ECLI:NL:HR:1985:AC8821

ECLI:NL:HR:1985:AC8821, Hoge Raad, 27-03-1985, 22 931

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 27-03-1985
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 22 931
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

Milieuheffingen Werk of oppervlaktewater.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

derde kamer

27 maart 1985.

nr. 22.931

ARREST

gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Verkeer en Waterstaat tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 maart 1984 betreffende de aan het

Waterschap Zuiveringschap Limburg, gevestigd te Roermond, opgelegde aanslag in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren voor het jaar 1979.

1. Aanslag en bezwaar.

Aan belanghebbende is voor het jaar 1979 een aanslag in de verontreinigingsheffing rijkswateren opgelegd, berekend naar 193.709 inwonerequivalenten, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van het bureau verontreinigingsheffing rijkswateren - hierna te noemen "het Hoofd" - is gehandhaafd. De aanslag is vervolgens bij beschikking van het Hoofd ambtshalve verminderd tot een aanslag berekend naar 179.409 inwonerequivalenten.

2. Geding voor het Hof.

Belanghebbende is van de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de vaststaande feiten als volgt weergegeven:

"In de Provincie Limburg stroomt tussen het Julianakanaal en de Maas het beekje de Ur. Zowel de Maas als de Ur zijn oppervlaktewateren in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren - hierna: de Wet -. Het kwaliteitsbeheer van de Maas berust bij het rijk, het kwaliteitsbeheer van de Ur bij belanghebbende.

De Ur mondt uit in de Maas bij de voormalige gemeente Urmond. Enkele kilometers zuidelijk van deze uitmonding bevindt zich tussen de Maas en de Ur de zuiveringsinstallatie van D.S.M .. Ter hoogte van deze zuiveringsinstallatie is tussen de Ur en de Maas een verbinding gemaakt, de zogenaamde "zijtak Ur". De voormelde verbinding is omstreeks 1977 aangelegd. Voor het aanleggen van deze in de desbetreffende stukken als "waterlossing" aangeduide verbinding hebben Gedeputeerde Staten van Limburg belanghebbende in augustus 1977 vergunning verleend. Voor het maken van een uitmonding van deze waterlossing in het zomerbed van de Maas is aan belanghebbende in 1978 vanwege de Minister van Verkeer en Waterstaat krachtens de Rivierenwet vergunning verleend.

De zijtak Ur heeft een lengte van ongeveer 700 meter. Hij bestaat achtereenvolgens, gerekend vanaf de Ur, uit een duiker met een lengte van ongeveer 50 meter onder de naast de Ur gelegen weg, een open beekvak ter lengte van ongeveer 200 meter, en een duiker van betonnen buizen met een diameter van 1.70 meter - hierna: ondergronds traject - met een lengte van ongeveer 450 meter.

Op het punt waar het open beekvak overgaat in het ondergrondse traject wordt het effluent van de zuiveringsinstallatie op de zijtak Ur gebracht. Aldaar is in de zijtak Ur een terugslagklep aangebracht, ten einde te voorkomen dat het effluent in de richting van de Ur stroomt. In de duiker onder de naast de Ur gelegen weg bevindt zich een klep waarmede de watertoevoer vanuit de Ur in de zijtak Ur wordt geregeld en kan worden afgesloten.

Het beheer van de zijtak Ur berust bij belanghebbende.

De vervuilingswaarde van het effluent bedraagt voor het onderwerpelijke jaar 43.000 inwonerequivalenten. Het Hoofd is er bij het opleggen van de aanslag van uitgegaan dat het effluent via een bij belanghebbende in beheer zijnd werk op de Maas wordt geloosd."

Het Hof heeft het geschil omschreven als volgt:

"dat het geschil de volgende vragen betreft:

1. of de lozing van het effluent van de zuiveringsinstallatie van D.S.M. via een bij belanghebbende in beheer zijnd werk plaatsvindt op de Maas, gelijk het Hoofd stelt, dan wel op een bij belanghebbende in beheer zijnd oppervlaktewater, hetgeen belanghebbende verdedigt;

2. of, indien het gelijk voor wat de eerste vraag betreft aan de zijde van belanghebbende mocht zijn, te dezen in fraudem legis is gehandeld; het Hoofd beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend. "

Met betrekking tot de standpunten van partijen heeft het Hof vermeld:

"dat partijen hun vorenomschreven standpunten doen steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in het beroepschrift, onderscheidenlijk het vertoogschrift, alsook in hun respectieve pleitnota's, welker inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt; dat partijen aan hun aldus gegeven uiteenzettingen ter zitting verder geen andere argumenten hebben toegevoegd."

Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:

"dat uit de vaststaande feiten volgt dat de zijtak Ur in verbinding staat zowel met de Ur als met de Maas, met dien verstande dat zich bij de verbinding met de Ur een klep bevindt waarmee de watertoevoer vanuit de Ur naar de zijtak Ur wordt geregeld en kan worden afgesloten en dat in de zijtak Ur, ter plaatse waar het open beekvak van de zijtak Ur overgaat in het ondergrondse traject daarvan - op welk punt het effluent van de sub factis genoemde zuiveringsinstallatie op de zijtak Ur wordt gebracht -, een terugslagklep is aangebracht ten einde te voorkomen dat dit effluent in de richting van de Ur stroomt;

dat het Hof aannemelijk acht dat, al stond het open beekvak van de zijtak Ur, ten gevolge van de stand van de klep in de duiker onder de naast de Ur gelegen weg, in het jaar 1979 veelal droog, vanuit dit beekvak geregeld - dat wil zeggen: niet minder dan eenmaal per jaar - gedurende enige tijd water wegvloeit naar de Maas;

dat het Hof mitsdien, mede in aanmerking genomen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet blijkt dat het begrip oppervlaktewater ruim moet worden uitgelegd, van oordeel is dat althans dit open beekvak van de zijtak Ur als een oppervlaktewater in de zin van de Wet moet worden aangemerkt;

dat de omstandigheid dat dit open beekvak van de zijtak Ur een oppervlaktewater is in de zin van de Wet meebrengt dat ook het stroomafwaarts gelegen ondergrondse traject van de zijtak Ur een oppervlaktewater is in de zin van de Wet, althans ter plaatse waar, aan het begin van dit ondergrondse traject, het effluent van de voormelde zuiveringsinstallatie op de zijtak Ur wordt gebracht;

dat uit het vorenoverwogene, gelet ook op hetgeen overigens vaststaat, volgt dat de lozing van het effluent van meervermelde zuiveringsinstallatie in 1979 plaatsvond op een bij belanghebbende in beheer zijnd oppervlaktewater in de zin van de Wet;

dat het Hoofd subsidiair stelt dat te dezen in fraudem legis is gehandeld en deze stelling verdedigt met het argument dat het ondergrondse traject van de zijtak Ur in 1979 uitsluitend dienst heeft gedaan voor de afvoer van meervermeld effluent, en aan dit traject dan ook ten onrechte de naam waterlossing is gegeven; dat uit het vorenoverwogene echter volgt dat het ondergrondse traject van de zijtak Ur in 1979 niet uitsluitend dienst heeft gedaan voor de afvoer van het effluent, doch mede voor de afvoer van het zich in het open beekvak van de zijtak Ur bevindend water;

dat dan ook de subsidiaire stelling van het Hoofd - wat daarvan overigens zij - geen verdere bespreking behoeft."

Op deze gronden heeft het Hof de uitspraak van het Hoofd vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar 136.409 inwonerequivalenten.

3. Geding in cassatie.

De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft van 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij het volgende aangevoerd:

"I. Omschrijving van het geschil.

Bij de overwegingen welke de situatie en het geschil omschrijven wordt opgemerkt,

dat de vermindering van de vervuilingswaarde van 193.709 tot 179.049 inwonerequivalenten ambtshalve plaatshad, na het bekend worden van de arresten van de Hoge Raad de dato 22 juli 1983 (B.N.B. 1983, nummers 276, 277 en 278);

dat de effluentlozing van de D.S.M. op het ondergrondse gedeelte van de "Zijtak Ur" plaatshad in een verzamelkelder;

dat de Ur blijkens de processtukken (nagenoeg) uitsluitend ongezuiverd rioolafvalwater van de gemeente Stein bevat;

dat het Hof het open beekvak, alsmede het ondergronds riool heeft aangemerkt als oppervlaktewater in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren hierna: W.V.O ..

Verwezen kan worden naar het arrest van 30 november 1982, BNB 1983, nummer 244 waarin de Hoge Raad het begrip oppervlaktewater als volgt omschrijft:

""Als oppervlaktewater in de zin der Wet is te beschouwen een - anders dan louter incidenteel aanwezige - aan het aardoppervlak en aan de open lucht grenzende watermassa (met inbegrip van een bedding waarin zodanige watermassa al dan niet bij voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg van rechtmatig gebruik ten behoeve van een specifiek doel geen normaal samenhangend geheel van levende organismen en een niet-levende omgeving (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het een ter berging van afval gegraven bekken betreft waarin slechts in een overgangsfase water aanwezig is en zich nog geen normaal ecosysteem heeft ontwikkeld"".

Uit deze omschrijving volgt dat het Hof in het bestreden arrest een verkeerde uitleg aan het begrip "oppervlaktewater" heeft gegeven. Noch het open beekvak van de "zijtak Ur" noch het volledig ondergrondse riool kunnen immers - uitgaande van vorengenoemde omschrijving - worden aangemerkt als oppervlaktewater.

In wezen vindt de lozing van het effluent plaats op een volledig ondergronds riool dat als specifieke bestemming het afvoeren van het afvalwater naar de Maas heeft. Van een samenhangend geheel van levende organismen en een niet-levende omgeving (ecosysteem) is en kan in casu derhalve geen sprake zijn.

II. Overwegingen omtrent het geschil.

Het Hof overweegt in de eerste overweging:

""dat uit de vaststaande feiten volgt dat de zijtak Ur in verbinding staat zowel met de Ur als met de Maas, met dien verstande dat zich bij de verbinding met de Ur een klep bevindt waarmee de watertoevoer vanuit de Ur naar de zijtak Ur wordt geregeld en kan worden afgesloten en dat in de zijtak Ur, ter plaatse waar het open beekvak van de zijtak Ur overgaat in het ondergrondse traject daarvan - op welk punt het effluent van de sub factis genoemde zuiveringsinstallatie op de zijtak Ur wordt gebracht -, een terugslagklep is aangebracht ten einde te voorkomen dat dit effluent in de richting van de Ur stroomt"" .

Vermeend wordt, dat op grond van de vaststaande feiten niet kan worden geconcludeerd dat de "Zijtak Ur" in open verbinding staat met de Ur en de Maas.

In het vertoogschrift is onweersproken gesteld, dat ""gedurende het belastingjaar de duiker was afgesloten"" (bladzijde 2, regels 5 en 6 van boven) .

Dat wil zeggen, dat slechts kan worden geconstateerd, dat de "Zijtak Ur" in verbinding kan staan met de Ur als met de Maas; terwijl de terugslagklep bij de effluentlozing continu een verbinding met de Ur blokkeert. Een natuurlijke verbinding ontbreekt; slechts na menselijk ingrijpen kan tijdelijk een verbinding ontstaan.

In de tweede overweging stelt het Hof:

""dat het Hof aannemelijk acht dat, al stond het open beekvak van de zijtak Ur, ten gevolge van de stand van de klep in de duiker onder de naast de Ur gelegen weg, in het jaar 1979 veelal droog, vanuit dit beekvak geregeld - dat wil zeggen: niet minder dan eenmaal per jaar - gedurende enige tijd water wegvloeit naar de Maas" " .

Reeds eerder is vermeld dat onweersproken is gesteld dat gedurende het belastingjaar de duiker Ur-"Zijtak Ur" was afgesloten.

Daarbij is gesteld, dat bij opening van die duiker te weinig afvalwater (zie onder I hiervoor) door de Ur gaat vloeien, hetgeen - door gebrekkige doorstroming van de Ur - stankoverlast in de woonkern Urmond veroorzaakt.

Ten aanzien van de samenstelling van het Urwater kan het volgende worden opgemerkt:

1. Het Urwater kan niet dienen als grondstof voor drinkwater zonder onaangename smaak, dat tegen redelijke prijs kan worden gedistribueerd.

2. Het is als zodanig ongeschikt voor industriële doeleinden.

3. Het is als zodanig ongeschikt voor agrarische doeleinden.

4. Het is als zodanig ongeschikt voor de recreatie.

5. Het is dodelijk voor vissen.

Een en ander kon aan het Hof bekend zijn uit de vermelding in het vertoogschrift, dat de Ur (nagenoeg) uitsluitend afvalwater van de gemeente Stein bevatte (bladzijde 1, regels 4, 5 en 6 van onder).

Hoewel de genoemde punten niet relevant zijn voor beantwoording van de vraag of de "Ur" als oppervlaktewater moet worden aangemerkt wordt hiermede, de slechte kwaliteit van het water dat zich in het open beekvak van de "Zijtak Ur" kan bevinden aangetoond.

Gelet op de kwaliteit van het betreffende oppervlaktewater - blijkende uit het vertoogschrift - moet worden gesteld dat van oppervlaktewater in de zin van de W.V.O. - voor zover betreft de "Zijtak Ur" - geen sprake kan zijn (vergelijk ook BNB 1979/15) .

Herhaald wordt echter dat in het jaar 1979 geen verbinding bestond tussen Ur en "Zijtak Ur".

De "Zijtak Ur" moge in de zin van de Rivierenwet als een waterlossing zijn aangemerkt, voor de Wet verontreiniging oppervlaktewater, kan slechts sprake zijn van een werk, dat hoofdzakelijk als gesloten riool (450 m) en gedeeltelijk als een duiker (50 m) met een open riool (200 m) is aangelegd.

Het 450 m lange ondergrondse riool, deel uitmakende van de "Zijtak Ur", voert permanent het effluent van de D.S.M. af.

De hyperextensieve interpretatie van het begrip "oppervlaktewater" voert in casu tot een te restrictieve interpretatie van het begrip "werk" in de zin van de W.V.O. .

Immers, uitsluitend via een riool met een doorsnede van 1.70 m wordt het effluent van de zuiveringsinstallatie van D.S.M. dat wil zeggen water dat niet voldoet aan de eerder omschreven kwaliteitseisen, op de Maas gebracht.

Vermeend wordt, dat het Hof op grond van de vaststaande feiten niet tot de conclusie kon komen, dat vanuit ""dit beekvak geregeld - dat wil zeggen: niet minder dan eenmaal per jaar - gedurende enige tijd water wegvloeit naar de Maas"".

De overwegingen van het Hof - kennelijk ontleend aan een arrest van de Hoge Raad (BNB 1982/163) - kunnen de conclusie niet dragen.

Overigens wordt herhaald, dat op grond van de feiten niet geconcludeerd kon worden, dat via de "Zijtak Ur" oppervlaktewater is afgevoerd naar de Maas, omdat onweersproken vaststaat dat gedurende het heffingsjaar 1979 de Ur/Zijtak Ur-klep was gesloten.

Daarnaast wordt nog het volgende opgemerkt:

Artikel 1, lid 1, van de W.V.O. luidt: Het is ver- boden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren.

In de Memorie van Toelichting staat:

""Als grondbeginsel is daartoe in de wet opgenomen, dat het zonder vergunning van het daartoe bevoegde gezag verboden is langs kunstmatige weg - dat wil zeggen door middel van daartoe bestemde werken of inrichtingen - hinderlijke en schadelijke stoffen het effluent van zuiveringsinstallaties inbegrepen, in oppervlaktewater te brengen"" (bladzijde 10, onderdeel 3).

Het Hof nam ten aanzien van het onderhavige geschil alleen het begrip "oppervlaktewater" in beschouwing en concludeerde, dat daarvan - gelet op de ruime omschrijving van dit begrip - sprake was.

Het Hof gaf geen analyse van het begrip "werk" - blijkens de parlementaire behandeling eveneens een ruim te interpreteren begrip - waardoor op grond van een onevenwichtige weging van eerder genoemde begrippen een motivering is gegeven, welke de conclusie niet kan dragen.

Duidelijk kan zijn, dat het fenomeen "Zijtak Ur" slechts gerealiseerd is voor de afvoer van het effluent van de zuiveringsinstallatie van de D.S.M., alsmede dat het afvoergedeelte (een riool naar de Maas, ter voorkoming van stankoverlast) naar aard en omvang als een werk in de zin van artikel 1 van de W.V.O. moet worden aangemerkt.

Ten aanzien van de in het kader van de Rivierenwet verleende vergunning wordt opgemerkt, dat dit soort vergunningen pleegt te worden afgegeven indien er sprake is van een "werk" en niet van een oppervlaktewater.

Voor het uitstromen van een sloot of een beek in de rivier is namelijk in de regel geen vergunning op grond van de Rivierenwet vereist; deze is slechts vereist voor het maken van "uitstroomwerken", zoals het onderhavige riool.

De derde overweging van het Hof luidt:

""dat het Hof mitsdien, mede in aanmerking genomen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet blijkt dat het begrip oppervlaktewater ruim moet worden uitgelegd, van oordeel is dat althans dit open beekvak van de zijtak Ur als een oppervlaktewater in de zin van de Wet moet worden aangemerkt"".

Gelet op het bij de tweede overweging gegeven commentaar, wordt bestreden dat dit open beekvak van de "Zijtak Ur" als oppervlaktewater kan worden aangemerkt.

De vierde overweging ten aanzien van het geschil luidt :

""dat de omstandigheid dat dit open beekvak van de zijtak Ur een oppervlaktewater is in de zin van de Wet meebrengt dat ook het stroomafwaarts gelegen ondergrondse traject van de zijtak Ur een oppervlaktewater is in de zin van de Wet, althans ter plaatse waar, aan het begin van dit ondergrondse traject, het effluent van de voormelde zuiveringsinstallatie op de zijtak Ur wordt gebracht"".

Wederom kan in casu worden verwezen naar de toelichting gegeven bij de tweede overweging van het Hof, te weten dat geen sprake is van oppervlaktewater - in de zin van de W.V.O. - in het open beekvak van de "Zijtak Ur".

Ten overvloede wordt daarbij opgemerkt, dat - indien zou worden aangenomen dat wel sprake zou zijn van oppervlaktewater - de hoeveelheid Zijtak-Urwater in relatie tot de totale waterstroom welke de Maas bereikt, verwaarloosbaar klein is.

De door het Hof gehanteerde norm (gedurende enige tijd niet minder dan eenmaal per jaar) zou er ad absurdum toe voeren, dat een of enkele liters van de "Zijtak Ur" een afvalwaterstroom van circa 37.843.200.000 1 (1.200 1/sec.) tot oppervlaktewater zou transformeren. Indien het open beekvak niettemin toch als oppervlaktewater in de zin van de W.V.O. dient te worden aangemerkt - quod non - geldt dit niet (zoals het Hof kennelijk voetstoots heeft aangenomen) voor het volledige riool van circa 450 meter lengte en een doorsnede van 1.70 m.

Het effluent van de zuiveringsinstallatie van D.S.M. wordt niet op het eerdergenoemde open beekvak, doch op dit riool gebracht en rechtstreeks onder de grond afgevoerd naar de Maas. Door middel van een terugslagklep bij de verzamelkelder wordt voorkomen dat het effluent door het open beekvak richting Ur stroomt.

Het Hof 's-Gravenhage heeft ook reeds op deze terugslagklep gewezen (bladzijde 2).

Tussen het riool en het open beekvak bestaat derhalve geen verbinding. De eerdergenoemde verzamelkelder, die in essentie deel uitmaakt van de zuiveringsinstallatie van D.S.M., kan mijns inziens niet worden aangemerkt als oppervlaktewater.

Het zich daarin bevindende (afval-)water grenst immers niet aan het aardoppervlak. Voorts zij in dit verband gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 8 november 1978, BNB 1979/15 en de Koninklijke Besluiten van 20 juni 1979, nummer 27, Bouwrecht 1979, bladzijde 777, en 20 september 1979, nummer 139, Bouwrecht 1980, bladzijde 33.

Voorts is het riool - zoals gezegd - volledig ondergronds.

Daardoor voldoet dit riool niet aan een tweetal essentiële vereisten, waaraan een water moet voldoen wil er sprake zijn van oppervlaktewater;

1. het grenst niet aan het aardoppervlak; het water bevindt zich immers in de rioolbuis;

2. het grenst - om dezelfde reden - niet aan de open lucht (vergelijk Hoge Raad 30 november 1982, BNB 1983/244 en A.B. 1983, 265) .

Voorts valt niet in te zien aan welke doeleinden, zowel ecologische als mensgerichte, het in het riool aanwezige afvalwater ten dienste zou kunnen staan. Het riool heeft als specifieke bestemming de afvoer van het afvalwater naar de Maas. Op grond hiervan kan het riool waarop het effluent wordt gebracht niet worden beschouwd als een oppervlaktewater in de zin van de W.V.O ..

(Ook in het IMP 1980-1984, bladzijde 6 17 en 6 18 waaraan de eerder door de Hoge Raad gegeven omschrijving voor een groot deel is. ontleend, wordt water dat is afgedekt, bij voorbeeld in rioolbuizen, uitgesloten van de kwalificatie oppervlaktewater) .

Dit riool is nu juist bij uitstek een "werk" als bedoeld in artikel 1, eerste lid, W.V.O .. Bij een andere benadering zou bovendien wel zeer eenvoudig, namelijk door het graven van een stuk greppel, de normaliter verschuldigde heffing geheel kunnen worden ontlopen. In dit verband zij er nogmaals op gewezen - zoals het Hof ook feitelijk heeft vastgesteld - het effluent niet op het open beekvak, doch op het riool wordt gebracht en linea recta naar de Maas wordt afgevoerd.

De vijfde overweging omtrent het geschil luidt: ""dat uit het vorenoverwogene, gelet ook op hetgeen overigens vaststaat, volgt dat de lozing van het effluent van meervermelde zuiveringsinstallatie in 1979 plaatsvond op een bij belanghebbende in beheer zijnd oppervlaktewater in de zin van de Wet"".

Vermeend wordt, dat de concluderende overweging niet kon worden genomen, gelet op de bij voorgaande overwegingen geplaatste kanttekeningen.

Ten slotte wordt door het Hof ten aanzien van een handelen in fraudem legis nog overwogen:

""dat het Hoofd subsidiair stelt dat de dezen in fraudem legis is gehandeld en deze stelling verdedigt met het argument dat het ondergrondse traject van de zijtak Ur in 1979 uitsluitend dienst heeft gedaan voor de afvoer van meervermeld effluent, en aan dit traject dan ook ten onrechte de naam waterlossing is gegeven; dat uit het vorenoverwogene echter volgt dat het ondergrondse traject van de zijtak Ur in 1979 niet uitsluitend dienst heeft gedaan voor de afvoer van het effluent, doch mede voor de afvoer van het zich in het open beekvak van de zijtak Ur bevindend water;

dat dan ook de subsidiaire stelling van het Hoofd - wat daarvan overigens zij - geen verdere bespreking behoeft"".

De vermelde overwegingen worden ontoereikend geacht, omdat het subsidiair gestelde uiteraard slechts zinvol kon worden gesteld, indien het Hof zou concluderen op een wijze, welke het hoofd van het bureau verontreinigingsheffing rijkswateren minder waarschijnlijk achtte. Gewezen kan worden op de overgelegde bescheiden, waaronder begrepen de geinsereerde pleitnota.

Samenvattend wordt gesteld, dat schending van het recht heeft plaatsgehad door vast te stellen dat de "Zijtak Ur" gedurende het heffingsjaar 1979 als oppervlaktewater en niet als werk (riool) in de zin van de W. V.O. (artikel 1) moet worden aangemerkt en wel

a. omdat onweersproken is gesteld, dat gedurende het jaar 1979 uitsluitend via een werk (riool) het effluent van de zuiveringsinstallatie van de D.S.M. zonder bijvoeging van "Ur"water is geloosd op de Maas;

b. omdat, ingeval wordt aangenomen dat water uit de Ur door menselijk handelen is ingelaten in de Zijtak Ur, er slechts sprake kan zijn van een - in relatie tot de effluentlozing van de D.S.M. - verwaarloosbaar kleine hoeveelheid, welke op een werk is gebracht;

c. dat de "Ur" gedurende het jaar 1979 nagenoeg uitsluitend ongezuiverd huishoudelijk afvalwater van de gemeente Stein afvoerde, weshalve de Ur (en mitsdien de Zijtak Ur) geen oppervlaktewater in de zin van de W. V.O. bevatte.

In het ongerijmde zou de gekozen constructie ertoe kunnen voeren, dat door de aanleg van een zogenaamde verbindingsgreppel elke effluentlozing aan heffing zou worden onttrokken. "

Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.

4. Beoordeling van de klachten.

4.1. Het Hof heeft, blijkens zijn overwegingen omtrent het geschil, het antwoord op de partijen verdeeld houdende vraag of het ondergrondse traject van de zijtak Ur is een werk met behulp waarvan afvalstoffen, verontreinigende stoffen of schadelijke stoffen door belanghebbende in de rivier de Maas worden gebracht - zoals door het Hoofd is aangevoerd - dan wel een oppervlaktewater in de zin van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren - zoals door belanghebbende is betoogd - afhankelijk gesteld van het antwoord op de vraag of het open beekvak van de zijtak Ur, hetwelk door middel van het ondergrondse traject van die zijtak met de Maas in verbinding staat, is aan te merken als een oppervlaktewater in de zojuist bedoelde zin.

4.2. Het onder 4.1. bedoelde oordeel van het Hof moet, in het licht van de vaststaande feiten, als juist worden onderschreven, aangezien slechts bij een bevestigende beantwoording van laatstbedoelde vraag kan worden aangenomen dat het ondergrondse traject niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is bestemd voor de afvoer van het effluent van de zuiveringsinstallatie van D.S.M. maar mede dient als verbinding tussen twee oppervlakte- wateren, met het oog waarop het niet kan worden aangemerkt als een werk in de zin van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren.

Anders dan de Minister betoogt, is voor de zojuist bedoelde bestemming van het ondergrondse traject van geen betekenis dat de terugslagklep die zich bevindt ter plaatse waar het effluent van de zuiveringsinstallatie op de zijtak Ur wordt gebracht, verhindert dat dit effluent in de richting van de Ur stroomt. Die klep verhindert immers niet dat water uit het open beekvak in de richting van de Maas stroomt.

Ook is niet van belang de door de Minister aangevoerde omstandigheid dat het ondergrondse traject bestaat uit betonnen buizen. Zoals ook blijkt uit het bepaalde in artikel 2 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, is de omstandigheid dat enig oppervlaktewater op kunstmatige wijze met een ander oppervlaktewater is verbonden niet voldoende om die verbinding te stempelen tot een werk in de zin van artikel 1 van genoemde wet.

4.3. Het Hof heeft, na te hebben vastgesteld dat zowel de Maas als de Ur een oppervlaktewater in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is en dat de zijtak Ur is aangelegd als verbinding tussen deze twee oppervlaktewateren, vervolgens geoordeeld dat het van de zijtak Ur deel uitmakende open beekvak eveneens een oppervlaktewater in de zojuist bedoelde zin is. Dit oordeel wordt door de Minister tevergeefs bestreden.

4.4. Anders dan de Minister meent kan immers aan de onderwerpelijke verbinding tussen twee oppervlaktewateren niet de hoedanigheid van oppervlaktewater worden ontzegd op grond van de - door het Hoofd in zijn vertoogschrift voor het Hof en door de Minister in cassatie opnieuw aangevoerde - omstandigheid dat de klep in de duiker onder de naast de Ur gelegen weg gedurende het onderwerpelijke heffingsjaar was afgesloten. Daartoe zou slechts reden zijn indien deze klep was aangebracht met het oogmerk daarmede duurzaam de waterstand in de zijtak Ur zodanig te regelen dat alleen louter incidenteel in het open beekvak water aanwezig zou zijn. Dit laatste is echter door het Hof niet vastgesteld en, voor zover uit 's Hofs uitspraak en de gedingstukken blijkt, ook niet door het Hoofd aangevoerd.

4.5. Het Hof heeft zich, nu het heeft vastgesteld dat de Ur een oppervlaktewater in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is, terecht ook niet van zijn onder 4.3. vermelde oordeel laten weerhouden door de - volgens het Hoofd - slechte kwaliteit van het water dat uit de Ur in de zijtak Ur stroomt noch ook door de hoeveelheid en/of hoedanigheid van het daaraan toegevoegde effluent van de zuiveringsinstallatie van de D.S.M .. Bij zijn andersluidende opvatting verliest de Minister uit het oog dat omstandigheden als zojuist bedoeld niet beletten ook de zijtak Ur als een oppervlaktewater aan te merken doch ten hoogste grond kunnen opleveren om aan belanghebbende wegens het daaruit op de Maas geloosde water een verklaring van ongenoegzaamheid als bedoeld in artikel 2 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren uit te reiken.

4.6. Nu het open beekvak van de zijtak Ur blijkens 's Hofs in cassatie tevergeefs bestreden oordeel moet worden aangemerkt als een oppervlaktewater in meerbedoelde zin en het Hof tevens - in cassatie onaantastbaar - heeft aangenomen dat vanuit dit beekvak water wegvloeit naar de Maas, kan niet worden gezegd dat het ondergrondse traject van de zijtak Ur, buiten de afvoer van het effluent van de zuiveringsinstallatie, als watergang geen reële praktische betekenis heeft. Reeds om die reden heeft het Hof terecht geen zelfstandige betekenis toegekend aan het door het Hoofd gedane beroep op wetsontduiking.

5. Slotsom.

De door de Minister aangevoerde klachten treffen geen doel. Het beroep moet worden verworpen.

6. Beslissing.

De Hoge Raad

verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mrs. Van Dijk, vice-president, Van der Vorm, Stoffer, Verburgh en Baardman, raden. Uitgesproken door de vice- president voornoemd ter raadkamer van 27 maart 1985, in tegenwoordigheid van de waarnemend-griffier mr. Lamens.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1985, 628 Milieurecht Totaal 1985/4963 BNB 1985/167 FED 1985/232 V-N 1985/1195, 30 met annotatie van Redactie
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?