8 oktober 1976
Br.
De Hoge Raad der Nederlanden,
in de zaak nr. 11.108 van
de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, eiser tot cassatie in het belang der wet van een vonnis van de Kantonrechter te 's-Gravenhage van 18 februari 1976, gewezen tussen [eiser], wonende te [woonplaats], als eiser
en
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers), zetel houdende te 's-Gravenhage, als gedaagde;
Gehoord de vordering van de Procureur-Generaal, strekkende tot vernietiging in het belang van de wet van het vonnis waarvan beroep zonder dat de vernietiging aan de rechten door partijen verkregen nadeel toebrenge;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden vonnis en de stukken van het geding blijkt:
dat gedaagde - hierna te noemen de Staat - bij verzoekschrift van 8 april 1975, stellende dat de directie van het kadaster en de openbare registers in de provincie Gelderland te Arnhem in opdracht van eiser - hierna te noemen [eiser] - kadastrale werkzaamheden heeft verricht en dat [eiser] te dier zake een bedrag van f 308,50 aan de Staat verschuldigd is geworden, welk bedrag [eiser] ondanks aanmaning niet betaalt, aan de Kantonrechter te 's-Gravenhage de uitvaardiging van een bevelschrift tot betaling van gemeld bedrag met rente en kosten heeft verzocht;
dat [eiser] niet binnen de gestelde termijn op het verzoekschrift van de Staat heeft geantwoord;
dat hierna de Kantonrechter op 9 juni 1975 een bevelschrift heeft uitgevaardigd, waarbij [eiser] is bevolen gemeld bedrag met rente en kosten aan de Staat te voldoen en dit bevel behoudens ten aanzien van de kosten uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;
dat de Staat op 5 augustus 1975 dit bevelschrift heeft tenuitvoergelegd door executoriaal beslag te doen leggen op een aan [eiser] toebehorend onroerend goed;
dat hierop [eiser] aan de Staat onder voorbehoud van rechten heeft betaald f 717,10 en wel voor hoofdsom met rente en geliquideerde kosten in totaal f 358,50 en voor kosten van het executoriaal beslag f 358,60;
dat [eiser] vervolgens bij exploit van 26 augustus 1975 tegen voormeld bevelschrift in verzet is gekomen bij voornoemde Kantonrechter, stellende dat hij de door de Staat gestelde opdracht niet voor zich doch in naam en voor rekening van derden had gegeven;
dat na door de Staat gevoerd verweer de Kantonrechter bij vonnis van 29 oktober 1975, overwegende dat is gebleken dat bedoelde opdracht door [eiser] namens derden is gegeven, het bevel tot betaling heeft vernietigd en opnieuw rechtdoende de vordering van de Staat heeft afgewezen, [eiser] heeft veroordeeld in de kosten van het verstek en de Staat heeft veroordeeld in de overige kosten van de procedure;
dat [eiser] bij exploit van 2 december 1975 de Staat voor de Kantonrechter te 's-Gravenhage heeft gedaagd, daarbij vorderend de terugbetaling van voormeld bedrag van f 717,10, daar dit bedrag blijkens laatstgenoemd vonnis door [eiser] onverschuldigd aan de Staat was voldaan;
dat de Staat tijdens het hierop gevolgde geding aan [eiser] heeft terugbetaald de door hem van [eiser] ontvangen hoofdsom met rente met verrekening van de aan elke partij toekomende geliquideerde kosten;
dat [eiser] hierop zijn vordering heeft verminderd tot een bedrag van f 358,60 ter zake van door hem aan de Staat betaalde beslagkosten;
dat de Staat weigerde laatstgenoemd bedrag aan [eiser] terug te betalen, omdat volgens de Staat het executoriaal beslag rechtmatig, namelijk krachtens een bij voorraad uitvoerbaar verklaarde titel, was gelegd;
dat de Kantonrechter bij vonnis van 18 februari 1976 de verminderde vordering heeft afgewezen, daartoe overwegende:
"dat in casu het oorspronkelijke verzoekschrift is ingediend op 10 april 1975, verzonden aan [eiser] op 14 april 1975; bevel tot betaling 9 juni 1975; beslag 5 augustus 1975; verzet 26 augustus 1975;
dat daaruit blijkt dat [eiser] stil is blijven zitten vanaf 14 april 1975 tot na 5 augustus 1975, aangezien hij immers na het beslag en voor het verzet onder reserve van rechten heeft betaald, in totaal dus een kleine 4 maanden lang;
dat [eiser] stelt dat hij met vakantie is geweest, althans afwezig is geweest, doch dat niettemin geconstateerd moet worden dat [eiser] wel erg lang is weggebleven althans stil is blijven zitten, en geen maatregelen heeft genomen om tijdens zijn afwezigheid bepaalde dringende zaken die zich mochten voordoen op te vangen en dat intussen de Staat een verzoekschrift heeft ingediend en een bij voorraad uitvoerbaar betalingsbevel heeft gekregen;
dat de Staat dit betalingsbevel ongetwijfeld tussen 9 juni 1975 en 5 augustus 1975 heeft betekend aan [eiser] met bevel om aan de veroordeling te voldoen, waarop het wederom stil is gebleven;
dat men de vraag kan stellen of de Staat niet beter had gedaan eerst nog eens een briefje te schrijven of dergelijke alvorens tot kostbare executiemaatregelen over te gaan, doch dat men Onzes inziens niet kan zeggen dat de Staat vexatoir beslag heeft gelegd: [eiser] liet al enige maanden lang taal noch teken horen;
dat het beslag rechtmatig is gelegd: het betalingsbevel was immers uitvoerbaar bij voorraad, de Staat mocht dus gaan executeren; [eiser] heeft derhalve ook niet onverschuldigd betaald en de Staat was niet te kwader trouw (artikel 1398 van het Burgerlijk Wetboek); de Staat heeft de executie gestopt zodra hij wist dat [eiser] in verzet ging;
dat Wij derhalve menen dat de verminderde vordering niet toewijsbaar is;";
Overwegende dat dit vonnis wordt bestreden met het navolgende middel van cassatie:
"dat de Kantonrechter, oordelend dat [eiser] niet onverschuldigd heeft betaald (ook niet de kosten van executie ten bedrage van f 358,60, althans de kosten van executie), omdat de Staat (het betalingsbevel) mocht gaan executeren, artikel 52 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, althans het recht, heeft geschonden, omdat de Kantonrechter, aldus oordelend, heeft miskend dat de Staat, die het betalingsbevel is gaan executeren en mocht executeren, dit suo periculo deed, en dit, suo periculo doende, niet deed voor rekening en risico van [eiser], weshalve de Staat, nadat het betalingsbevel op het door [eiser] gedane verzet was vernietigd, gehouden was de door [eiser] aan de Staat betaalde kosten, welke aan de zijde van de Staat op de executie waren gevallen, terug te betalen, en [eiser], deze kosten aan de Staat betaald hebbend, deze onverschuldigd heeft betaald.";
Overwegende ten aanzien van het middel:
dat de geëxecuteerde slechts verplicht is de kosten van een executie aan de executant te vergoeden, indien deze executie is geschied ter zake van de niet-voldoening van een bestaande schuld;
dat dit medebrengt, dat - ook al is de executant bevoegd een te zijnen gunste gewezen vonnis of uitgevaardigd bevelschrift, hetwelk uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, tenuitvoer te leggen voordat dit vonnis of dit bevelschrift onherroepelijk is geworden - een nadien gewezen en onherroepelijk geworden vonnis, waarbij tussen partijen bindend is vastgesteld dat een schuld jegens de executant niet bestaat en waarbij dientengevolge het bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis of bevelschrift is vernietigd, aan de betaling van de executiekosten de rechtsgrond doet ontvallen, zodat deze kosten als onverschuldigd betaald kunnen worden teruggevorderd;
dat op het verzet van [eiser] tegen het ten verzoeke van de Staat tegen hem uitgevaardigd bevelschrift, waarbij [eiser] was bevolen ter zake van door de Staat omschreven werkzaamheden aan de Staat f 308,50 met rente te betalen, bij het - kennelijk onherroepelijk geworden - vonnis van de Kantonrechter van 29 oktober 1975 is beslist, dat [eiser] voor zich geen opdracht aan de Staat heeft gegeven tot het verrichten van de door de Staat omschreven werkzaamheden, en dientengevolge voormeld bevelschrift is vernietigd;
dat derhalve tussen partijen bindend is vastgesteld, dat aan de door [eiser] voor het verzet gedane betaling van het bedrag van f 308,50 met rente een rechtsgrond ontbrak;
dat dit tot gevolg heeft, dat ook de betaling van de executiekosten door [eiser] aan de Staat grond mist, zodat de Staat verplicht was deze kosten als onverschuldigd betaald aan [eiser] terug te betalen;
dat mitsdien het middel gegrond is;
Vernietigt het bestreden vonnis;
Verstaat, dat deze uitspraak geen nadeel zal toebrengen aan de rechten door partijen verkregen.
Aldus gedaan door Mrs. Dubbink, President, van der Linde, Minkenhof, Snijders en Haardt, Raden, en door de President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de achtste oktober 1900 zes en zeventig, in tegenwoordigheid van de Procureur-Generaal.