11 december 1987
Eerste Kamer
Nr. 13.061
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
Onderlinge Waarborgmaatschappij Centraal Ziekenfonds voor Haarlemmermeer, Rijnland en aangrenzende gebieden UA,
gevestigd te Amstelveen,
EISERES tot cassatie,
advocaat: Mr. J.L.W. Sillevis Smitt,
t e g e n
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: Mr. G.M.M. den Drijver.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie — verder te noemen het Ziekenfonds — heeft bij exploot van 22 januari 1982 verweerster in cassatie — verder te noemen [verweerster] — gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd [verweerster] te veroordelen tegen kwijting aan het Ziekenfonds te voldoen een bedrag van ƒ 21.613,40 met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 december 1980 tot de dag der voldoening.
Nadat [verweerster] tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 7 december 1983 de vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 18 december 1985 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank vernietigd en de vordering alsnog afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft het Ziekenfonds beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal Asser strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Op 24 mei 1979 stonden [betrokkene 1] , 73 jaar oud, samen met haar broer [betrokkene 2] , alsmede [verweerster] en haar dochter te wachten op de bushalte aan de [a-straat 1] te [woonplaats] . Toen de bus stopte, nam [verweerster] bij de busdeur afscheid van haar dochter, die zou instappen. Zodoende versperde [verweerster] gedurende een moment de toegang tot de bus voor [betrokkene 1] en haar broer. Deze laatste zei tegen [verweerster] : ‘’Wij zouden ook gaarne instappen’’, waarop [verweerster] ‘’pardon’’ zei en zonder eerst achterom te kijken een stap achteruit deed. Daarbij kwam zij in aanraking met [betrokkene 1] , die vlak achter haar stond; deze verloor hierdoor haar evenwicht, viel, en brak een heup.
3.2 Het Hof is van oordeel dat de handelwijze van [verweerster] jegens [betrokkene 1] slechts onbetamelijk zou zijn, en [verweerster] deswege aansprakelijk uit onrechtmatige daad, indien zij door zonder eerst om te kijken een stap achteruit te zetten meer risico nam dan redelijkerwijze verantwoord was. Aldus heeft het Hof een juiste maatstaf aangelegd, waaraan niet afdoet dat het ongeval, naar onderdeel 1 van het middel betoogt, heeft plaatsgehad op het trottoir van een voor het openbaar verkeer openstaande weg, waar [betrokkene 1] op het punt stond gebruik te maken van een daar tot stilstand gekomen openbaar vervoermiddel.
3.3 Toepassing van voormelde maatstaf heeft het Hof geleid tot het oordeel dat erop neerkomt dat [verweerster] geen onrechtmatige daad jegens [betrokkene 1] heeft gepleegd en dat slechts sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Dit oordeel is gebaseerd op hetgeen het Hof omtrent het gebeurde als vaststaand heeft aangenomen, respectievelijk vastgesteld en zijn vaststelling dat niet is gebleken dat [verweerster] , toen zij als voormeld achteruit stapte, rekening ermede diende te houden dat degene met wie die stap haar mogelijkerwijs in aanraking kon brengen, op dat moment niet goed in balans stond of op andere wijze onvast ter been was. Daarvan uitgaande kon het Hof zonder schending van enige rechtsregel tot zijn evenbedoeld oordeel komen, dat daarmede voldoende is gemotiveerd. De onderdelen 2 en 3 stuiten daarop af.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt het Ziekenfonds in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van [verweerster] tot op deze uitspraak begroot op ƒ 456,30 aan verschotten en ƒ 2.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren Hermans en Bloembergen en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op 11 december 1987.