19 mei 1982
nr. 20.850
AdJ.
De Hoge Raad der Nederlanden,
Gezien het beroepschrift in cassatie van de Chef van de afdeling financiën van de gemeente [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 januari 1981 betreffende na te melden aan [X] te [Z] opgelegde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente [Z] voor het jaar 1978;
Gezien de stukken;
Overwegende dat aan belanghebbende wegens het genot krachtens zakelijk recht en het feitelijk gebruik van het onroerend goed, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z], voor het jaar 1978 op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente [Z] zijn opgelegd naar een waarde in het economische verkeer van f 112.000, -- , welke aanslagen, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Chef van de afdeling financiën van de gemeente [Z] zijn gehandhaafd, waarna belanghebbende van die uitspraak in beroep is gekomen bij het Hof;
Overwegende dat in de gemeente [Z] voor het onderhavige jaar geldt de Verordening onroerend-goedbelastingen 1976, waarvan de te dezen van belang zijnde bepalingen voor dat jaar luiden als volgt:
"Artikel 1.
Ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerend goed - met uitzondering van ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond - worden onder de naam "onroerend- goedbelasting" jaarlijks geheven:
a. een directe belasting van degene, die - naar de omstandigheden beoordeeld - bij het begin van het belastingjaar een onroerend goed al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht feitelijk gebruikt;
b. een directe belasting van degene, die bij het begin van het belastingjaar van een onroerend goed het genot heeft krachtens zakelijk recht.
Artikel 2.
De grondslag waarnaar de in artikel 1 bedoelde belastingen worden geheven, is de waarde welke aan het onroerend goed in het economische verkeer kan worden toegekend.
Artikel 3.
Enzovoorts.
Artikel 5.
1. De heffingsgrondslag wordt vastgesteld naar de toestand op 1 januari 1977 en vervolgens naar de toestand op een tijdstip dat telkens 5 jaren later valt. Indien met betrekking tot een onroerend goed de in artikel 1 bedoelde uitzondering of een in artikel 7 bedoelde vrijstelling niet meer kan worden toegepast voor een belastingjaar waarvan het begin niet samenvalt met een in de vorige volzin bedoeld tijdstip, wordt de heffingsgrondslag alsnog vastgesteld op de onderstelde waarde in het economische verkeer, welke aan dat onroerende goed zou zijn toegekend op het direct aan dat belastingjaar voorafgaande tijdstip dat ingevolge het bepaalde in de vorige volzin in aanmerking zou zijn genomen, indien op dat tijdstip die uitzondering of die vrijstelling niet van toepassing was geweest. Een aldus vastgestelde heffingsgrondslag vindt toepassing voor elk belastingjaar - indien en voor zover daarvoor de evenbedoelde uitzondering of vrijstelling niet van toepassing is - vallende in een tijdvak van 5 jaren, welk tijdvak aanvangt op een tijdstip als is bedoeld in de eerste volzin.
2. Indien de heffingsgrondslag op de voet van het eerste lid is vastgesteld en op enig tijdstip gedurende de eerste 4 jaren het tijdvak waarvoor die heffingsgrondslag toepassing zou moeten blijven vinden, de waarde in het economische verkeer wijziging ondergaat als gevolg van hetzij bouw, daaronder begrepen verbouwing of afbraak, hetzij verandering van bestemming, wordt in afwijking van het eerste lid de heffingsgrondslag opnieuw vastgesteld. Die nieuwe heffingsgrondslag wordt vastgesteld op de onderstelde waarde in het economische verkeer, welke in aanmerking zou zijn genomen, indien die bouw, afbraak of bestemmingsverandering zijn beslag had gekregen bij de aanvang van het evenbedoelde tijdvak. Alsdan treedt die opnieuw vastgestelde heffingsgrondslag in de plaats van die welke op de voet van het eerste lid laatstelijk is vastgesteld en vindt voor het eerst toepassing voor het belastingjaar volgende op dat waarin die wijziging van de waarde in het economische verkeer is ingetreden. ";
Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt:
"Belanghebbende bewoont een zogenaamde tussenwoning aan de [a-straat 1] te [Z]. Medio oktober 1976 werd begonnen met een verbouwing. Over de hele breedte van de woning ( circa 6 meter) kwam aan de achterzijde een uitbouw van ongeveer 2,75 meter diep. De uitbouw betrof zowel de woonkamer als de keuken, de bovenverdieping bleef ongewijzigd, met dien verstande dat het dak van de uitbouw dienst zou gaan doen als balkon. Medio december 1976 werd het werk door de aannemer opgeleverd (glas- en waterdicht). Op 1 januari 1977 waren centrale verwarming en aansluitingen voor electriciteit aanwezig. In de keuken moesten nog enige kastjes worden opgehangen en de aanwezige geiser moest opnieuw worden aangesloten. Voorts was er op die datum nog niet behangen, terwijl ook de vloerbedekking in de uitbouw nog niet was gelegd. De kosten van de verbouwing hebben ongeveer f 18.000, -- bedragen.
Voor de heffing van de onroerend-goedbelastingen per 1 januari 1977 is het pand getaxeerd op f 92.000, --. De schatting vond plaats in november 1976. De aan de gang zijnde verbouwing is door de taxateur niet geconstateerd en opgenomen; bij de vaststelling van de waarde is deze verbouwing buiten beschouwing gelaten.
In september 1978 heeft de gemeente het pand opnieuw getaxeerd, waarbij de waarde, rekening houdend met die verbouwing, is vastgesteld op f 112.000, --. De aanslagen zijn gebaseerd op deze waarde; ";
Overwegende dat het Hof het geschil, voor zover in cassatie van belang, aldus heeft weergegeven:
"primair of de gemeente terecht in verband met het bepaalde in artikel 5, lid 2, van de Verordening de heffingsgrondslag opnieuw heeft vastgesteld; belanghebbende bestrijdt dit, aangezien de verbouwing zijns inziens op 1 januari 1977 reeds was voltooid, zodat krachtens artikel 5, lid 1, van de Verordening de voor het belastingjaar 1977 vastgestelde waarde van f 92.000, -- ook voor de belastingjaren 1978 tot en met 1981 moet gelden; de gemeente is de mening toegedaan dat het juist is dat de heffingsgrondslag opnieuw overeenkomstig voormelde bepaling van de Verordening is vastgesteld;
subsidiair of, indien ervan moet worden uitgegaan dat het standpunt van de gemeente ten aanzien van het primaire geschilpunt juist is, de waarde van het pand moet worden gesteld op f 102.000, -- , gelijk belanghebbende stelt, dan wel op f 112.000, -- , zoals de gemeente voorstaat; ";
Overwegende dat het Hof heeft overwogen dat partijen elk haar hierboven omschreven standpunten doen steunen op hetgeen daartoe is aangevoerd in de van haar afkomstige stukken en dat zij daaraan ter zitting, voor zover in cassatie van belang, de navolgende argumenten hebben toegevoegd:
"belanghebbende:
ten aanzien van het primaire geschilpunt: op 1 januari 1977 had hij het woongenot van het hele pand; reeds met de Kerstdagen 1976 is er normaal in de woning geleefd, ook al moesten er nog bepaalde werkzaamheden (zoals vloerbedekking leggen en behangen) geschieden;
ten aanzien van het subsidiaire geschilpunt: de Stichting Kafi rekent per m2 inhoud van het pand een bedrag van f 240, --; de inhoud van de uitbouw bedraagt ongeveer 42 m3, zodat de waardevermeerdering ten gevolge van de verbouwing circa f 10.000, -- beloopt;
de Chef :
ten aanzien van het primaire geschilpunt: de waarde van de uitbouw moet in de waarde van het hele pand tot uiting komen; pas ná 1 januari 1977 is geconstateerd dat de uitbouw voltooid is; hertaxatie op grond van artikel 5, lid 2, van de Verordening is juist; het al dan niet gereed zijn van de verbouwing op 1 januari 1977 was - en is ook achteraf - moeilijk vast te stellen;
ten aanzien van het subsidiaire geschilpunt: aannemelijk is dat, gelet op het toegenomen woongenot, de waardevermeerdering ten minste gelijk is aan de verbouwingskosten, zo niet hoger dan het voor de verbouwing uitgegeven bedrag;";
Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:
"dat het Hof op grond van de vaststaande feiten van oordeel is dat de onderhavige verbouwing vóór 1 januari 1977 was voltooid; dat daaraan niet afdoet dat nog enkele werkzaamheden moesten geschieden; dat deze werkzaamheden - die bovendien deels de inrichting betroffen - naar 's Hofs oordeel van ondergeschikt belang waren, dat het Hof geen reden heeft te twijfelen aan belanghebbendes mededeling dat hij op 1 januari 1977 het woongenot van het gehele pand had;
dat het Hof er begrip voor heeft dat de gemeente bij de invoering van de onroerend-goedbelastingen niet elk pand afzonderlijk heeft kunnen doen opnemen en schatten; dat de globale wijze waarop in het onderhavige geval kennelijk de eerste waardevaststelling heeft plaatsgevonden - niet gebleken is dat de taxateur in november 1976 ter plekke kennis heeft genomen van de aan de gang zijnde verbouwing - het risico in zich bergt dat niet met alle voor de waardevaststelling per 1 januari 1977 van belang zijnde factoren is rekening gehouden; dat het echter geen daad van behoorlijk bestuur zou zijn belanghebbende de gevolgen daarvan te laten dragen;
dat op grond van het vorenoverwogene belanghebbendes grief gegrond is bevonden, zodat de subsidiaire grief geen behandeling meer behoeft; ";
Overwegende dat het Hof op die gronden de uitspraak van de Chef heeft vernietigd en de aanslagen heeft verminderd in dier voege dat deze worden berekend uitgaande van een waarde in het economische verkeer van het onroerend goed van f 92.000, --;
Overwegende dat de Chef - in een op 26 februari 1981 bij de Hoge Raad ingekomen beroepschrift - in cassatie klaagt over schending en/of verkeerde toepassing van het recht, met name van artikel 273 van de gemeentewet, de artikelen 3, lid 1 en 5, van het Besluit gemeentelijke onroerend-goedbelastingen en de overeenkomstige artikelen 2 en 5, lid 1, van de Verordening onroerend-goedbelastingen 1976 van de gemeente [Z], alsmede het gelijkheidsbeginsel, welke klacht als volgt is toegelicht:
"Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat de verbouwing bij de vaststelling van de heffingsgrondslag per 1 januari 1978 (belastingjaar 1978) buiten beschouwing diende te worden gelaten. Als redengeving voert het Hof hiertoe aan dat het onjuist zou zijn om, wanneer bij de waardebepaling per 1 januari 1977 de verbouwing niet in de heffingsgrondslag besloten zou zijn, deze bij de vaststelling van heffingsgrondslagen voor de belastingjaren vallend binnen de periode van vijf jaren vanaf 1977 wel in beschouwing te nemen.
De Chef is de mening toegedaan dat de aanslag voor het belastingjaar 1977 inderdaad niet vastgesteld mocht worden met inachtneming van de verbouwing, doch dat de aanslagen voor de jaren 1978, 1979, 1980 en 1981 wel met inachtneming hiervan vastgesteld dienen te worden, ten einde deze aanslagen in overeenstemming te doen zijn met het daaromtrent bepaalde in de Verordening (artikel 5, lid 1). Door anders te beslissen heeft het Hof de wet, het besluit en de verordening welke hierboven zijn genoemd, geschonden en/of verkeerd toegepast.
Door deze handeling is tevens het gelijkheidsbeginsel geschonden, nu eigenaren van woningen, waarvan wel op 1 januari 1977 geconstateerd is, dat zij hun woning op identieke wijze verbouwd hadden welke verbouwing voor de vaststelling van de heffingsgrondslag per 1 januari 1977 wel in beschouwing is genomen voor een identieke woning gedurende vijf jaar meer belasting zouden moeten betalen dan belanghebbende.
Hierbij wordt nog buiten beschouwing gelaten dat de bestreden uitspraak tot gevolg heeft dat het de gemeenten onmogelijk zou worden gemaakt aperte onjuistheden bij de vaststelling van heffingsgrondslagen te corrigeren.";
Overwegende dienaangaande:
dat ingevolge artikel 5, lid 1, eerste zin, van de Verordening de heffingsgrondslag - de waarde welke aan het onroerend goed in het economische verkeer kan worden toegekend - wordt vastgesteld naar de toestand op 1 januari 1977 en vervolgens naar de toestand op een tijdstip dat telkens 5 jaren later valt;
dat de omstandigheid dat de waarde van een onroerend goed per 1 januari 1977 is bepaald op een zeker bedrag en de aanslagen over het jaar 1977 dienovereenkomstig zijn vastgesteld, niet eraan in de weg staat dat voor de belastingheffing in een later jaar, waarvoor ingevolge evenbedoelde bepaling de waarde in het economische verkeer ook naar de toestand op 1 januari 1977 moet worden vastgesteld, die waarde op een ander bedrag wordt bepaald en de aanslagen dienovereenkomstig worden vastgesteld;
dat dit voortvloeit uit de aard van de onroerend-goedbelastingen als van jaar tot jaar, zij het vaak in achtereenvolgende jaren naar de waarde in het economische verkeer op eenzelfde peildatum, geheven belastingen, waarbij iedere aanslag - afgezien van hetgeen hierna omtrent de beginselen van behoorlijk bestuur zal worden overwogen - zelfstandig moet worden vastgesteld;
dat dit ook strookt met hetgeen is opgemerkt in de Nota van Toelichting op artikel 3, lid 1, van het Besluit gemeentelijke onroerend-goedbelastingen, welke bepaling mede ten grondslag ligt aan artikel 5, lid 1, van de Verordening, te weten "dat heffing voor een aantal jaren naar een voor al die jaren gelijk tijdstip, niet uitsluit dat voor elk jaar opnieuw bezwaar kan worden gemaakt tegen de in aanmerking genomen waarde";
dat mogelijk is dat op grond van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur moet worden geoordeeld dat de aanslagen moeten worden vastgesteld naar eenzelfde waarde van het onroerend goed als bij de aanslag voor 1977 in aanmerking is genomen, ook al is die waarde lager dan overeenkomt met de Verordening;
dat het Hof klaarblijkelijk heeft aangenomen dat een dergelijk geval zich hier voordoet, nu naar 's Hofs oordeel de globale wijze van waardevaststelling - waarbij niet is gebleken dat de taxateur in november 1976 ter plekke kennis heeft genomen van de aan de gang zijnde verbouwing - het risico in zich bergt dat niet met alle voor de waardevaststelling per 1 januari 1977 van belang zijnde factoren is rekening gehouden en belanghebbende niet de gevolgen daarvan behoort te dragen;
dat het Hof aldus heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting;
dat toch de enkele omstandigheid dat voor de belastingheffing over het jaar 1977 is volstaan met een globale wijze van waardevaststelling niet eraan in de weg staat dat voor de belastingheffing over een later jaar wordt overgegaan tot een meer nauwkeurige wijze van waardevaststelling, eens te minder in een geval als het onderhavige, waarin naar 's Hofs vaststelling na de aanvankelijke waardevaststelling maar vóór de peildatum van 1 januari 1977 een verbouwing van het onroerend goed is voltooid;
dat de klacht mitsdien gegrond is en 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven;
Overwegende dat verwijzing moet volgen voor een onderzoek van het subsidiaire geschilpunt;
Vernietigt de uitspraak van het Hof;
Verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.
Gedaan bij de Heren Van Dijk, Vice-President, Van der Vorm, Stoffer, Bloembergen en Baardman, Raden, en door de Vice- President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de negentiende mei 1900 twee en tachtig, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Mees.