Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
20 maart 1985.
nr. 22.935
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 januari 1984 betreffende de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1981.
1. Aanslag.
Aan belanghebbende is voor het jaar 1981 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 31.886, --.
2. Geding voor het Hof.
Belanghebbende is, na verkregen schriftelijke toestemming van de Inspecteur, op de voet van artikel 26, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van de aanslag rechtstreeks in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de aanslag gehandhaafd.
3. Geding in cassatie.
Belanghebbende heeft van 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en heeft daarbij twee klachten aangevoerd. De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een vertoogschrift ingediend.
4. Beoordeling van de klachten.
4.1. 's Hofs onder 1 bestreden oordeel dat aard, inrichting en functie van het onroerend goed na de verbouwing een geheel andere waren dan voorheen, is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Het Hof behoefde zich van dat oordeel niet te laten weerhouden door de omstandigheid dat al voor de aankoop van het onroerend goed door belanghebbende sprake was van een monument dat uitsluitend voor woondoeleinden werd gebruikt en niet meer als boerderij functioneerde.
De klacht onder 1 faalt derhalve.
4.2. Voor zover de klacht onder 2 opkomt tegen hetgeen het Hof heeft vastgesteld met betrekking tot de aan het onroerend goed verrichte werkzaamheden, treft deze klacht geen doel, omdat die vaststelling - welke niet onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen belanghebbende blijkens 's Hofs uitspraak en de gedingstukken voor het Hof heeft aangevoerd - is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.
Ook 's Hofs conclusie dat door de restauratie en verbouwing een nieuwe bron van inkomen is tot stand gebracht moet, als niet blijk gevend van een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie worden geƫerbiedigd.
De klacht onder 2 kan mitsdien evenmin tot cassatie leiden.
5. Beslissing.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Aldus gewezen door mrs. Van Dijk, vice-president, Van der Vorm, Stoffer, Verburgh en Baardman, raden. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter raadkamer van 20 maart 1985, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Lamens.