belanghebbende of zijn echtgenote vereist is. Zij kunnen echter niet door belanghebbende ontslagen worden.
De door belanghebbende met de stichting gesloten overeenkomst is een reële lijfrente-overeenkomst; de stichting loopt wel degelijk risico en de gestorte, casu quo alsnog te storten koopsommen, vermeerderd met rente - gebaseerd op een rekenrente van 44% - zijn voldoende ter dekking van haar verplichtingen.
Voor het geval geoordeeld moet worden dat voormelde overeenkomst niet kan worden aangemerkt als een overeenkomst van lijfrente, als bedoeld in artikel 45, lid 1, letter d, van de Wet en dat de overeenkomst, om wel als zodanig te worden beschouwd, op bepaalde punten wijziging behoeft, bepaalt artikel 5 dat deze wijzigingen dan vanaf het moment van het sluiten van de overeenkomst een onderdeel van deze overeenkomst vormen.";
dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:
dat de door [A] - kennelijk op verzoek van belanghebbende - in het leven geroepen stichting ten doel heeft de behartiging van de belangen van belanghebbende, zijn echtgenote en hun afstammelingen in de rechte nederdalende linie; dat belanghebbende op de dag van oprichting der stichting met deze een overeenkomst heeft gesloten, waarbij de stichting zich verplichtte om als tegenprestatie tegen de betaling door belanghebbende van een bedrag van f 5.000, -- te zullen voldoen een - op 1 april 1977 ingaande - lijfrente aan belanghebbende, casu quo zijn echtgenote, respectievelijk zijn kinderen, tot bedragen en op de wijze als in de - onder de feiten geciteerde - overeenkomst is omschreven;
dat bij de oprichting der stichting tot haar bestuursleden zijn benoemd een drietal kennissen van belanghebbende - waaronder de oprichter -, die voor de door hen als zodanig te verrichten werkzaamheden geen beloning genieten; dat blijkens de statuten voor besluiten tot benoeming en ontslag van bestuurders, alsmede tot wijziging van de statuten en opheffing van de stichting de goedkeuring van belanghebbende of, bij diens belet of ontstentenis, van diens echtgenote vereist is; dat bij opheffing der stichting een eventueel batig saldo zal worden aangewend voor een doel in Nederland, zoveel mogelijk overeenkomende met dat van de stichting;
dat het Hof uit het samenstel van deze bepalingen waaruit onder meer blijkt dat in de stichting geen aan belanghebbende onwelgevallige bestuursleden kunnen worden benoemd, tezamen met het feit, dat de bij de oprichting benoemde bestuursleden kennissen van belanghebbende zijn, die bereid blijken hun werkzaamheden ongehonoreerd te verrichten en die geen enkel reëel belang hebben de hun door belanghebbende te verstrekken aanwijzingen niet uit te voeren, alsmede dat de stichting uitsluitend de behartiging van de belangen van belanghebbende en zijn naaste familie ten doel heeft, tot de overtuiging is gekomen dat belanghebbende in feite de macht in de stichting heeft; dat hieruit voortvloeit dat het geheel van de bepalingen van de statuten en van de door belanghebbende met de stichting gesloten overeenkomst niet in voldoende mate waarborgt, dat lijfrenten aan belanghebbende of zijn echtgenote zullen worden uitgekeerd in de gevallen waarin daarop recht zou bestaan; dat het bij de aanwezige verhoudingen in werkelijkheid van de wil van belanghebbende en na diens overlijden, van de wil van zijn echtgenote, afhankelijk zal zijn of uitkeringen van lijfrente-termijnen of afkoopsommen zullen geschieden;
dat onder deze omstandigheden het door belanghebbende aan de stichting betaalde bedrag van f 5.000, -- niet kan worden aangemerkt als een premie voor lijfrente als bedoeld in artikel 45, lid 1, letter d, van de Wet; dat derhalve het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond is; ";
dat het Hof op deze gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd;
Overwegende dat belanghebbende tegen 's Hofs uitspraak de volgende middelen van cassatie aanvoert:
"schending van artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, daar de overwegingen in strijd zijn met de vastgestelde feiten;
subsidiair
a. schending van artikel 45, lid 1, letter d, in verband met artikel 25, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, daar aftrek van de koopsom als persoonlijke verplichting geweigerd is terwijl vaststond dat voor de koopsom aanspraken op een of meer jaarlijkse uitkeringen verkregen werden,
b. schending van artikel 25, lid 5, in verband met artikel 32, lid 1, en artikel 57, lid 1, letter e, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, daar aan de mogelijkheid tot afkoop een consequentie is verbonden, die anders is dan de consequentie van afkoop,
c. schending van artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken door het tussen partijen in artikel 5 der lijfrente-overeenkomst vastgelegde zonder motivering niet in aanmerking te nemen.";
Overwegende dat ter toelichting is aangevoerd:
"Ad strijdigheid van de overwegingen met de vastgestelde feiten. Het Gerechtshof overweegt, ""dat het Hof uit het samenstel van deze bepalingen .... tot de overtuiging is gekomen dat belanghebbende in feite de macht in de Stichting heeft"", hetgeen in strijd is met onder meer de navolgende bepalingen van de statuten van de stichting:
bestuursleden worden benoemd en ontslagen door het bestuur (artikel 4, lid 4), zodat een onwelgevallig geworden bestuurslid niet door belanghebbende ontslagen kan worden;
bij ontbreken van overeenstemming over een benoeming geschiedt deze door de Kantonrechter (artikel 4, lid 6);
besluiten tot statutenwijziging of opheffing kunnen slechts genomen worden met algemene stemmen als alle bestuursleden aanwezig zijn (artikel 10, lid 1);
bepaalde statutenwijzigingen behoeven goedkeuring door of vanwege de Minister van Financiën (artikel 10, lid 3) ;
en met de lijfrente-overeenkomst, waarin de aanspraken niet vatbaar voor inpandgeving verklaard zijn
(artikel 5) en de heer Inspecteur casu quo de belastingrechter de bevoegdheid gegeven is de overeenkomst te wijzigen (artikel 5).
Ad schending van artikel 45, lid 1, letter d en artikel 25, lid 2.
Artikel 45, lid 1, letter d, stelt premies voor lijfrentes aftrekbaar en artikel 25, lid 2, omschrijft lijfrentes als aanspraken op een of meer uitkeringen. Het bestaan van de stichting werd niet betwist, terwijl het Gerechtshof overweegt, dat een koopsom is gestort en dat door de stichting aanspraken op uitkeringen verleend zijn. Daar de overeenkomst een is als omschreven in artikel 25, lid 2, is de betaalde koopsom een premie als bedoeld in artikel 45, lid 1, letter d.
Ad schending van artikel 25, en artikel 32, lid 1, en artikel 57, lid 1,letter e. Deze artikelen regelen de omzetting van aanspraken op lijfrente-termijnen in andere aanspraken of afkoopsommen.
De mogelijkheid van afkoop van aanspraken is door de wetgever voorzien en de gevolgen van afkoop zijn geregeld; onder deze gevolgen komt het verlies van de aftrekbaarheid van de premie niet voor. Als aan afkoop het verlies van aftrekbaarheid van de premie niet door de wetgever verbonden is, kan het evenmin verbonden worden aan een hypothetische mogelijkheid tot afkoop.
Ad schending van artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en artikel 5 lijfrente- overeenkomst.
Artikel 5 van de overeenkomst luidt:
""De rechten uit deze overeenkomst zijn niet voor beslag of inpandgeving vatbaar. Het is ook overigens de bedoeling van partijen, dat deze overeenkomst een overeenkomst van lijfrente is, als bedoeld in artikel 45, lid 1, sub d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Indien derhalve de Inspecteur der Belastingen casu quo de hoogste rechter der belastingzaken van oordeel mocht zijn, dat deze overeenkomst op bepaalde punten wijziging behoeft, dan zijn deze wijzigingen vanaf het moment van het sluiten van deze overeenkomst een onderdeel van deze overeenkomst"".
Op grond van deze bepaling had het Gerechtshof, na vastgesteld te hebben dat de mogelijkheid tot afkoop aftrek ex artikel 45 verhinderde, moeten vaststellen, dat mogelijkheid tot afkoop blijkens de bedoeling van partijen moest worden geacht uitgesloten te zijn. Toepassing van artikel 5 van de overeenkomst is verzocht. Het niet toepassen is niet gemotiveerd.";
Overwegende omtrent het primaire middel van cassatie:
dat het Hof uit het samenstel van een aantal door het Hof weergegeven bepalingen van de statuten der stichting heeft afgeleid en tot de overtuiging is gekomen, dat belanghebbende in feite de macht in de stichting heeft;
dat het middel opwerpt, dat deze conclusie in strijd is met andere, in de toelichting aangeduide, bepalingen van de statuten;
dat echter in cassatie niet kan worden onderzocht of het Hof de bedoelde conclusie, welke van feitelijke aard is, terecht heeft getrokken;
dat het middel dus faalt;
Overwegende omtrent het subsidiaire middel onder a en b:
dat het Hof uit de omstandigheid dat belanghebbende in feite de macht in de stichting heeft, heeft afgeleid dat het geheel van de bepalingen van de statuten van de stichting en van de bepalingen van de door belanghebbende met de stichting gesloten overeenkomst niet waarborgt, dat lijfrenten aan belanghebbende of zijn echtgenote zullen worden uitgekeerd, nu zulks van de wil van belanghebbende en, na diens overlijden, van die van zijn echtgenote afhangt;
dat dit oordeel niet blijk geeft van een onjuiste opvatting van de in deze onderdelen van het subsidiaire middel vermelde wetsbepalingen, zodat deze onderdelen falen;
Overwegende omtrent het subsidiaire middel onder c:
dat dit middel blijkens de toelichting ervan uitgaat, dat het Hof heeft vastgesteld dat de mogelijkheid tot afkoop belet aftrek uit hoofde van artikel 45, lid 1, letter d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964
te verlenen;
dat zodanige vaststelling of zulk een oordeel in 's Hofs uitspraak niet voorkomt, zodat het middel feitelijke grondslag mist;
Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heren Dubbink, Vice-President, De Meijere, Van Dijk, Wiersma en Reynders, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de twintigste november 1900 vier en zeventig, in tegenwoordigheid van de Waarnemend-Griffier Pieters.