20 november 1987
Eerste Kamer
Rek.nr. 7235
AK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: Mr. E.A. van Win,
tegen
[de curator] ,
handelende in zijn hoedanigheid van curator over [de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. J. van Roy-Vissers.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 28 augustus 1986 gedateerd verzoekschrift heeft verweerder in cassatie in zijn hoedanigheid van curator over [de man] – de man – zich gewend tot de Rechtbank te ’s-Gravenhage met het verzoek de door de man aan verzoekster tot cassatie – de vrouw – verschuldigde uitkering tot levensonderhoud geheel te vernietigen met terugwerkende kracht tot 1 februari 1986.
Nadat de vrouw tegen dat verzoek verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij beschikking van 23 december 1986 de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 1987 bepaald op f. 900,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, waarna de man incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
Bij beschikking van 25 maart 1987 heeft het Hof in het principaal en in het incidenteel appel de beschikking van de Rechtbank vernietigd en de beschikking van 30 oktober 1984 van de Rechtbank ’s-Gravenhage gewijzigd en de door de man vanaf 1 januari 1987 tot levensonderhoud van de vrouw te betalen uitkering op f. 300,-- per maand bepaald, in de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen, met afwijzing van het door de vrouw gevraagde en van het door de man meer of anders gevraagde.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Verburg strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
In rechtsoverweging 4 heeft het Hof vastgesteld, dat tussen partijen thans onbetwist is dat de curator van de man door de Kantonrechter te Leiden is gemachtigd om te dezen voor de man op te treden. In die overweging ligt besloten dat het Hof de gedurende de procedure in hoger beroep gegeven machtiging aldus heeft opgevat dat de curator toen alsnog werd gemachtigd in de lopende procedure, de eerste aanleg daaronder begrepen, voor de man in rechte op te treden. Daaraan heeft het Hof klaarblijkelijk en terecht de conclusie verbonden dat er geen grond was voor niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van een machtiging, ook niet ter zake van het verzoek in eerste aanleg. Het behoeft dan ook niet afzonderlijk in te gaan op de grief van de vrouw dat de Rechtbank ten onrechte had verzuimd om de curator niet ontvankelijk te verklaren.
Het middel faalt dus.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Van den Blink, De Groot, Haak en Roelvink, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Martens op 20 november 1987.