ECLI:NL:HR:1985:AC9044

ECLI:NL:HR:1985:AC9044, Hoge Raad, 18-10-1985, 6922 rek.nr

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 18-10-1985
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 6922 rek.nr
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1985:AC9044
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 15 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005290 BWBR0006000

Samenvatting

Huurrecht woonruimte. Opzegging door verhuurder wegens dringend nodig hebben voor eigen gebruik. Uit art. 7A:1623e lid 4 BW (thans art. 7:274 lid 5 sub a BW) vloeit voort dat de rechter zo nodig ambtshalve dient na te gaan of aan vergunningsvereiste van de Huisvestingswet is voldaan. Niet-ontvankelijkheid mag slechts worden uitgesproken nadat de verhuurder in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen, hetgeen ook nog in hoger beroep en cassatie kan plaatsvinden. Met een vergunning kan worden gelijkgesteld een schriftelijke verklaring van B&W dat zij bereid zijn een vergunning te verlenen. “Passende woonruimte” uit art. 7A:1623 e lid 1 aanhef en onder 3o BW (thans art. 7:274 lid 1 onder c). Ook een woonruimte die in grootte, ligging of anderszins een wezenlijk ander woongenot biedt dan het gehuurde, kan passend zijn.

Uitspraak

18 oktober 1985Eerste KamerRek.nr. 6922AB

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[huurder 1] , en diens echtgenote[huurster 2] , beidewonende te [woonplaats] ,VERZOEKERS tot cassatie,advocaat: Mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

[de verhuurder] ,wonende te [woonplaats] ,VERWEERDER in cassatie,advocaat: Mr. P.J.M. Schmidt auf Altenstadt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Op 10 november 1983 heeft [de verhuurder] zich gewend tot de Kantonrechter te Wageningen met het verzoek het tijdstip vast te stellen, waarop de huurovereenkomst tussen hem en [de huurders] betreffende de woonruimte aan de [a-straat 1] te [woonplaats] zal eindigen.

Nadat [de huurders] tegen dat verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 16 april 1984 het verzoek afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft [de verhuurder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Arnhem.

De Rechtbank heeft na op 18 oktober 1984 en 20 maart 1985 tussenbeschikkingen gegeven te hebben bij eindbeschikking van 1 mei 1985 de beschikking van de Kantonrechter vernietigd en het verzoek alsnog toegewezen.

De beschikkingen van de Rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikkingen van de Rechtbank heeft [de huurders] beroep in cassatie ingesteld.

Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[de verhuurder] heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Leijten strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het eerste middel is gegrond. Uit de tekst van art. 1623e lid 4 BW en uit de strekking van deze bepaling - het op elkaar afstemmen van de civiele en administratieve procedure ten einde het gemeentelijk woonruimtebeleid niet te frustreren - vloeit voort dat de rechter de verhuurder eventueel zo nodig ambtshalve - en eventueel buiten de grieven om - niet-ontvankelijk moet verklaren in een op de grond, vermeld in het eerste lid, onder 3°, gebaseerd verzoek, indien de verhuurder verzuimt een vergunning van burgemeester en wethouders krachtens de Woonruimtewet 1947, zo deze wet ten aanzien van de betrokken woonruimte van toepassing is, over te leggen.

Wel brengt een redelijke toepassing van art. 1623e lid 4 - in overeenstemming met hetgeen in art. 1623c lid 5 is voorgeschreven - mee dat de rechter de niet-ontvankelijkheid niet uitspreekt dan nadat hij de verhuurder in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door hem te bepalen termijn de vergunning over te leggen. Met een vergunning kan worden gelijk gesteld een schriftelijke verklaring van burgemeester en wethouders dat zij bereid zijn een vergunning te verlenen.

3.2 Het tweede en het derde middel missen feitelijke grondslag. Blijkens de rechtsoverwegingen 20 en 21 van de tussenbeschikking van 20 maart 1985 heeft de Rechtbank vastgesteld dat er voor de huurder passende andere woonruimte beschikbaar was. In de daaraan voorafgaande rechtsoverweging 19 heeft de Rechtbank geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of gebleken is dat andere passende woonruimte beschikbaar is, van [de verhuurder] niet behoefde te worden gevergd dat een specifiek aan te duiden woning beschikbaar is, nu [de huurders] niet meewerkt om andere passende ruimte te zoeken. Anders dan het tweede middel aanvoert heeft de Rechtbank derhalve niet tot uitgangspunt genomen dat niet blijkt dat het voor de huurders onmogelijk is andere passende woonruimte te krijgen, doch is zij ervan uitgegaan dat juist blijkt dat dit wel mogelijk was. Voorts is de Rechtbank niet ervan uitgegaan - zoals het derde middel betoogt - "dat niet zou behoeven te blijken dat andere woonruimte voor de huurder beschikbaar is, ook niet de beschikbaarheid zelf", doch heeft zij integendeel aangenomen dat in dit geval voldoende van die beschikbaarheid blijkt.

3.3 Het vierde middel strekt in hoofdzaak ten betoge dat het in art. 1623e lid 1, onder 3°, gestelde vereiste dat "blijkt, dat de huurder andere passende woonruimte kan verkrijgen" meebrengt dat er bij toewijzing van het verzoek voor de huurder geen wezenlijke verandering in het woongenot mag optreden. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. Aangenomen moet worden dat ook een woonruimte die in grootte, ligging of anderszins een wezenlijk ander woongenot biedt dan het gehuurde, passend kan zijn. Wel zal de rechter bij de beantwoording van de vraag of andere woonruimte passend is, het woongenot dat de huurder in het gehuurde heeft, in aanmerking mogen nemen. Dit laatste heeft de Rechtbank niet miskend.Voor het overige komt het middel tevergeefs op tegen het feitelijk oordeel dat [de huurders] passende woonruimte kan verkrijgen.

3.4 In verband met de gegrond bevinding van het eerste middel kan de eindbeschikking van de Rechtbank niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.[de verhuurder] heeft bij pleidooi in cassatie overgelegd een verklaring van Burgemeester en Wethouders van [woonplaats] dat zij bereid zijn de vereiste vergunning krachtens de Woonruimtewet 1947 te verlenen. Aan toewijzing van het verzoek van [de verhuurder] staat thans derhalve niets meer in de weg.

4. Beslissing De Hoge Raad:

Vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Arnhem van 1 mei 1985, doch uitsluitend voor wat betreft hetgeen aldaar in het dictum onder 2 is vastgesteld;

Verwerpt het beroep voor het overige;

Stelt vast dat de huurovereenkomst betreffende het pand [a-straat 1] te [woonplaats] zal eindigen op 1 februari 1986 of zo veel eerder als [de huurders] het pand zal hebben ontruimd;

Veroordeelt [de huurders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de verhuurder] begroot op f 350,-- aan verschotten en f 2.000,-- voor salaris.

Deze beschikking is gewezen door de raadsheren Mrs. Snijders, als voorzitter, Royer, Martens, Hermans en Bloembergen, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 18 oktober 1985.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1986, 291 met annotatie van P.A. Stein RvdW 1985, 191
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?