Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
1 mei 1985.
Nr. 22.934
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 september 1983 betreffende de aan hem voor het tijdvak van 1 januari 1972 tot en met 31 december 1973 opgelegde aanslag tot naheffing van omzetbelasting.
1. Aanslag en bezwaar.
Aan belanghebbende is voor het tijdvak 1 januari 1972 tot en met 31 december 1973 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 12.613,74 aan enkelvoudige belasting met een verhoging van f 3.153, -- , welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur is gehandhaafd.
2. Geding voor het Hof.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een naar een bedrag van f 10.515,17 aan enkelvoudige belasting en een bedrag van f 2.628, -- aan verhoging.
3. Geding in cassatie.
Belanghebbende heeft van 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij tegen die uitspraak enige klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een vertoogschrift ingediend.
4. Beoordeling van het beroep in cassatie.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende het van hem gevorderde bewijs als bedoeld in artikel 29, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet heeft bijgebracht. Het Hof heeft met dat oordeel klaarblijkelijk mede verworpen de bestrijding door belanghebbende van de door de Inspecteur aan diens berekening van de omzet over de jaren 1972 en 1973 mede ten grondslag gelegde posten van "Meer omzet wegens uitbetaalde lonen casu quo uitbesteed werk" ad f 31.200, --.
Dit oordeel kan wegens zijn feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht, zodat de daartegen gerichte klachten falen.
5. Beslissing.
De Hoge Raad
verwerpt het beroep.
Aldus gewezen door mrs. Vroom, vice-president, Stol, Jansen, Van der Linde en Roelvink, raden. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter raadkamer van 1 mei 1985, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Van den Dries.