24 december 1976
Req.nr. 4778
MH
De Hoge Raad der Nederlanden,
Gezien het verzoekschrift van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen [verzoeker] , vertegenwoordigd door Mr. F.N. Meijer, advocaat bij de Hoge Raad, welk verzoekschrift strekt tot vernietiging van de beschikkingen van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 11 december 1975 en 8 april 1976, gegeven tussen verzoeker en de Gemeente Nijmegen, wier zetel is gevestigd te Nijmegen, hierna te noemen de Gemeente, en voorts tot verlening van vergunning aan verzoeker te dezer zake kosteloos te procederen, althans te bepalen dat aan verzoeker te dezer zake geen kosten in rekening zullen worden gebracht, en tot veroordeling van de Gemeente in de kosten op de voorziening in cassatie gevallen;
Gelet op de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest, strekkend tot verwerping van het beroep en tot zodanige uitspraak omtrent de kosten als de Hoge Raad zal vermenen te behoren;
Gezien de bestreden beschikkingen en de overige stukken van het geding, waaruit blijkt:
dat de Gemeente zich bij verzoekschrift van 18 april 1975 tot de Kantonrechter te Nijmegen heeft gewend teneinde op [verzoeker] te verhalen de kosten van bijstand, door haar verleend ten bedrage van f 5.566,96 over de periode van 30 juni 1973 tot en met […] 1974 aan de grootmoeder van [verzoeker] , de weduwe [betrokkene 1] , overleden te Nijmegen op […] 1974, stellende onder meer dat zij deze kosten van bijstand op [verzoeker] wenst te verhalen als degene aan wie de bijstandontvangende een schenking heeft gedaan, dat bij de beslissing op de bijstandaanvrage met de geschonken middelen zou zijn rekening gehouden, indien de schenking niet had plaats gehad en dat aannemelijk is dat ten tijde van de schenking de noodzaak van bijstandverlening redelijkerwijze door de schenkster kon worden voorzien; dat de Kantonrechter, na in een tussenbeschikking van 2 juni 1975 te hebben vastgesteld dat [verzoeker] de gestelde bijstand van f 5.566,96 niet gemotiveerd had betwist, zodat deze ten processe vaststaat, met het oog op het overigens door [verzoeker] gevoerde verweer de Gemeente heeft toegelaten te bewijzen dat [verzoeker] op of omstreeks 20 februari 1973 van wijlen zijn grootmoeder een schenking ten bedrage van f 5.000, -- heeft ontvangen; dat vervolgens de Kantonrechter in zijn eindbeschikking van 4 augustus 1975, na te hebben overwogen dat op geen enkele wijze was komen vast te staan dat [verzoeker] een schenking van zijn grootmoeder had ontvangen, het verzoek van de hand heeft gewezen;
dat de Gemeente van deze eindbeschikking in hoger beroep is gekomen bij de Arrondissementsrechtbank te Arnhem, die in haar tussenbeschikking van 11 december 1975 de Gemeente heeft toegelaten door getuigen te bewijzen dat voornoemde grootmoeder van [verzoeker] in begin 1973 een bedrag van f 5.000, -- aan hem heeft geschonken, na daartoe te hebben overwogen:
" dat de Gemeente het voornoemde verhaal op [verzoeker] bij pleidooi heeft beperkt tot het bedrag van f 5.000, -- , dat de grootmoeder van [verzoeker] - overleden op […] 1974 - hem begin 1973 zou hebben geschonken, met welke geschonken geldmiddelen door de Gemeente bij de beslissing op de bijstandsaanvrage van deze grootmoeder rekening zou zijn gehouden, waren deze haar toentertijd bekend geweest;
dat als onbetwist tussen partijen vaststaat, dat de Gemeente over de periode van 30 juni 1973 t/m […] 1974 een bedrag van f 5.566,96 aan deze grootmoeder aan bijstand heeft verleend;
dat de Gemeente laatst genoemd bedrag in eerste aanleg op [verzoeker] heeft getracht te verhalen in verband met de door haar beweerde schenking van f 5.000, -- door voornoemde grootmoeder aan [verzoeker] , doch deze vordering aan haar door de Kantonrechter is ontzegd op grond van de betwisting dier schenking door [verzoeker] en van het feit, dat de Gemeente, toegelaten tot het bewijs door getuigen van deze schenking, dit bewijs niet heeft geleverd;
dat de grief van de Gemeente tegen de eindbeschikking van de Kantonrechter inhoudt, dat deze Rechter de gemeente-ambtenaar [betrokkene 2] , hoewel ter gelegenheid van het door de Kantonrechter bevolen getuigenverhoor aanwezig en als getuige beschikbaar, niet als getuige heeft willen horen, omdat deze getuige aanvankelijk als proces-gemachtigde voor de Gemeente was opgetreden, terwijl de Gemeente toen niet meer op diens verhoor heeft willen aandringen;
dat de Gemeente bij pleidooi in hoger beroep alsnog het verlangde bewijs te leveren door de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] heeft aangeboden;
dat [verzoeker] , in hoger beroep bij de betwisting van bedoelde schenking gebleven, van oordeel is, dat [betrokkene 2] niet als getuige kan worden gehoord, omdat deze aanvankelijk in eerste aanleg als gemachtigde voor de Gemeente is opgetreden voordat hij ter zitting van de Kantonrechter van 16 juni 1975 door de gemeente-ambtenaar [betrokkene 5] als gemachtigde werd vervangen;
dat ingevolge het bepaalde bij artikel 77 der Gemeentewet de burgemeester de gemeente vertegenwoordigt in alle rechtsgedingen;
dat derhalve alleen de burgemeester met de als "materiële procespartij" procederende gemeente moet worden vereenzelvigd en deze vereenzelviging niet behoort te worden uitgebreid tot de ambtenaren dier gemeente, die tijdelijk ter vervanging van de burgemeester als diens gemachtigde in de procedure hebben of hadden opgetreden;
dat naar het oordeel van de Rechtbank geen enkele wettelijke bepaling in de weg staat om - in het algemeen - een proces-gevolmachtigde als getuige te horen (impliciet het arrest van de Hoge Raad d.d. 23 november 1962 N.J. 1963 no. 48), zodat de Rechtbank geen bezwaar aanwezig acht de ambtenaar [betrokkene 2] als getuige te horen;
dat nu de Gemeente alsnog aanbiedt de door haar gestelde schenking aan [verzoeker] door getuigen te bewijzen, de Rechtbank haar daartoe in de gelegenheid zal stellen voor een door haar aan te wijzen rechter- commissaris ; ";
dat voornoemde Rechtbank vervolgens, na getuigenverhoor, in haar eindbeschikking van 8 april 1976 de beschikking van de Kantonrechter te Nijmegen van 4 augustus 1975 heeft vernietigd en, onder meer, heeft vastgesteld dat door [verzoeker] ter zake van de door de Gemeente gemaakte kosten van bijstand aan de Gemeente met ingang van de dag harer beschikking maandelijks een bedrag van f 50, -- zal worden voldaan totdat de totaalsom van f 5000, -- zal zijn betaald; dat de Rechtbank daartoe heeft overwogen:
"dat de Gemeente als getuigen heeft doen horen de gemeente-ambtenaar [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , van wie getuige [betrokkene 2] onder meer heeft verklaard, dat tijdens zijn onderzoekingen naar de schenkingen van [betrokkene 1] [verzoeker] en diens echtgenote hem op 13 mei 1974 hebben toegegeven, dat zij een schenking van f 5.000, -- van [betrokkene 1] hadden ontvangen, terwijl getuige [betrokkene 3] in zijn verhoor voor de Rechter-Commissaris heeft verklaard, dat zijn moeder [betrokkene 1] in zijn tegenwoordigheid aan de advocaat Mr. Reinds heeft medegedeeld, dat zij op of omstreeks 9 maart 1973 een bedrag van f 5.000, -- aan hem, getuige, alsook eenzelfde bedrag aan haar kleinzoon [betrokkene 4] , heeft geschonken;
dat de Rechtbank door deze verklaringen in hun onderlinge samenhang bewezen acht, dat grootmoeder [betrokkene 1] in begin 1973 een bedrag van f 5.000, -- aan haar kleinzoon, [verzoeker] , heeft geschonken;
dat met de verklaringen van deze getuigen zeer wel strookt de opname van f 10.000, -- van het spaartegoed van [betrokkene 1] op 9 maart 1973 zoals in het overgelegde - onweersproken - spaar-bankboekje van de Rijkspostspaarbank valt te lezen;
dat voornoemde door de Gemeente aan [betrokkene 1] verleende kosten van bijstand op [verzoeker] , aan wie de bijstandontvangende voormelde schenking heeft gedaan, krachtens artikel 59a van de Bijstandswet kunnen worden verhaald, nu niet aannemelijk is en door [verzoeker] niet aannemelijk is gemaakt, dat ten tijde van de schenking de noodzaak van bijstandsverlening redelijkerwijze door de schenkster niet kon worden voorzien gelet op haar financiële omstandigheden zoals deze door de Gemeente bij pleidooi zijn uiteengezet en nu de Gemeente te kennen heeft gegeven, dat bij de gegeven beslissing op de bijstandsaanvrage met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden, indien de schenking niet had plaatsgehad;
dat uit het vorenoverwogene volgt, dat de Kantonrechter ten onrechte de vordering van de Gemeente van de hand heeft gewezen en de grief van de Gemeente, zoals zij deze bij pleidooi nader heeft ontwikkeld, tegen de eindbeschikking van de Kantonrechter, waarvan beroep, gegrond moet worden geoordeeld, hetgeen met zich meebrengt, dat de beroepen beschikking van de Kantonrechter moet worden vernietigd en dat de vordering van de Gemeente alsnog in voege als hierna weergegeven aan haar behoort te worden toegewezen; ";
dat [verzoeker] tegen de bestreden beschikkingen het navolgende middel van cassatie aanvoert:
"Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat de Rechtbank, op het beroep van de Gemeente Nijmegen tegen de beschikking van de Kantonrechter te Nijmegen van 4 augustus 1975, overwegende gelijk zij in die beschikkingen heeft gedaan, in haar beschikking van 11 december 1975 heeft te kennen gegeven, dat de gemeente-ambtenaar [betrokkene 2] en in het algemeen een proces-gemachtigde als getuige kan worden gehoord, en na verhoor als getuigen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , in haar beschikking van 8 april 1976 de voormelde beschikking van de Kantonrechter heeft vernietigd, vastgesteld heeft dat verzoeker vanaf 8 april 1976 met afbetalingen van f 50, -- een bedrag van f 5.000, -- aan gerekwestreerde zal betalen, vastgesteld heeft dat bij gebreke van betaling het restant terstond kan worden ingevorderd en bepaald heeft, dat derden die gelden aan verzoeker schuldig zijn of worden de voormelde bedragen aan gerekwestreerde zullen afdragen,
Zulks ten onrechte:
A. omdat in het geval dat de bij artikel 77 der Gemeentewet aangewezen vertegenwoordiger der gemeente voor een geding als het onderhavige in zijn plaats de direkteur van de gemeentelijke sociale dienst als de vertegenwoordiger der gemeente heeft aangewezen, en deze weer - krachtens de hem verleende macht van substitutie - een gemeente-ambtenaar als vertegenwoordiger der gemeente in het rechtsgeding heeft aangewezen, laatstbedoelde gemeente-ambtenaar - en in casu was dit de als getuige gehoorde [betrokkene 2] - niet in het geding als getuige kan/mag worden gehoord, althans op zijn verklaringen geen acht mag worden geslagen, resp. diens verklaringen de te geven beslissing niet vermogen te dragen, hetgeen door de Rechtbank is miskend;
B. omdat de beslissing van de Rechtbank dat zij bewezen acht, dat grootmoeder [betrokkene 1] in begin 1973 een bedrag van f 5.000 .-- aan haar kleinzoon, [verzoeker] , heeft geschonken - waaromtrent [verzoeker] en zijn echtgenote volhouden, het zulks beslist niet het geval is geweest, zij het dat zij wel eens kleine bedragen hebben ontvangen waarvan de omvang echter nooit aan de gemeenteambtenaar [betrokkene 2] is medegedeeld - onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheid - eveneens door de Gemeente naar voren gebracht met het rapport heer [betrokkene 2] van 13 juli 1973 - dat [betrokkene 1] kort voor laatstgenoemde datum nog een bedrag van f 7.000, -- in contanten onder haar hoofdkussen in het bejaardentehuis bij zich had, terwijl zij na de dood van haar man slechts f 15.289,91 bezat en haar zoon [betrokkene 3] daarvan f 5.000, -- had geschonken, zodat zij aan [verzoeker] zeker niet ook nog eens f 5.000, -- geschonken kan hebben in begin 1973 en overigens de opname van f 10.000, -- van het spaartegoed op 9 maart 1973 niets zegt t.a.v. een schenking van [verzoeker] , althans niet wanneer ook bekend is, dat [betrokkene 1] in begin juli 1973 nog f 7.000, -- in contanten bezat;
C. omdat de Rechtbank op de verklaring van de getuige [betrokkene 3] geen acht had mogen slaan, althans die verklaring niet had mogen gebruiken ter ondersteuning van haar beslissing, zijnde deze verklaring onvoldoende ter vervolmaking van het overige bewijs, aangezien [betrokkene 3] slechts de inhoud van een gesprek vermeldde dat [betrokkene 1] met de advocaat Mr. Reinds had gevoerd betreffende haar bewering dat zij f 5.000, -- aan haar kleinzoon had geschonken, en deze verklaring de auditu niet meer dan een vermoeden had kunnen opleveren en dat nog slechts als zij zou zijn overeengekomen met andere gegevens, doch het overige bewijs onvoldoende was en met name de opname van f 10.000, -- van het spaartegoed op 9 maart 1973 op zichzelf geen aanwijzing bevatte dat [verzoeker] daarvan f 5.000, -- ten geschenke heeft ontvangen en zulks te minder omdat de schenking van f 5.000, -- aan een ander namelijk aan [betrokkene 3] ten processe vaststond en tevens gebleken was, dat [betrokkene 1] in begin juli 1973 nog f 7.000, -- in contanten bezat;
en mitsdien de beschikkingen waarvan beroep niet in stand kunnen blijven.";
Overwegende omtrent dit middel:
met betrekking tot onderdeel A, dat geen rechtsregel zich er tegen verzet, dat de rechter in een procedure tot verhaal van kosten van bijstand, geregeld in de artikelen 64 en volgende der Algemene Bijstandswet, in hoger beroep een ambtenaar der Gemeente als getuige hoort die in eerste aanleg aanvankelijk als procesgemachtigde namens het verhalend lichaam is opgetreden en gehoord; dat bij de waardering van een door een zodanige getuige afgelegde verklaring als bewijsmiddel behoedzaamheid geboden kan zijn, doch die waardering is overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt;
met betrekking tot de onderdelen B en C, dat de Rechtbank het bewijs dat de weduwe [betrokkene 1] in begin 1973 een bedrag van f 5.000, -- aan haar kleinzoon, [betrokkene 4] , heeft geschonken, geleverd heeft geacht door de verklaringen van de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in hun onderlinge samenhang, met welke verklaringen dan nog strookte de opname van f 10.000, -- van het spaartegoed der weduwe op 9 maart 1973; dat het de rechter niet verboden is uit bepaalde mededelingen die aan de gehoorde getuigen zijn gedaan, vermoedens te putten voor de waarheid van de feiten waarop die mededelingen betrekking hebben, in het bijzonder wanneer die mededelingen, zoals in het onderhavige geval, van verschillende personen afkomstig zijn en met elkaar overeenstemmen; dat tenslotte de in onderdeel B van het middel genoemde stelling dat de weduwe na de dood van haar man slechts f 15.289,91 bezat, geen feitelijke grondslag vindt in de bestreden beschikking;
dat het middel derhalve in geen zijner onderdelen tot cassatie kan leiden;
Verwerpt het beroep;
Verleent verzoeker verlof te dezer zake kosteloos te procederen.
Gedaan en gewezen te 's-Gravenhage de vier en twintigste december 1900 zes en zeventig bij Mrs. Dubbink, President, Minkenhof, Snijders, Köster en Haardt, Raden, in tegenwoordigheid van de Griffier Reyers.