31 augustus 1984
Eerste Kamer
Req.nr. 6754
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: Mr. J.A. van Keulen
1. Het geding in feitelijke instanties
De Officier van Justitie in het Arrondissement Utrecht heeft op 23 mei 1984 onder overlegging van een op 23 mei 1984 ontvangen geneeskundige verklaring, alsmede een verklaring van de burgemeester van de gemeente Zeist de voortzetting van de inbewaringstelling van verzoeker tot cassatie gevorderd.
Nadat de fungerend President verzoeker en de behandelend arts had gehoord, heeft hij bij beschikking van 28 mei 1984 de voortzetting van de inbewaringstelling van verzoeker bevolen.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierequest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Ten Kate strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Voor zover het middel ervan uitgaat dat de in art. 35i, eerste lid, tweede volzin, Krankzinnigenwet voorziene termijn van drie dagen reeds begint te lopen op de dag waarop de president van de rechtbank de vordering tot voortzetting van de inbewaringstelling heeft ontvangen, berust het op een onjuiste rechtsopvatting.
Nu noch de tekst van die bepaling noch de geschiedenis van haar totstandkoming enige aanwijzing voor het tegendeel bevat, moet — in overeenstemming met hetgeen in het algemeen voor processuele termijnen vanouds geldt — worden aangenomen dat deze dag niet wordt meegerekend bij de berekening van de termijn van drie dagen.
3.2 Het middel betoogt voorts dat, indien de laatste dag van de termijn van drie dagen valt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, de termijn niet wordt verlengd. Ook dit betoog faalt.
Het bepaalde in de Algemene termijnenwet is van toepassing op de onderhavige termijn, nu uit de tekst van voormelde bepaling der Krankzinnigenwet, noch uit de geschiedenis van haar totstandkoming blijkt dat de wetgever heeft beoogd de onderhavige termijn uit te sluiten van de werking van de Algemene Termijnenwet.
3.3 Uit het voorgaande volgt dat het middel niet tot cassatie kan leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gewezen door de vice-president Drion als voorzitter en de raadsheren Royer, De Waard, Roelvink en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Drion op 31 augustus 1984.