21 januari 1975
Nr. 67612
LM
De Hoge Raad der Nederlanden,
Op het beroep van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, rekwirant van cassatie "in het belang der wet" tegen een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 19 augustus 1974, waarbij, met toewijzing van een dienovereenkomstige vordering van de Officier van Justitie in het arrondissement 's-Gravenhage van 1 juli 1974, is gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover bij vonnis van die Politierechter van 17 juli 1972 voorwaardelijk opgelegd aan [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats];
Gehoord de Procureur-Generaal in zijn voordracht, houdende als middelen van cassatie:
"primair, dat de Politierechter het recht heeft geschonden door de Officier van Justitie ontvankelijk te achten in diens bij hem ingediende vordering d.d. 1 juli 1974 en door, in stede van de Officier niet ontvankelijk te verklaren in deze vordering, deze vordering toe te wijzen en de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van 17 juni 1972, te gelasten,
subsidiair, voor het geval de Hoge Raad mocht oordelen dat de Politierechter de Officier te recht ontvankelijk heeft verklaard of geacht in diens bij hem ingediende vordering, dat de Politierechter het recht heeft geschonden, door, - terwijl in cassatie mag worden aangenomen, in ieder geval onderstellenderwijs, dat, toen de vordering werd ingediend, de veroordeelde niet of nog niet strafbaar was verklaard ter zake van het misdrijf door het begaan waarvan deze zich gedurende de proeftijd heeft misdragen maar slechts kon worden aangemerkt als degene te wiens aanzien uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit van schuld aan het feit dat de Politierechter als een misdrijf heeft gequalificeerd -, de vordering van de Officier toe te wijzen en de gevorderde tenuitvoerlegging te bevelen op de daarvoor door de Officier in diens vordering aangevoerde grond, zulks ten onrechte, omdat de onderhavige vordering niet toewijsbaar was of kon zijn op de enkele grond dat de veroordeelde verdacht werd van een misdraging gedurende de proeftijd welke een misdrijf oplevert" ;
en in zijn vordering dat de Hoge Raad de beroepen beslissing in het belang der wet vernietige; Overwegende dat bij voormeld vonnis van de Politierechter van 17 juli 1972 gerekwireerde wegens , "diefstal, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de tijd van twaalf weken, met bevel dat een deel van deze straf, groot twee weken, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde vóór het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende de proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen of niet heeft nageleefd een bij het vonnis gestelde bijzondere voorwaarde;
Overwegende dat de Officier van Justitie bij zijn voormelde vordering van 1 juli 1974 heeft kennis gegeven dat gerekwireerde zich gedurende de proeftijd heeft misdragen "aangezien veroordeelde op 26 februari 1974 te ± 00.10 uur heeft gepoogd te stelen in of uit de garage van de supermarkt "Familiemarkt", gevestigd in perceel Rijksstraatweg 336 te Wassenaar" en op die grond heeft gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van dat gedeelte van de gevangenisstraf ten aanzien waarvan bevel was gegeven dat het voorwaardelijk niet zou worden tenuitvoergelegd;
Overwegende dat de Politierechter bij de beroepen beslissing onder meer heeft overwogen, dat hij de in de vordering van de Officier van Justitie vermelde misdraging als misdrijf en wel: poging tot diefstal kwalificeert en hij de Officier van Justitie in zijn vordering ontvankelijk verklaart;
Overwegende ten aanzien van de primaire klacht van het middel:
dat dit is gegrond op de opvatting dat de in artikel 14a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voorkomende bewoordingen "zich op andere wijze heeft misdragen" moeten worden verstaan als "zich op andere wijze heeft misdragen dan door zich schuldig te maken aan een strafbaar feit";
dat deze opvatting zich laat verdedigen in het licht van de tekst van bedoeld artikel, waarin als gronden voor tenuitvoerlegging naast elkaar worden genoemd dat de veroordeelde zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en dat de veroordeelde zich op andere wijze heeft misdragen;
dat echter blijkens de geschiedenis van de Wet van 15 juni 1951, Stb. 214, houdende nadere voorzieningen betreffende de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling, bij welke wet de woorden "zich op andere wijze heeft misdragen" in het eerste lid van artikel 14a zijn ingevoegd, de bedoeling van de wetgever is geweest dat onder "zich op andere wijze misdragen" mede kan worden begrepen het geval dat de veroordeelde zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
dat zulks onder meer blijkt uit de volgende passage van de Memorie van Toelichting:
"In het algemeen zal de rechter, ook wanneer een strafbaar feit is gepleegd, op grond van wangedrag last tot tenuitvoerlegging kunnen geven. Indien echter twijfelachtig is, of het feit is gepleegd, zal hij deze last eerst geven, indien van een onherroepelijke veroordeling blijkt.";
dat deze bedoeling - nadat in het Voorlopig Verslag bezwaren tegen die zienswijze waren geopperd - in de Memorie van Antwoord uitdrukkelijk is gehandhaafd;
dat, waar de tekst van voormeld artikel zich niet dwingend verzet tegen een lezing in overeenstemming met vorenomschreven bedoeling van de wetgever, in dit geval die bedoeling de doorslag moet geven, zodat het middel niet kan slagen;
Overwegende ten aanzien van de subsidiaire klacht van het middel:
dat deze, in het licht van het hiervoren ten aanzien van het primaire middel overwogene, evenmin tot cassatie kan leiden;
Verwerpt het beroep.
Gewezen te 's-Gravenhage bij Mrs. Moons, Voorzitter, Vroom, Fikkert, van der Ven en Enschede, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Sarolea, die dit arrest hebben ondertekend en door Mr. Moons uitgesproken ter openbare terechtzitting van de één en twintigste januari 1900 vijf en zeventig in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Remmelink.