7 juni 1978.
Nr. 18.867.
AdJ. 1869
De Hoge Raad der Nederlanden,
Gezien het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 9 december 1977 betreffende de aan [X] te [Z] opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1975;
Gezien de stukken;
Overwegende dat aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1975 is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 99.036, -- , welke aanslag, na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur is gehandhaafd, waarna belanghebbende van de uitspraak van de Inspecteur in beroep is gekomen bij het Hof;
Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt:
"dat belanghebbende, geboren in 1924, van 1952 tot 1965 in de Verenigde Staten van Amerika verbleef als biochemicus;
dat hij daar - na 5,5 jaar theologische studie - in 1963 tot diaken en in 1964 tot priester is gewijd door de Anglikaanse Bisschop van Washington, onder de afspraak dat hij zowel als priester als biochemicus werkzaam zou zijn;
dat belanghebbende sedert 1965 hoogleraar in de biochemie is aan [A] te [Z] en daarnaast het niet-gehonoreerde ambt van Anglican chaplain uitoefent;
dat zijn taak bestaat uit de geestelijke verzorging van Engels-sprekenden in en rond [Z], [Q] en sinds 1970 Eindhoven en omvat kerkdiensten, doop, huwelijksinzegening, begrafenis, catechese, ziekenbezoek en pastorale hulp;
dat hij in 1966 is benoemd tot priester in buitengewone dienst van de Oud-Katholieke Kerk en als zodanig assistentie verleent;
dat hij voorts sinds 1966 aalmoezenier van de afdeling [Q]/[Z] van het British Legion is en als zodanig herdenkingsdiensten verzorgt op de geallieerde militaire begraafplaatsen in [Z] en omgeving;
dat door belanghebbende uitgaven zijn gedaan, bestaande uit:
een en ander uitsluitend betrekking hebbende op de functie als Anglican chaplain;
dat belanghebbende ter zake van aftrek wegens giften onder meer bovengenoemde uitgaven op het onzuiver inkomen in mindering heeft gebracht, welke aftrek door de Inspecteur is geweigerd;
dat belanghebbende gehuwd is en vier kinderen in de leeftijd van respectievelijk 9, 14, 18 en 22 jaar tot zijn last heeft; ";
Overwegende dat het Hof het geschil heeft omschreven als volgt:
"dat het geschil de vraag betreft:
primair, of de onderhavige uitgaven zijn aan te merken als van de inkomsten uit dienstbetrekking aftrekbare kosten in de zin van artikel 35, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna "de Wet" te noemen), dan wel, zoals subsidiair wordt gesteld, die uitgaven zijn aan te merken als giften in de zin van artikel 47 van de Wet; ";
Overwegende dat het Hof het standpunt van belanghebbende, voor zover in cassatie nog van belang, als volgt heeft omschreven:
"dat belanghebbende ter ondersteuning van zijn standpunt dat, zo de primair gestelde vraag ontkennend zou worden beantwoord, de subsidiair gestelde vraag bevestigend moet worden beantwoord, aanvoert:
dat tot de bevoordelingen waarvan sprake is in artikel 47, lid 3, van de Wet zeer wel kunnen behoren de kosten welke een belastingplichtige voor zijn rekening neemt ten behoeve van een instelling als omschreven in artikel 47, lid 1, van de Wet; ";
Overwegende dat het Hof omtrent het standpunt van de Inspecteur, voor zover in cassatie nog van belang, heeft vermeld:
"dat de Inspecteur ter bestrijding van het subsidiaire standpunt van belanghebbende aanvoert:
dat onder giften in de zin van de Wet moeten worden verstaan schenkingen van vermogensbestanddelen, met andere woorden het moeten zijn waardeverschuivingen uit het vermogen van de gever naar dat van de begiftigde waardoor diens vermogen wordt vergroot; dat de door belanghebbende gemaakte kosten uitgaven betreffen ten behoeve van zijn persoonlijke arbeid en zij geen waardeverschuiving naar het vermogen van de kerk hebben teweeg gebracht; ";
Overwegende dat het Hof, na het door belanghebbende ten aanzien van de primair in geschil zijnde vraag ingenomen standpunt te hebben verworpen, nog omtrent het geschil heeft overwogen:
"dat ten aanzien van de subsidiaire vraag het Hof van oordeel is dat in het onderhavige geval waarin, ter voorkoming van financiële lasten voor de kerkelijke instelling, uit de eigen middelen van belanghebbende onverplichte, niet op de eigen behoeftebevrediging gerichte, uitgaven zijn gedaan ten behoeve van het uitoefenen van het ambt van priester van die kerkelijke instelling, welke uitgaven naar hun aard normaliter voor rekening van die kerkelijke instelling komen, die vermogensverschuiving voor belanghebbende oplevert een gift in de zin van artikel 47 van de Wet;
dat nu partijen het erover eens zijn dat aan de andere in artikel 47 van de Wet gestelde voorwaarden voor de aftrekbaarheid is voldaan, het Hof de subsidiair gestelde grief gegrond verklaart en het belastbaar inkomen derhalve dient te worden verminderd met f 6.485, -- tot een belastbaar inkomen van f 92.551, --; "; Overwegende dat het Hof op die gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 92.551, -- met een belastingvrije som van f 9.782, --;
Overwegende dat de Staatssecretaris 's Hofs uitspraak bestrijdt met het volgende middel van cassatie, toegelicht als daarachter vermeld:
"Schending van het Nederlands recht met name van artikel 47 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in verbinding met artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, doordat het Hof heeft beslist dat de door belanghebbende gedane uitgaven als een gift in de zin van eerstgenoemd artikel kunnen worden aangemerkt, zulks ten onrechte, althans op gronden welke de beslissing niet kunnen dragen, aangezien van een vermogensverschuiving van belanghebbende naar de kerkelijke instelling geen sprake is.
Toelichting:
Belanghebbende is sedert 1965 hoogleraar in de biochemie aan [A] te [Z] en oefent daarnaast het niet-gehonoreerde ambt van Anglican chaplain uit. In laatstgenoemde functie heeft hij tot een bedrag van f 6.485, -- uitgaven gedaan; een specificatie van dit bedrag is opgenomen in de uitspraak van het Hof.
Het Hof heeft naar de mening van de Staatssecretaris terecht de opvatting van belanghebbende dat de uitgaven als aftrekbare kosten zijn aan te merken, verworpen. Het Hof is echter van oordeel dat in het onderhavige geval waarin, ter voorkoming van financiële lasten voor de kerkelijke instelling uit de eigen middelen van belanghebbende onverplichte, niet op de eigen behoeftenbevrediging gerichte, uitgaven zijn gedaan ten behoeve van het uitoefenen van het ambt van priester van die kerkelijke instelling, welke uitgaven naar hun aard normaliter voor rekening van die kerkelijke instelling komen, die vermogensverschuiving voor belanghebbende oplevert een gift in de zin van artikel 47 van de Wet.
De Staatssecretaris kan zich met de beslissing van het Hof niet verenigen. Onder giften in de zin van artikel 47 moeten worden verstaan waardeverschuivingen uit het vermogen van de gever naar dat van de begiftigde waardoor diens vermogen wordt vergroot. Hiervan is naar de mening van de Staatssecretaris in het onderhavige geval geen sprake. De uitgaven zijn weliswaar gedaan in verband met werkzaamheden ten behoeve van het functioneren van de kerkelijke instelling, doch zij hebben niet een waardeverschuiving teweeg gebracht uit het vermogen van belanghebbende naar dat van de kerkelijke instelling waardoor het vermogen van de instelling zou zijn vergroot. De Staatssecretaris moge verwijzen naar het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 1972, rolnummer 16695 (BNB 1972/44).
Het Hof overweegt weliswaar dat de in het geding zijnde uitgaven naar hun aard normaliter voor rekening van de kerkelijke instelling komen doch er is niet gesteld of gebleken dat belanghebbende de uitgaven bij de instelling had kunnen declareren en daarvan vrijwillig heeft afgezien, in welk geval van een gift in de zin van artikel 47 wel sprake zou kunnen zijn. De Staatssecretaris moge in dit verband verwijzen naar de uitspraken van het Hof Leeuwarden van 20 juni 1975, nummer 3/75 (BNB 1976/106) en van het Hof Arnhem van 18 maart 1977, nummer 37/76 (Vakstudie-Nieuws 1978, bladzijde 40). Hij merkt in dit verband nog op dat hij de uitspraak van het Hof 's-Hertogenbosch van 22 juni 1971, nummer 754/70 (FED IB'64: Artikel 47:14) niet juist acht.
Ten slotte merkt de Staatssecretaris nog op dat het in het maatschappelijk leven veelvuldig voorkomt dat personen arbeid verrichten en uitgaven doen waarmede instellingen als bedoeld in artikel 47 van de Wet gebaat zijn. Het in aanmerking nemen van deze uitgaven als aftrekbare giften zou niet alleen tot grote praktische moeilijkheden leiden doch ook in strijd komen met doel en strekking van de giftenregeling. "; Overwegende aangaande dit middel:
dat aan het middel, blijkens de daarop gegeven toelichting, ten grondslag ligt de opvatting dat uitgaven als de in geschil zijnde nog wel als een gift in de zin van artikel 47 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kunnen worden aangemerkt indien de belastingplichtige die uitgaven bij de betrokken kerkelijke instelling had kunnen declareren en daarvan vrijwillig heeft afgezien;
dat die opvatting als juist kan worden aanvaard, maar daaruit, anders dan het middel wil, niet volgt dat de onderwerpelijke uitgaven niet als een gift in evenbedoelde zin kunnen worden aangemerkt;
dat immers de strekking van de wettelijke regeling van de aftrekbare giften - te weten het door vermindering van belasting bevorderen dat de financiële moeilijkheden van de in genoemd wetsartikel omschreven instellingen worden verlicht - toelaat om met het geval, dat ten behoeve van de instelling gedane uitgaven kunnen worden gedeclareerd en de belastingplichtige vrijwillig van declaratie afziet, gelijk te stellen die gevallen, waarin sprake is van uitgaven welke naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen door de instelling aan de belastingplichtige zouden behoren te worden vergoed, doch waaromtrent op grond van de slechte financiële positie van de instelling in het geheel geen vergoedingsregeling is getroffen dan wel door de belastingplichtige bij voorbaat van vergoeding is afgezien;
dat het Hof heeft vastgesteld, dat belanghebbende ter voorkoming van financiële lasten van de kerkelijke instelling uit eigen middelen onverplichte, niet op de eigen behoeftenbevrediging gerichte uitgaven heeft gedaan ten behoeve van de uitoefening van het ambt van priester van die kerkelijke instelling, alsmede, dat die uitgaven normaliter voor rekening van deze instelling komen;
dat die vaststellingen de gevolgtrekking toelaten, dat zich hier één van de bovenbedoelde gevallen heeft voorgedaan;
dat het middel mitsdien geen doel treft;
Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heren Telders, Vice-President, Reynders, Martens, Van Vucht en Jansen, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de zevende juni 1900 acht en zeventig, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Pieters.