14 oktober 1983
Eerste Kamer
Req.nr. 6161
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [verzoeker 1] ,
2. [verzoeker 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: Mr. J. Groen,
t e g e n
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. P.A. Wackie Eijsten,
PD - Kt 30/3/1981.
1. Het geding in feitelijke instanties.
Op 23 februari 1981 heeft [verweerder] zich gewend tot de Kantonrechter te Amsterdam met het verzoek de opzegging van de huur van de in het verzoekschrift bedoelde bedrijfsruimte aan de [a-straat 1] te [woonplaats] door [verzoekers] tegen 1 april 1981 nietig te verklaren, waarbij [verweerder] zich op het standpunt heeft gesteld dat het hier gaat om bedrijfsruimte in de zin van art. 1624 BW. [verweerder] heeft vervolgens bij verzoekschrift van 29 mei 1981, voor het geval het niet om zodanige bedrijfsruimte zou gaan, de Kantonrechter verzocht de termijn, waarin de verplichting van verzoeker om na opzegging van de huur het onroerend goed [a-straat 1] te [woonplaats] te ontruimen, geschorst is, te verlengen tot één jaar, dat wil zeggen tot 1 april 1982.
Nadat [verzoekers] tegen die verzoeken verweer hadden gevoerd, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 13 juli 1981 het verzochte afgewezen, en verstaan dat de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de bedrijfsruimte (met bedrijfswoning) aan de [a-straat 1] te [woonplaats] van rechtswege is verlengd, ingaande 1 april 1981, met 5 jaren.
Tegen deze beschikking heeft [verzoekers] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam.
Bij beschikking van 19 mei 1982 heeft de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.