Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
27 januari 1988
nr. 25.179
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de vennootschap onder firma [X]. te [Z] tegen de - op 27 maart 1987 in afschrift aan partijen verzonden - uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 februari 1987 betreffende na te melden aan haar voor het jaar 1985 opgelegde aanslagen in de rioolretributie van de gemeente Haarlem.
1. Aanslagen en bezwaar.
Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1985 wegens het genot krachtens zakelijk recht van de gebouwde eigendommen, plaatselijk bekend als [a-straat 1] en [a-straat 2] te [Z], te zamen met andere aanslagen op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de rioolretributie van de gemeente [Z] opgelegd ten bedrage van f 81,05 per aanslag, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, door het Hoofd van de afdeling financiën van de gemeente [Z] zijn gehandhaafd.
2. Geding voor het Hof.
Belanghebbende is van de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.
3. Geding in cassatie.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige klachten aangevoerd.
De Chef van het bureau belastingen van de afdeling financiën van de gemeente Haarlem heeft een vertoogschrift ingediend.
4. Beoordeling van de klachten.
4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat uit de feiten blijkt dat belanghebbende aan het begin van het belastingjaar bij het kadaster stond ingeschreven als eigenares van de panden [a-straat 1] en [a-straat 2], dat deze panden elk een eigen voordeur hebben en dat zij beide voor de afvoer van water en andere stoffen zijn aangesloten op het gemeentelijke rioleringstelsel. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat deze panden derhalve terecht op grond van het bepaalde in de artikelen 1, aanhef en onder a, 2, aanhef en onder b, en 6, onder a, van de Verordening rioolretributie van de gemeente Haarlem in de belasting zijn betrokken.
Hierin ligt besloten dat het Hof de panden [a-straat 1] en [a-straat 2] heeft beschouwd als twee afzonderlijke gebouwde eigendommen in de zin van de Verordening.
Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen voor het overige, nu zij berusten op de aan het Hof voorbehouden waardering van de feitelijke omstandigheden, in cassatie niet op hun juistheid worden onderzocht.
4.2. Het Hof was niet verplicht een gerechtelijke plaatsopneming te gelasten, ook al had belanghebbende daarom verzocht.
5. Beslissing.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Aldus gewezen door de mrs. Van Dijk, vice-president, Van Vucht, Stoffer, Mijnssen en Wildeboer, raadsheren. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter raadkamer van 27 januari 1988, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Ten Bokkel.