ECLI:NL:HR:1976:AX3822

ECLI:NL:HR:1976:AX3822, Hoge Raad, 21-01-1976, 17 722

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 21-01-1976
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 17 722
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

Belanghebbende ontvangt in 1961 van zijn in het buitenland wonende zuster f 180.000 en verbindt zich daartegenover haar tot haar overlijden, maar uiterlijk tot 15 juni 1970, een lijfrente uit te keren van f 27.000 per jaar. De waarde van de lijfrente is f 218.700.

Uitspraak

21 januari 1976.

Nr. 17.722

Jb.

De Hoge Raad der Nederlanden,

Gezien het beroepschrift in cassatie van [X], thans wonende te [Z] in België, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 december 1974 betreffende de na te melden hem opgelegde aanslag in het recht van schenking;

Gezien de stukken;

Overwegende dat belanghebbende, aan wie over na te melden verkrijging een aanslag in het recht van schenking is opgelegd ten bedrage van f 12.769,28, na vergeefs bezwaar bij de Inspecteur van diens uitspraak in beroep is gekomen bij het Gerechtshof;

Overwegende dat het Hof als tussen partijen vaststaande heeft aangemerkt:

"Op 15 april 1961 werd tussen belanghebbende en zijn zuster [A], geboren [geboortedatum] 1918, opgemaakt en door hen ondertekend een onderhandse akte van de navolgende inhoud :

"" De ondergetekenden:

1. [A], particuliere, wonende te [Q], geboren [geboortedatum] 1918, echtgenote van [B],

2. [X], industrieel, wonende te [R], [a-straat 1],

verklaren bij deze te sluiten een overeenkomst tot vestiging van een lijfrente tegen overdracht van contanten, krachtens welke overeenkomst:

1. de ondergetekende sub 1 bij deze voldoet aan de ondergetekende sub 2, die verklaart te hebben ontvangen, de som van f 180.000, --;

2. de ondergetekende sub 2 verklaart zich te verbinden te zullen uitkeren aan de ondergetekende sub 1, die verklaart deze lijfrente aan te nemen, een lijfrente groot zeven en twintig duizend gulden per jaar, voor het eerst op 15 juni 1961 en zo vervolgens elk jaar op 15 juni, doch voor het laatst op 15 juni 1970, doch voordien eindigend bij eerder overlijden van de ondergetekende sub 1;

3. bij overlijden van de lijfrente-gerechtigde in de loop van enig jaar, wordt van de laatst vervallen lijfrente- termijn geen restitutie verleend en van de volgende termijn geen gedeelte verschuldigd;

4. deze overeenkomst is aangegaan onder voorbehoud van goedkeuring door de Nederlandsche Bank, Afdeling Deviezenvergunningen. "".

De Nederlandsche Bank heeft de aan het slot der acte bedoelde goedkeuring verleend; krachtens de in de acte neergelegde overeenkomst heeft belanghebbende jaarlijks, voor het eerst op 15 juni 1961 en voor het laatst op 15 juni 1970 een bedrag van f 27.000, -- uitgekeerd aan zijn zuster voornoemd.

Ter zake van deze overeenkomst heeft belanghebbende op 2 mei 1973 aangifte gedaan voor het recht van schenking; bij deze aangifte gaf hij een samenvatting van de inhoud der overeenkomst en vermeldde hij als - op de voet van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 berekende - waarde van de bij overeenkomst gevestigde lijfrente een bedrag van f 218.700, --; bij de aangifte deelde hij voorts mede, dat hij deze aangifte deed op verzoek van de Inspecteur der registratie en successie te Rotterdam en dat hij van mening was, dat het verschil tussen voormeld waardebeloop ad f 218.700, -- en de koopsom ad f 180.000, -- niet als geschonken viel te beschouwen; het bij de onderhavige aanslag geheven recht van schenking is geheven over vorenbedoeld verschil ad f 38.700, -- , onder toepassing van artikel 5, lid 4, van de Successiewet 1956 met - f 9.976, -- verhoogd tot f 48.676, --. ";

Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen, voor zover in cassatie nog van belang, als volgt heeft weergegeven:

"dat belanghebbende van oordeel is, dat in de door hem als voormeld met zijn zuster gesloten overeenkomst geen bevoordeling uit vrijgevigheid besloten lag, zodat die overeenkomst geen grond kan opleveren voor het heffen van recht van schenking; dat dit oordeel van belanghebbende berust op zijn stelling, dat bedoelde overeenkomst op geheel zakelijke grondslag tot stand kwam als de uitkomst van wederzijdse afweging door beide partijen van de daaraan verbonden voor- en nadelen; dat het naar belanghebbendes mening vanzelf spreekt, dat bij die afweging ook de fiscale aspecten in aanmerking zijn genomen; dat, naar belanghebbende heeft betoogd, de bestaande familieband geen enkele invloed heeft gehad op het tot stand komen en de inhoud van de overeenkomst; dat belanghebbende er in dit verband op heeft gewezen, dat er voor hem, die kinderen heeft, geen aanleiding bestond een schenking te doen aan zijn in Zuid-Afrika wonende, in gunstige financiële omstandigheden verkerende, zuster; dat belanghebbende ontkent, dat de overeenkomst een bevoordeling van zijn zuster inhield; dat toch, naar belanghebbende aanvoert, bij de beoordeling van de door zijn zuster voor de haar toegekende lijfrente betaalde koopsom bedacht moet worden, dat deze lijfrente bedongen werd niet van een verzekeringsmaatschappij, doch van een particulier en voorts, dat in het geval van haar voortijdig overlijden de tegenover de betaalde koopsom staande uitkering van lijfrentetermijnen uiteraard een einde zou nemen; dat, zou niettemin moeten worden aangenomen , dat de onderwerpelijke overeenkomst een bevoordeling van zijn zuster inhield, het beloop van het door haar genoten voordeel volgens belanghebbende niet hoger mag worden bepaald dan op f 17.705, -- , zijnde het verschil tussen de koopsom ad f 180.000, -- en de (wegens mindere solvabiliteit van de debiteur met 10% verminderde) met de bedongen lijfrente corresponderende actuariële koopsom ad f 219.672, --; dat, naar belanghebbende aanvoert, de onderwerpelijke overeenkomst voor hem geen verarming betekende, doch integendeel uitermate voordelig was, aangezien tegenover de verplichting aan lijfrentetermijnen te betalen tot een bedrag van maximaal f 270.000, -- naast de koopsom ad f 180.000, -- stond een belastingbesparing, welke op 70% van f 270.000, -- dat is f 189.000, -- viel te stellen;

dat de Inspecteur daarentegen zich stelt op het door hem ook reeds bij de aanslagregeling ingenomen standpunt, dat van een bevoordeling uit vrijgevigheid in de zin van artikel 1, lid 2, van de Successiewet 1956 sprake is, wanneer iemand, zonder zulks verschuldigd te zijn, om niet aan een ander een vermogensvoordeel doet toekomen in mindering op zijn eigen vermogen althans ten voordele van die ander zich enig voordeel doet ontgaan; dat daarbij naar 's Inspecteurs mening niet ter zake doet welke redenen degene, die bevoordeelt, daartoe hebben bewogen, ook wanneer die motieven enig belang betreffen, dat degene, die bevoordeelt, zelve heeft bij die bevoordeling van een ander; dat de Inspecteur van oordeel is, dat belanghebbende zich in casu ten gunste van zijn zuster een voordeel heeft doen ontgaan door bij de toekenning aan haar van een lijfrente genoegen te nemen met een te lage koopsom; dat belanghebbende aldus handelende zijn zuster heeft bevoordeeld naar 's Inspecteurs mening en daarbij uit vrijgevigheid heeft gehandeld, aangezien tegenover bedoeld voordeel geen contra-prestatie van de zijde van belanghebbendes zuster stond; dat, aldus de Inspecteur, vrijgevigheid te dezen aanwezig moet worden geacht, ook al werd belanghebbende tot betoon van vrijgevigheid ten opzichte van zijn zuster bewogen door aan zijn eigen belangen ontleende motieven; dat een en ander de Inspecteur tot de slotsom leidt, dat belanghebbende aan zijn zuster een schenking heeft gedaan in de zin van artikel 1, lid 2, van de Successiewet 1956, de grootte van welke schenking behoort te worden bepaald op de voet van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956;";

Overwegende dat het Hof, voor zover in cassatie nog van belang, omtrent het geschil heeft overwogen:

"dat, indien zou moeten worden aangenomen, dat belanghebbende bij de toekenning aan zijn zuster van de onderhavige lijfrente genoegen heeft genomen met een koopsom, welke minder bedroeg dan de economische verkeerswaarde van het recht op die lijfrente, een schenking in de zin van artikel 1, lid 2, van de Successiewet 1956 aanwezig zou dienen te worden geacht;

dat toch in dat geval belanghebbende zich ten gunste van zijn zuster een voordeel zou hebben laten ontgaan; dat zulks uit vrijgevigheid zou zijn geschied, nu niet gesteld of gebleken is, dat belanghebbendes financiële positie (bij voorbeeld een dringende behoefte aan liquide middelen) hem zou hebben genoodzaakt genoegen te nemen met een te lage koopsom, terwijl vaststaat, dat tegenover het voor belanghebbendes zuster in het beloop dier koopsom gelegen voordeel geen enkele contra-prestatie harerzijds stond; dat vrijgevigheid als bedoeld in artikel 1, lid 2, voormeld niet uit altruïstische motieven behoeft voort te komen en zelfs, wanneer eigenbelang de beweegreden is, aanwezig kan zijn; dat het begrip vrijgevigheid voorts geenszins in zich sluit, dat het offer, dat men bij het sluiten van een overeenkomst brengt door zich ten gunste van de wederpartij een voordeel te laten ontgaan, gelijk is aan het voordeel, dat de wederpartij geniet; dat derhalve, zou belanghebbende bij het toekennen van de onderhavige lijfrente genoegen hebben genomen met een te lage koopsom, voor de beantwoording van de vraag, of hij aldus zijn zuster uit vrijgevigheid bevoordeelde, zonder belang is het feit, dat tegenover het nadeel, besloten in de te lage koopsom, stond een besparing op inkomstenbelasting en dat belanghebbende tot de toekenning van de lijfrente is overgegaan met het oog op zodanige belastingbesparing; dat voor een bevestigende beantwoording van die vraag geen beletsel oplevert het feit, dat, naar belanghebbende stelt, over de grootte van de vermindering, welke de koopsom in verband met vorenbedoelde, door hem te genieten, belastingbesparing zou hebben te ondergaan, tussen zijn zuster en hem uitvoerig is onderhandeld; dat het toch voor de hand ligt aan te nemen, dat belanghebbende zich tegenover zijn zuster moreel verplicht achtte haar - door het bedingen van een te lage koopsom - te doen delen in het door hem in de vorm van een besparing op inkomstenbelasting te genieten voordeel, een morele verplichting, welke ook door zijn zuster aanwezig werd geacht en welker grootte het onderwerp der onderhandelingen uitmaakte; dat alleen het voldoen aan een civielrechtelijke schuld en niet ook het nakomen van een morele verplichting onverenigbaar is met vrijgevigheid;

dat naar 's Hofs oordeel niet gezegd kan worden, dat het gebruikelijk is, dat, wanneer tegen betaling van een koopsom een lijfrente wordt toegekend door een particulier - een transactie, welker consequenties voor de heffing van de inkomstenbelasting onder meer in de artikelen 26, aanhef en letter b, en 45, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 worden geregeld voor het geval zij, zoals in casu, is tot stand gekomen binnen een kring van naaste verwanten - de contractanten bij de vaststelling van het bedrag van de overeen te komen koopsom rekening houden met het feit, dat de uit te keren termijnen in mindering zullen strekken op het inkomen van degene, die de lijfrente toekent; dat derhalve bij het onderzoek of in de tussen belanghebbende en zijn zuster overeengekomen koopsom een bevoordeling van laatstgenoemde besloten lag, de als voormeld door belanghebbende te genieten besparing op inkomstenbelasting buiten aanmerking dient te worden gelaten en uitsluitend is na te gaan, of die koopsom minder beliep dan de met opslag voor kosten en winst en met een, geringere solventie tot uiting brengend, percentage verminderde koopsom, welke een verzekeringsmaatschappij voor de onderhavige lijfrente zou hebben bedongen; dat zulks ook volgens belanghebbende het geval was, indien vorenbedoeld percentage niet hoger dan op 10 wordt gesteld; dat een aftrek van 10% het Hof hoog voorkomt, gelet op het feit, dat - naar de Inspecteur ter zitting onweersproken heeft gesteld - belanghebbendes inkomen en vermogen in 1961 en volgende jaren (althans tot en met het jaar 1972, waarin het inkomen - exclusief f 1.000.000, -- tantième - f 400.000, -- en het vermogen op 31 december f 7.700.000, -- bedroeg) aanzienlijk waren: dat belanghebbendes gemachtigde ter zitting heeft gesteld, dat thans, in 1974, door belanghebbendes bedrijf verliezen worden geleden, doch dienaangaande geen enkel concreet gegeven heeft verstrekt, zich tot voormelde vage bewering beperkende;

dat uit al het voorgaande volgt, dat belanghebbende bij de onderhavige overeenkomst een schenking heeft gedaan in de zin van artikel 1, lid 2, van de Successiewet 1956; dat ter vaststelling van het geschonken bedrag de waarde van de toegekende lijfrente door de Inspecteur terecht is bepaald op de voet van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956;";

Overwegende dat het Hof op deze en andere, in cassatie niet meer van belang zijnde, gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd;

Overwegende dat belanghebbende het volgende middel van cassatie heeft voorgesteld:

"Schending van artikel 1, lid 2, van de Successiewet 1956 casu quo van artikel 17, lid 1, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, doordat het Hof, hoewel tussen partijen vaststaat dat de litigieuze overeenkomst is aangegaan op zakelijke grondslag met het oog op een daarmede gezamenlijk te behalen voordeel, heeft beslist dat zulks uit vrijgevigheid zou zijn geschied, nu niet gesteld of gebleken is, dat belanghebbendes financiële positie (bij voorbeeld een dringende behoefte aan liquide middelen) hem zou hebben genoodzaakt genoegen te nemen met een te lage koopsom, terwijl vaststaat, dat tegenover het voor belanghebbendes zuster in het beloop dier koopsom gelegen voordeel geen enkele contra-prestatie harerzijds stond.";

Overwegende dat dit middel als volgt is toegelicht:

"1. In het beroepschrift is gesteld, dat beide partijen zich bij het sluiten van de overeenkomst van lijfrente uitsluitend zakelijk hebben opgesteld en ieder voor zich eigen voordeel heeft beoogd en behaald. Deze stelling is door de Inspecteur niet weersproken.

2. Door de Inspecteur is gesteld "dat het zeer onwaarschijnlijk is, dat belanghebbende een dergelijke transactie met elke willekeurige derde zou weten te bewerkstelligen"". En voorts, ""dat ieder ander daaraan bij een dergelijke transactie, waarbij een particulier persoon gedurende een reeks van jaren uitkeringen moet verrichten, (evenwel) nauwelijks enige waarde zou toekennen"". Deze stellingen zijn door belanghebbende niet weersproken.

3. Aan de onder 1 en 2 vermelde vaststaande feiten en omstandigheden kan slechts de gevolgtrekking worden verbonden, dat belanghebbende voor de toegezegde lijfrente-uitkeringen niet een hogere koopsom zou hebben kunnen bedingen dan hij in feite heeft bedongen en mitsdien tevens, dat niet bevoordeling van [A] het oogmerk van de transactie is geweest (zie B.N.B. 1955/73, pagina 185, regels 1-6).

4. Aangezien het Hof in zijn uitspraak vrijgevigheid als oorzaak van de overeenkomst van lijfrente heeft aangenomen, is het Hof ofwel uitgegaan van een ander begrip vrijgevigheid dan dat bedoeld bij artikel 1, lid 2, van de Successiewet 1956 (het aangaan van de transactie ter wille van de bevoordeling), ofwel is 's Hofs uitspraak onbegrijpelijk in het licht van de onder 1 en 2 vermelde als onweersproken vaststaande feiten en omstandigheden.";

Overwegende dienaangaande:

dat artikel 1, lid 2, van de Successiewet 1956 voor de toepassing van die wet onder een schenking niet alleen begrijpt de schenking geregeld in de elfde titel van het derde boek van het Burgerlijk Wetboek, maar onder meer ook elke andere bevoordeling uit vrijgevigheid;

dat indien een bevoordeling tot stand wordt gebracht door middel van een overeenkomst, van een schenking in deze zin niet reeds dan sprake is indien een van de partijen bij die overeenkomst genoegen heeft genomen met een prestatie die minder bedraagt dan de economische waarde van de prestatie waartoe hij zich jegens zijn tegenpartij heeft verplicht, doch daarvoor tevens vereist is dat de overeenkomst is aangegaan uit vrijgevigheid, dat wil zeggen ter wille van het in de overwaarde gelegen voordeel;

dat het Hof tot zijn oordeel dat in het onderhavige geval van vrijgevigheid sprake was niet had mogen komen op de enkele grond dat niet gesteld of gebleken is dat belanghebbendes financiële positie hem zou hebben genoodzaakt genoegen te nemen met een te lage koopsom en dat tegenover het voor belanghebbendes zuster in het beloop dier koopsom gelegen voordeel geen enkele contra-prestatie harerzijds stond;

dat het middel derhalve gegrond is, de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en de Hoge Raad de hoofdzaak kan beslissen;

Vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Inspecteur;

Vernietigt de door de Inspecteur aan belanghebbende opgelegde aanslag in het recht van schenking.

Gedaan bij de Heren De Meijere, Vice-President, Telders, Van Dijk, Wiersma en Reynders, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de een en twintigste januari 1900 zes en zeventig, in tegenwoordigheid van de Waarnemend-Griffier Pieters.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl BNB 1976/64 met annotatie van J.H. Schuttevaêr
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?