Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
18 september 1985
nr. 22.961
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 17 april 1984 betreffende de aan hem voor het jaar 1980 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag en bezwaar.
Aan belanghebbende is voor het jaar 1980 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van belanghebbende van f 38.672, -- en van zijn echtgenote van f 24.861, -- , onder vermindering van de belasting met investeringsbijdragen tot een bedrag van f 52.187, --. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur gehandhaafd.
2. Geding voor het Hof.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft als vaststaand aangemerkt:
"Belanghebbende is geboren op 23 juli 1943. Als vennoot in de vennootschap onder firma [A] oefent hij het bakkersbedrijf uit. Tezamen met anderen heeft belanghebbende opdracht gegeven tot het bouwen van een winkelcentrum te [Z] voor een totaalbedrag van f 680.200, --. Van dit bedrag kan f 368.577, -- worden toegerekend aan de vennootschap onder firma [A] , waarin belanghebbende voor 50% deelneemt. De plannen voor het winkelcentrum zijn in opdracht van belanghebbende en een drietal mede-opdrachtgevers ontwikkeld door [B] B.V. te [Q] , een onderdeel van het [C-concern] . Belanghebbende tekende op 29 november 1978 een brief van [B] . B.V. van 13 november 1978 voor akkoord, waarin deze vennootschap zich aanbood als "realisator", dat wil zeggen als de instantie die de gang van zaken vanuit een centraal punt zou bewaken, stimuleren en koördineren.
Belanghebbende verbond zich voor deze werkzaamheden een vergoeding te betalen van f 8.760, -- , exclusief B.T.W .. Op 14 januari. 1980 werd de aannemingsovereenkomst voor het winkelcentrum gesloten. In deze overeenkomst is onder meer het volgende vermeld:
Ondergetekende:
verklaart hiermede op te dragen aan de mede-ondergetekende: [H] . B.V., O.L. [a-straat 1] te [Z] , die verklaart aan te nemen het bouwen van een winkelcentrum aan de. [b-straat] te [Z] volgens inschrijfbiljet d.d. 4 januari 1980 van aanbesteding en overeenkomstig bestek nummer […] d.d.7 december 1979 en tekeningen van [D] en [I] .
.....................................................................................................................
voor de prijs van f 680.200, -- exclusief B.T.W.
Het winkelcentrum is op 24 september 1980 in gebruik genomen. De betaling van de aanneemsom vond plaats na 1 januari 1980.
In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting voor het jaar 1980 verzocht belanghebbende ter zake van zijn aandeel in de investering in het winkelcentrum (1/2 x f 368.577, -- ) toekenning van een investeringsbijdrage berekend naar een percentage van 23. Naar het oordeel van belanghebbende was de verplichting tot het bouwen van het winkelcentrum door hem aangegaan op 29 november 1978, althans voor 1 januari 1980, de datum met ingang waarvan het percentage van de basispremie van de investeringsbijdrage voor nieuwe gebouwen werd verlaagd van 23 tot 18%. Tezamen met andere, niet in geschil zijnde posten, bedroeg de door belanghebbende gevraagde investeringsbijdrage f 61.398, --. Bij de vaststelling van de aanslag nam de inspecteur het standpunt in dat de verplichting tot het bouwen van het winkelcentrum door belanghebbende pas op 14 januari 1980 was aangegaan, zodat voor de basispremie van de investeringsbijdrage het percentage van 18 van toepassing was. De inspecteur corrigeerde de door belanghebbende gevraagde investeringsbijdrage derhalve met 5% van 50% van f. 368.577, -- = f 9.214, -- en berekende de investeringsbijdrage in totaal op f 52.187, -- (afrondingsverschil) ."
Het Hof heeft vervolgens overwogen:
"Dat het geschil de vraag betreft of belanghebbende ter zake van zijn aandeel in de investering in het winkelcentrum recht heeft op toepassing van het percentage van 23 voor de basispremie van de investeringsbijdrage dan wel op het percentage van 18;
dat deze vraag door belanghebbende in eerstbedoelde zin en door de inspecteur in laatstbedoelde zin wordt beantwoord, op de gronden welke in de stukken zijn vermeld, waaraan ter zitting geen nieuwe zijn toegevoegd. "
Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:
"Artikel 61a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) luidt voor het belastingjaar 1980 als volgt (voor zover van belang):
Lid 1: Ingeval bij het drijven van een onderneming in een kalenderjaar een bedrag van meer dan f. 2.200, -- in bedrijfsmiddelen wordt geïnvesteerd, wordt een gedeelte van het investeringsbedrag aangemerkt als investeringsbijdrage.
...............................
De investeringsbijdrage wordt niet later in aanmerking genomen dan bij de berekening van de belasting over het kalenderjaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen. Onder investeren wordt verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel, zomede het maken van voortbrengingskosten te dier zake, voor zover die verplichtingen en kosten op de belastingplichtige drukken.
.............................................
lid 2: Het in het eerste lid bedoelde gedeelte bedraagt voor:
a. Nieuwe gebouwen : 18 percent;
....................................
Het percentage van 18, dat wordt genoemd in het tweede lid, geldt ingevolge de Wet van 25 juni 1980, Stb. 377, Wijziging van de Wet investeringsrekening en van enkele belastingwetten (wijzigingen in de basispremies), gewijzigd bij Wet van 30 juni 1982, Stb 423, met terugwerkende kracht tot 1 januari 1980. Met betrekking tot investeringen vóór 1 januari 1980 geldt een percentage van 23.
Het percentage van 23 is derhalve slechts van toepassing indien en voor zover belanghebbende voor 1 januari 1980 verplichtingen met betrekking tot het bouwen van het winkelcentrum is aangegaan.
Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn standpunt dat verplichtingen vóór 1 januari 1980 zijn aangegaan, de twee onder de vaststaande feiten genoemde stukken als bijlagen bij het beroepschrift overgelegd:
de brief van 13 november 1978 van [B] B.V. die op 29 november 1978 door belanghebbende voor akkoord is ondertekend, alsmede de aannemingsovereenkomst van 14 januari 1980.
Op grond van deze stukken kan het hof tot geen ander oordeel komen dan dat belanghebbende weliswaar reeds in 1978 aan [B] B.V. opdracht had gegeven de bouw van het winkelcentrum voor te bereiden, maar dat hij de definitieve opdracht tot de bouw pas op 14 januari 1980 heeft verleend.
Uit geen enkel stuk blijkt dat belanghebbende zich in een eerder stadium jegens [D] , jegens [H] B.V. of jegens een andere partij tot zijn aandeel in de aanneemsom van f 680.200, -- had verbonden. De akkoordverklaring van 29 november 1978 betrof niet de bouw zelf, doch slechts het ""bewaken, stimuleren en koördineren van de bouw"". De beperktheid van deze opdracht blijkt ook uit de naar verhouding geringe hoogte van de door [B] B.V. bedongen vergoeding (f 8.760, -- ).
Het hof tekent hierbij aan dat de aannemingsovereenkomst van 14 januari 1980 uitdrukkelijk vermeldt dat [D] B.V. als opdrachtgever optrad namens belanghebbende en een drietal met name genoemde andere personen. Ook dit stuk bevat geen aanwijzing dat belanghebbende zich reeds eerder tot. het genoemde bedrag had verbonden. Een door belanghebbende aan [D] verstrekte volmacht om namens hem een aannemingsovereenkomst af te sluiten, kan niet als een verplichting in de zin van artikel 61a van de Wet worden aangemerkt.
Het hof is dan ook van oordeel dat de onderhavige verplichting pas op 14 januari 1980 door belanghebbende is aangegaan, zodat het gelijk in deze aan de inspecteur is.
Het beroep is derhalve ongegrond. "
Op die gronden heeft het Hof de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.
3. Geding in cassatie.
Belanghebbende heeft van 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Hij heeft daarbij het volgende aangevoerd:
"Het geschil betreft de vraag of belanghebbende recht heeft op een investeringsbijdrage van 23% dan wel 18%. Bij beantwoording van die vraag speelt een rol de uitleg over de in artikel 61a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gebezigde terminologie "het aangaan van verplichtingen", voor of na 1 januari 1980.
Belanghebbende is van mening, dat hier sprake is van aangegane verplichtingen in de zin van de wet, en wel voor 1 januari 1980. Ter ondersteuning wordt verwezen naar de overeenkomst tussen belanghebbende en [B] B.V. d.d. 13 november 1978, en ondertekend op 29 november 1978.
In de motivering gebruikt het Hof onder meer de term ""verplichtingen met betrekking tot het bouwen"" en de term ""definitieve opdracht tot de bouw."".
Naar de mening van belanghebbende is "tot het bouwen" een ruimer begrip dan "tot de bouw". Bij het laatste wordt bedoeld het daadwerkelijk tot stand komen van het object van steen, hout, cement en andere bouwmaterialen. Gebruikt men de term "tot het bouwen" dan omvat dat een veel, ruimer scala van datgene, dat noodzakelijk is om te komen tot het realiseren van een gebouw van hout, steen en dergelijke. Wat dat betreft staat belanghebbende dan ook op het standpunt, dat hij daartoe voor 1 januari 1980 verplichtingen was aangegaan. Uit eerder vermelde overeenkomst d.d. 13 november 1978 blijkt dit duidelijk.
Het Hof doet deze overeenkomst af met de motivering, dat [B] B.V. de stimulator, coördinator van de bouw is. Echter belanghebbende is van oordeel, dat deze overeenkomst veel meer inhoudt, dan het Hof hierin meent te moeten concluderen.
Een belangrijk verschil van inzicht met betrekking tot de uitleg van de term "aangaan van verplichtingen" ligt ten grondslag aan het onderhavige geschil, waar het met name de datum betreft waarop verplichtingen zijn aangegaan, te weten voor of na 1 januari 1980."
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal mr. Van Soest heeft op 29 maart 1985 geconcludeerd tot verwerping van het beroep
4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft naar aanleiding van het beroep in cassatie bij vertoogschrift aangevoerd, voor zover hier van belang:
"Afschriften van de uitspraak van het Hof zijn op 2 mei 1984 aangetekend aan partijen verzonden. Het beroepschrift in cassatie is blijkens de daarop geplaatste stempelafdruk pas op (dinsdag) 3 juli 1984 bij het Hof ingekomen. Dit brengt naar mijn mening met zich mede, dat belanghebbende wegens termijnoverschrijding in zijn beroep in cassatie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard."
Belanghebbendes gemachtigde heeft daarop aan de voorzitter van de belastingkamer van het Hof geschreven:
"Door het laten afgeven van een beroepschrift in cassatie bij Uw Hof door de heer [J] meende ik mij er van verzekerd te hebben, dat betreffend stuk tijdig, te weten 2 juli 1984, bij het Hof te Arnhem binnen gekomen zou zijn.
Vorige week ontving ik het vertoogschrift, en daarin spreekt de Staatssecretaris van Financiën over een geplaatste stempelafdruk d.d. 3 juli 1984 .
Het gevolg hiervan is, dat de Hoge Raad mij niet-ontvankelijk zal verklaren.
U begrijpt, dat ik hierdoor gedupeerd word in de behandeling van het beroep in cassatie. Dit klemt te meer daar mijnerzijds - door te handelen zoals heeft plaatsgevonden - juist die termijnoverschrijding was, voorkomen.
Ik kan U reeds mededelen, dat de portier, die op 2 juli 1984 dienst deed op het moment, dat de heer [J] het stuk overhandigde was de heer [K] . Ik heb mijn koerier eveneens gevraagd of hij betreffende man, aan wie het stuk heeft afgegeven, kon beschrijven. Zijn beschrijving stemt overeen met de persoon [K] .
Mijn verzoek aan U, mijnheer de voorzitter, is dan ook om na te gaan hoe een en ander is gelopen, en te bevorderen, dat als nog de datum van binnenkomst bij Uw Hof c.q. belastingkamer gesteld wordt op 2 juli 1984.
Voor de goede orde sluit ik een ondertekende verklaring betreffende de gang van zaken door de heer [J] in."
De Advocaat-Generaal mr. Van Soest heeft bij brief van 26 september 1984 vervolgens aan de Griffier van het Hof het volgende verzoek gericht:
"De op het beroepschrift in cassatie geplaatste stempelafdruk luidt ""Ingekomen - 3 juli 1984 Griffie Gerechtshof Arnhem"". Op de bijbehorende enveloppe is onder het getikte adres bijgeschreven "Belastingkamer"; een datum van binnenkomst is er niet op vermeld.
Nadat de Staatssecretaris van Financiën in zijn vertoogschrift in cassatie, waarvan ik een afschrift bijvoeg, termijnoverschrijding, had geconstateerd en de gemachtigde van het vertoogschrift in kennis was gesteld, wendde de gemachtigde zich bij brief van 11 september 1984 tot de Voorzitter van de Belastingkamer van Uw Hof. Deze brief (die U aan de Hoge Raad zond) gaat in originali (met Uw begeleidende brief) hierbij.
Aangezien de stukken overeenkomstig artikel 24, lid 1, Wet administratieve rechtspraak belastingzaken in mijn handen zijn gesteld, moge ik mij tot U wenden met het verzoek om bericht, consideratiën en raad in de ontvankelijkheidskwestie.
Acht U het, getoetst aan Uw bekendheid met de gang van zaken bij inontvangstneming van stukken door de portier, mogelijk, dat enerzijds de gemachtigde gelijk heeft met zijn stelling dat het stuk op 2 juli 1984, omstreeks 8.15 uur, aan de heer [K] , terwijl deze dienstdoend portier was, ter hand is gesteld, en anderzijds het stuk eerst op 3 juli 1984 gestempeld is? Heeft de portier geen instructie zelf een stempel op de enveloppe te plaatsen in een situatie als door gemachtigde gesteld? Als een en ander reglementair niet mogelijk is, is het dan toch denkbaar, en/of kan wellicht iemand zich herinneren, of door een fout of een vergissing bij een gang van zaken als door de gemachtigde gesteld, toch de tardieve stempelafdruk. geplaatst zou kunnen zijn ?
Ik zal het zeer op prijs stellen Uw opmerkingen over deze vragen en Uw overige beschouwingen die U voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van belang voorkomen, te mogen ontvangen."
Voornoemde griffier heeft daarop geantwoord:
"Naar mij is gebleken heeft de heer [K] , die onregelmatig als portier in het Paleis van Justitie fungeerde, op 2 juli 1984, zijnde de eerste dag na zijn vakantie, portiersdiensten verricht in het Paleis van Justitie te Arnhem. Op 3 juli 1984 heeft de heer [K] geen portiersdiensten in het Paleis verricht, maar was hij bij één van de buiten dit Paleis gesitueerde kantongerechten tewerkgesteld.
Zo derhalve het beroepschrift in cassatie aan de heer [K] is afgegeven, dan moet zulks gebeurd zijn op 2 juli 1984 en kan zulks niet zijn geschied op 3 juli 1984.
Aan de portiers in het Paleis zijn geen stempels ter hand gesteld. De post welke na sluitingstijd van de griffie (circa. 16.30 uur) aan het Paleis wordt afgeleverd wordt door de portier voorzien van een met de hand geschreven binnenkomst datum. Deze datum wordt, waar het betreft beroepen in belastingzaken, door de griffie overgenomen middels een gelijkluidende stempel op het beroepschrift.
Tussen circa 8.00 en 16.30 uur worden bezorgers van beroepschriften door de portier verwezen naar de griffie, zeker indien kenbaar is dat het om de laatste dag van de termijn gaat, ten einde tegen een bewijs van ontvangst het stuk af te geven.
Het komt echter voor dat poststukken, met een voor de portier onbekende inhoud, door de portier in ontvangst worden genomen, waarna intern transport naar de diensten plaatsvindt middels de ophaal/bezorgrondes van de bodedienst via de centrale bodekamer.
Niet meer valt na te gaan of de heer [K] , onvoldoende geattendeerd op c.q. onvoldoende bewust van de inhoud van de brief, de brief in ontvangst heeft genomen.
Vastgesteld moet worden dat in de desbetreffende vakantieperiode de interne bezorging onregelmatig verliep, waardoor vertraging in de aflevering kan zijn opgetreden.
Wie de envenloppe van het geschrift "Belastingkamer" heeft voorzien viel niet meer te achterhalen. In ieder geval niet de heer [K] of de medewerker van de belastinggriffie die de stempel heeft geplaatst.
Vertraging kan mogelijk ook zijn opgetreden omdat de brief niet middels de reguliere P.T.T post werd aangeboden en, ervanuitgaande dat het opschrift "Belastingkamer" nog ontbrak, eerst op een verkeerde afdeling is afgeleverd.
Vaststaat in ieder geval ook, gezien de paraaf dat de stempel door een medewerker van de belastinggriffie is geplaatst en dat plaatsing van stempels, conform de instructie, onmiddellijk na binnenkomst van beroepen of correspondentie door de belastinggriffie geschiedt. Gezien het vorenstaande en gelet op de correspondentie van de heer [L] , kan niet worden uitgesloten dat als gevolg van een onvolkomen intern transport het beroepschrift pas op 3 juli 1984 bij de belastinggriffie is ingekomen met alle gevolgen van dien."
Gelet op het resultaat van het daartoe ingestelde onderzoek, is er geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door belanghebbendes gemachtigde gedane mededeling dat het beroepschrift in cassatie op 2 juli 1984 bij het Hof is afgegeven.
Belanghebbende kan mitsdien in zijn beroep in cassatie worden ontvangen.
5. Beoordeling van het door belanghebbende in cassatie aangevoerde.
Belanghebbendes klachten zijn gericht tegen 's Hofs oordeel dat belanghebbende zijn verplichtingen ter zake van zijn aandeel in de aanneemsom ad f 680.200, -- voor de bouw van het onderhavige winkelcentrum pas op 14 januari 1980 is aangegaan.
Dat oordeel geeft echter geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en berust voor het overige op de aan het Hof voorbehouden uitlegging van hetgeen belanghebbende in november 1978 is overeengekomen met [B] B.V. en van de op 14 januari 1980 gesloten aannemingsovereenkomst voor de bouw van het winkelcentrum, welke uitlegging geenszins onbegrijpelijk is. Bedoeld oordeel kan derhalve in cassatie niet met vrucht worden bestreden, zodat belanghebbendes klachten falen.
6. Slotsom.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep niet tot cassatie kan leiden.
7. Beslissing.
De Hoge Raad
verwerpt het beroep.
Aldus gewezen door mrs. Vroom, vice-president, Stol, Jansen, Van der Linde en Roelvink, raden. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter raadkamer van 18 september 1985, in tegenwoordigheid van de waarnemend-griffier mr. Van den Dries.