14 maart 1980
J.O.
De Hoge Raad der Nederlanden,
in de zaak nr. 11.537 van
de naamloze vennootschap Schut Superieur N.V., gevestigd te Eerbeek (gemeente Brummen), eiseres tot cassatie van een door het Gerechtshof te Arnhem tussen partijen gewezen en op 25 juni 1979 uitgesproken arrest, vertegenwoordigd door Mr. L.D. Pels Rijcken, advocaat bij de Hoge Raad,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Wesneba B.V., gevestigd te Delft, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. H.P. Utermark, eveneens advocaat bij de Hoge Raad;
Gehoord partijen;
Gehoord de Advocaat-Generaal ten Kate in zijn conclusie strekkende tot verwerping van het beroep;
Gezien het bestreden arrest en de stukken van het geding, waaruit blijkt, voor zover in cassatie van belang: Bij exploit van 17 augustus 1978 heeft de eiseres tot cassatie (Schut) de verweerster in cassatie (Wesneba) in kort geding doen dagvaarden voor de President van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem en gevorderd de veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van Wesneba om, op straffe van een dwangsom, mee te werken aan overdracht van het nader te omschrijven onroerend goed, een en ander zoals nader in de koopovereenkomst tussen partijen voorzien, onder gelijktijdige betaling van de koopsom aan Schut, met veroordeling van Wesneba in de proceskosten.
Nadat Wesneba zich tegen de eis had verweerd, heeft de President bij vonnis van 31 augustus 1979 die eis toegewezen en Wesneba veroordeeld in de proceskosten.
Tegen dit vonnis heeft Wesneba zich in hoger beroep voorzien bij voormeld Gerechtshof en een aantal grieven tegen dat vonnis voorgesteld. Schut heeft aangevoerd dat Wesneba bij haar hoger beroep geen belang heeft, en voorts de grieven bestreden. Vervolgens heeft het Hof bij zijn bestreden arrest het vonnis van de President vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de gevraagde voorziening geweigerd, zulks na te hebben overwogen:
"1. dat in de door Wesneba aangevoerde grieven, welke het Hof gezamenlijk zal behandelen, der partijen onderwerpelijke geschil in volle omvang aan het oordeel van het Hof wordt onderworpen;
2. dat die grieven de navolgende vragen aan de orde stellen:
1. Kan Wesneba zich te goeder trouw met vrucht op dwaling beroepen?
2. Welke betekenis dient te worden toegekend aan de door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen bij brief van 21 juni 1978 verleende toestemming?;
3. dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, ten dele gestaafd door overgelegde bescheiden, tussen partijen vaststaat:
a. op 18 mei 1978 zijn Schut en Wesneba overeengekomen dat Schut het bedrijfsgebouw cum annexis, groot 68.70 aren, te Nijmegen, plaatselijk bekend als Nieuwe Markt nr. 31, kadastraal bekend als gemeente Nijmegen sectie B nr. 5212, waarvan zij eigenaresse was, aan Wesneba verkoopt voor f 1.225.000, -- kosten koper, onder de voorwaarden en bedingen als in de door Schut overgelegde - ongedateerde - koopakte vermeld, waaronder: "Verkoper legt aan koper de volgende persoonlijke verplichtingen op: die welke uit de titels voortvloeien";
b. krachtens titel(s) van aankomst behoefde Schut de goedkeuring van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen voor vervreemding;
c. bij brief 27 mei 1964 en 7 oktober 1970 vereiste toestemming voor de verkoop van het onderhavige fabriekscomplex te verlenen onder de voorwaarden als in deze brief omschreven;
c. bij brief van 21 juni 1978 heeft dat College van Burgemeester en Wethouders meegedeeld bereid te zijn de ingevolge akten van eigendomsoverdracht van 7 februari 1949, 27 mei 1964 en 7 oktober 1970 vereiste toestemming voor de verkoop van het onderhavige fabriekscomplex te verlenen onder de voorwaarden als in deze brief omschreven;
d. nadat de President Wesneba, op vordering van. Schut, bij het vonnis waarvan beroep had veroordeeld om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis mede te werken aan de overdracht van het fabriekscomplex onder gelijktijdige betaling van de koopsom, op straffe van verbeurte van een dwangsom, heeft de overdracht op 6 september 1978 plaatsgevonden ten overstaan van [notaris 1] , notaris ter standplaats Amsterdam. Blijkens de akte van overdracht heeft Schut verklaard de bedingen vermeld in het sub c vermelde schrijven van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen aan Wesneba op te leggen, die op haar beurt uitdrukkelijk heeft verklaard deze bedingen niet te aanvaarden. Voorts heeft Wesneba verklaard dat de medewerking aan de akte van overdracht uitsluitend plaatsvindt op grond van voormeld vonnis;
4. a. dat Schut heeft aangevoerd. dat Wesneba geen belang heeft bij het hoger beroep daar vernietiging van het vonnis van geen enkele invloed kan zijn op de eigendomsoverdracht zoals deze inmiddels heeft plaatsgevonden;
b. dat het Hof dit verweer verwerpt daar Wesneba, ingeval het vonnis bij onherroepelijk geworden uitspraak zou worden vernietigd, mede gelet op de inhoud van de akte van overdracht hierboven onder 3 sub d weergegeven, van Schut zal kunnen verlangen de koopprijs terug te betalen tegen teruglevering van het onderhavige fabriekscomplex;
5. a. dat wat de hierboven vermelde vragen betreft het Hof voorshands, evenals de President, van oordeel is dat de eerste vraag ontkennend dient te worden beantwoord;
b. dat met name niet is gebleken dat de Gemeente bij haar onderhoud met de directeur van Schut zou hebben doen blijken dat zij, privaatrechtelijk, geen andere bestemming dan die van een papierfabriek of woningen zou dulden; dat integendeel Drs. Blansjaar ter zitting heeft verklaard dat alleen de werkgelegenheid onderwerp van bespreking heeft gevormd en met name de vraag op welke wijze deze zou kunnen worden behouden;
c. dat evenmin is gebleken dat Schut verklaringen in strijd met de waarheid jegens Wesneba zou hebben afgelegd, terwijl Schut, zo deze zich ten tijde van het aangaan der transactie al bewust is geweest van de vereiste toestemming van de Gemeente, zeker niet heeft kunnen bevroeden - evenmin trouwens als Wesneba - dat de Gemeente voorwaarden zou gaan opleggen als zij heeft gedaan;
6. a. aangaande de tweede vraag, die ook naar het oordeel van Wesneba de kernvraag van deze procedure vormt;
b. dat uit de door Wesneba overgelegde titels van aankomst op grond waarvan de Gemeente toestemming heeft verleend voor de overdracht van het onderhavige fabriekscomplex onder de voorwaarden als in de brief van de Gemeente vermeld, voor zover te dezen van belang, blijkt:
I. De akte van 7 februari 1949 verleden voor notaris [notaris 2] te Nijmegen. Hierbij werd een perceel van 182 m2 door de gemeente Nijmegen in eigendom overgedragen aan de rechtsvoorgangster van Schut, waarbij de Gemeente het recht verkreeg om aan de gevels van het ter plaatse te bouwen fabrieksdeel "straatnaamborden, verkenmerken voor de dienstleidingen, verkeersborden, rozetten van leidingen voor de straatverlichting enz.", te bevestigen. Voorts werd bepaald dat de gevels niet voor reclamedoeleinden mochten worden gebezigd en dat vervreemding van het verkochte slechts kon geschieden onder goedkeuring van Burgemeester en Wethouders van Nijmegen terwijl de koopster (te weten de rechtsvoorgangster van Schut) of opvolgend verkrijger verplicht was de bij de verkoop gemaakte bedingen in de akte van vervreemding op te nemen; dat mitsdien - naar 's Hofs voorlopig oordeel - de Gemeente aan deze akte niet de bevoegdheid kon ontlenen om de door haar in voormelde brief opgenomen voorwaarden, die niets van doen hebben met het maken van reclame, straatnaamborden enz., aan Schut op te leggen.
II. De akte van 27 mei 1964 verleden voor notaris [notaris 3] te Nijmegen. Hierbij werd 208 m2 grond door de gemeente Nijmegen aan de rechtsvoorgangster van Schut overgedragen, waarbij werd bepaald: "Gehele of gedeeltelijke vervreemding van het gekochte door koopster is slechts toegestaan met toestemming van Burgemeester en Wethouders van Nijmegen en met inachtneming van de door dit College te stellen voorwaarden". Een kettingbeding werd niet opgenomen.
Van bijzondere door Burgemeester en Wethouders gestelde voorwaarden bij de overdracht aan Schut is niet gebleken;
dat ook aan deze - voor wat betreft het kunnen opleggen van voorwaarden geƫxpireerde - akte de Gemeente - naar 's Hofs voorlopig oordeel - evenmin bevoegdheid kon ontlenen voor het stellen van de voorwaarden als zij heeft gedaan.
III. De akte van 7 oktober 1970 verleden voor notaris [notaris 4] , te Beek. Hierbij werd 405 m2, door de gemeente Nijmegen in eigendom overgedragen aan de rechtsvoorgangster van Schut, waarbij werd bepaald dat "Gehele of gedeeltelijke vervreemding anders dan in samenhang met het gehele gebouwencomplex (bestaande fabriek van koopster) is door koopster of opvolgende verkrijgster slechts toegestaan met toestemming van Burgemeester en Wethouders van Nijmegen";
dat niet is gebleken dat de onderhavige overdracht anders dan in samenhang met het gehele gebouwencomplex is geschied, te weten de voormalige fabriek van de rechtsvoorgangster van Schut, zodat de Gemeente ook aan deze akte geen bevoegdheid kon ontlenen voor het stellen van voorwaarden;
7. dat het Hof voorshands dan ook op basis van de overgelegde stukken slechts tot de slotsom kon komen dat de Gemeente, die in haar brief van 21 juni 1978 uitsluitend naar voormelde akten van overdracht heeft verwezen, op basis van die akten de bevoegdheid miste om de - stringente en beperkende - voorwaarden op te leggen, gelijk zij heeft gedaan; dat ook Schut bij pleidooi in hoger beroep het standpunt heeft ingenomen dat de Gemeente voorwaarden heeft gesteld die zij niet had mogen stellen;
8. a. dat Schut als hierboven sub 4 overwogen bij de akte van transport aan Wesneba heeft verklaard de door de Gemeente gestelde voorwaarden aan Wesneba op te leggen, hetgeen kennelijk in de door Schut in eerste aanleg ingestelde vordering lag besloten;
b. dat Schut, die zeer wel heeft moeten begrijpen dat de inhoud der voorwaarden, die onder hoger vermelde omstandigheden niet geacht kan worden deel uit te maken van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst, voor Wesneba volstrekt onaanvaardbaar was, niet van Wesneba kon verlangen, medewerking te verlenen aan de akte van overdracht, indien zij deze voorwaarden van de Gemeente aan Wesneba wilde opleggen;
c. dat het op de weg van Schut had gelegen om zich eerst - ondanks haar moeilijke liquiditeitspositie - met de Gemeente over de voorwaarden te verstaan en zo nodig daaromtrent het oordeel van de rechter (in kort geding) in te roepen;
d. dat hieruit volgt dat Wesneba niet kon worden genoopt op deze wijze haar medewerking aan de akte van overdracht te verlenen en het vonnis waarvan beroep dan ook niet in stand kan blijven; ".
Schut bestrijdt 's Hofs arrest met het navolgende middel van cassatie:
"Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Hof op de in het bestreden arrest vervatte gronden, welke geacht moeten worden hier woordelijk te zijn herhaald, het door de President van de Rechtbank in deze zaak gewezen vonnis heeft vernietigd en de door Schut gevorderde voorziening heeft geweigerd, met verwerping van het door Schut gevoerde verweer dat Wesneba geen belang had bij haar hoger beroep, zulks ten onrechte om de volgende redenen:
1. Het Hof heeft vastgesteld, dat Schut blijkens de akte van eigendomsoverdracht heeft verklaard de bedingen, vermeld in het ten processe overgelegde schrijven van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen, aan Wesneba op te leggen en dat Wesneba op haar beurt blijkens die akte heeft verklaard die bedingen niet te aanvaarden.
Doordat Wesneba bedoelde bedingen niet heeft aanvaard, heeft de eenzijdige verklaring van Schut dat zij die bedingen aan Wesneba "oplegde" geen rechtsgevolg gehad en is Wesneba aan de inhoud dier bedingen niet gebonden.
Irrelevant is daarom wat het Hof in de achtste rechtsoverweging van het bestreden arrest heeft overwogen. In deze overweging is het Hof er ten onrechte van uitgegaan, dat Wesneba, niettegenstaande zij de door de Gemeente gestelde voorwaarden (de in voormeld schrijven van Burgemeester en Wethouders vermelde bedingen) niet heeft aanvaard, daaraan toch zou zijn gebonden. Aldus berusten die rechtsoverwegingen op een onjuiste rechtsopvatting. Voorts gaat het Hof er in de geciteerde overwegingen eveneens ten onrechte van uit, dat Wesneba (door Schut) zou zijn genoopt "op deze wijze" haar medewerking aan de akte van overdracht te verlenen, zulks hoewel Schut de eigendomsoverdracht van het verkochte onroerend goed juist niet afhankelijk heeft gesteld van aanvaarding door Wesneba van de door de Gemeente gestelde voorwaarden. Ook hier gaat het Hof uit van de onjuiste rechtsopvatting, dat Wesneba aan die voorwaarden gebonden zou zijn.
2. Mocht het Hof in de geciteerde overwegingen niet zijn uitgegaan van de in het vorige onderdeel bestreden onjuiste rechtsopvatting, dan zijn die overwegingen onbegrijpelijk en is voorts onbegrijpelijk dat het Hof mede op grond daarvan het vonnis van de President heeft vernietigd met verwerping van het verweer van Schut dat Wesneba geen belang had bij het hoger beroep daar vernietiging van het vonnis van geen enkele invloed kon zijn op de eigendomsoverdracht zoals deze inmiddels had plaatsgevonden.
3. Het Hof heeft het zoƫven genoemde verweer van Schut verworpen op grond dat Wesneba, ingeval het vonnis van de President bij onherroepelijk geworden uitspraak zou worden vernietigd, van Schut zou kunnen verlangen de betaalde koopprijs terug te betalen tegen teruglevering van het litigieuze fabriekscomplex.
Daarbij heeft het Hof miskend, dat Wesneba juist datgene heeft verkregen wat zij van Schut had gekocht zonder aanvaarding van enige verplichting, welke zij volgens het Hof niet ingevolge de koopovereenkomst op zich behoefde te nemen. Het oordeel van de President, dat Wesneba gehouden was de door de Gemeente gestelde voorwaarden (verlangde bedingen) te aanvaarden, heeft dan ook geen gevolg voor Wesneba gehad. Zij zal daarom niet op grond van onjuistheid van het Presidiale vonnis kunnen verlangen, dat de eigendomsoverdracht ongedaan wordt gemaakt en dat de koopprijs door Schut wordt terugbetaald. Wesneba heeft immers niet onverplicht aan de overdracht medegewerkt en heeft de koopprijs niet onverschuldigd betaald. Door mede te werken aan de overdracht en door betaling van de overeengekomen koopprijs heeft Wesneba niets meer of anders gedaan dan datgene waartoe zij zich bij de tevoren tot stand gekomen koop en verkoop had verbonden.
Daaraan doet niet af, dat Wesneba volgens de akte van overdracht heeft verklaard dat haar medewerking aan (de totstandkoming van) die akte uitsluitend op grond van het vonnis van de President geschiedde.
4. Uit het vorenstaande volgt, dat in het bestreden arrest ten onrechte, althans op onjuiste gronden, is geoordeeld dat Wesneba belang heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep. Het Hof had Wesneba in haar hoger beroep niet-ontvankelijk behoren te verklaren, althans behoren te beslissen dat het beroep niet tot vernietiging van het Presidiale vonnis kon leiden, omdat Wesneba daarbij geen - gerechtvaardigd - belang had.
5. Door de stelling van Schut, dat Wesneba bij het hoger beroep geen belang had, op de daarvoor aangevoerde grond te verwerpen heeft het Hof voorts voorbijgezien, dat partijen in de ten processe overgelegde akte van eigendomsoverdracht hebben verklaard (op bladzijde 9 onder 6 van die akte):
"6. Partijen doen afstand van hun rechten om, uit welken hoofde ook, ontbinding of vernietiging van deze koop te eisen."
Ook op grond van deze bepaling heeft het Hof ten onrechte aangenomen, dat Wesneba bij het hoger beroep belang had omdat zij, ingeval het vonnis van de President bij onherroepelijk geworden uitspraak zou worden vernietigd, van Schut zou kunnen verlangen de koopprijs terug te betalen tegen teruglevering van het onderhavige fabriekscomplex.
In elk geval had het Hof dit in het licht van de geciteerde bepaling niet mogen aannemen zonder te motiveren, waarom de door partijen gedane afstand van recht, als omschreven in de bepaling van de akte van overdracht, niet zou uitsluiten dat Wesneba, in geval van vernietiging van het vonnis van de President bij onherroepelijk geworden uitspraak, van Schut zou kunnen verlangen de koopprijs terug te betalen tegen teruglevering van het onderhavige fabriekscomplex.";
Overwegende daaromtrent:
Onderdeel 1 mist feitelijke grondslag, aangezien het Hof er in rechtsoverweging 8 van het bestreden arrest niet van is uitgegaan dat Wesneba, ofschoon zij de door de Gemeente gestelde voorwaarden niet had aanvaard, nochtans daaraan zou zijn gebonden, en evenmin dat Wesneba door Schut zou zijn genoopt "op deze wijze" (dat wil zeggen onder aanvaarding van die voorwaarden) haar medewerking aan de overdracht van het onroerend goed te verlenen.
In genoemde rechtsoverweging heeft het Hof vooropgesteld dat de door Schut ingestelde vordering strekte tot veroordeling van Wesneba om aan de overdracht mee te werken onder aanvaarding van bedoelde voorwaarden. Vervolgens heeft het Hof, op de gronden vervat in de alinea's b en c van die overweging, in het slot daarvan geoordeeld dat bedoelde vordering niet voor toewijzing vatbaar is. Dat oordeel, en de gronden waarop het berust, zijn niet onbegrijpelijk, zodat onderdeel 2 in zoverre tevergeefs is voorgesteld.
Dit onderdeel kan evenmin tot cassatie leiden voor zover het klaagt over 's Hofs verwerping, in rechtsoverweging 4 onder b, van het door Schut gevoerde verweer volgens hetwelk Wesneba geen belang zou hebben bij haar hoger beroep. Dat verweer moest reeds falen op grond van de omstandigheid dat Wesneba bij het in appel bestreden vonnis in de proceskosten was veroordeeld. Schut heeft derhalve geen belang bij een klacht in cassatie omtrent de wijze waarop het Hof bedoeld verweer heeft verworpen.
Aangezien ook de onderdelen 3, 4 en 5 zich tegen de verwerping door het Hof van voormeld verweer keren, treffen zij evenmin doel;
Verwerpt het beroep;
Veroordeelt Schut in de kosten op de voorziening gevallen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Wesneba begroot op f 230,45 aan verschotten en f 1.700, -- voor salaris.
Aldus gedaan door Mrs. Ras, Vice-President, Drion, Snijders, Haardt en Royer, Raden, en door Mr. Drion voornoemd bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van de veertiende maart 1900 tachtig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Franx.