Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
3 april 1985
Nr. 22.932
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van [X1] en [X2], wonende respectievelijk te [Z1] en [Z2], tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 maart 1984 betreffende de wegens na te melden verkrijging opgelegde naheffingsaanslagen in de overdrachtsbelasting.
1. Aanslag en bezwaar.
Aan belanghebbenden zijn ter zake van de verkrijging van de appartementsrechten, plaatselijk bekend als [a-straat 1] en [a-straat 2] te [Z1], naheffingsaanslagen in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van in totaal f 2.370, -- aan belasting en f 237, -- aan verhoging. Die aanslagen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur gehandhaafd.
2. Geding voor het Hof.
Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de naheffingsaanslagen verminderd tot aanslagen ten bedrage van in totaal f 1.980, -- aan belasting en f 198, -- aan verhoging.
3. Geding in cassatie.
Belanghebbenden hebben van 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige klachten tegen die uitspraak aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een vertoogschrift ingediend.
4. Beoordeling van de klachten.
Het Hof heeft bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van het in geschil zijnde appartementsrecht terecht beslissend geacht wat een potentiƫle koper die zich behoorlijk op de hoogte zou hebben gesteld van de voornemens van de reeds op leeftijd zijnde huurster ten aanzien van de huur, daarvoor zou hebben willen betalen.
Het Hof heeft vervolgens geoordeeld, rekening houdend met enige onzekerheid omtrent het leegkomen van het appartement, dat evenbedoelde waarde op 29 april 1982 dient te worden gesteld op f 66.000, --. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en kan overigens - als zijnde van feitelijke aard - in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Met name is het aan het Hof voorbehouden de bewijskracht te beoordelen van de verklaringen van de door de voormalige huurster en de vader van belanghebbenden afgelegde schriftelijke verklaringen, waarop belanghebbenden zich beroepen.
Voor een verdere bewijsvoering is in cassatie geen plaats meer.
5. Beslissing.
De Hoge Raad
verwerpt het beroep.
Aldus gewezen door mrs. Van Dijk, vice-president, Van Vucht, Stoffer, Verburgh en Baardman, raden. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter raadkamer van 3 april 1985 in tegenwoordigheid van de waarnemend-griffier mr. Lamens.