Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
In het bijzonder zijn de artt. 359, 415 Sv. geschonden doordien het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Althans, doordien de gebezigde bewijsmiddelen de mogelijkheid open laten dat rekwirant door zijn minderjarigheid niet de door het Hof bewezen verklaarde opzet één en ander als omschreven in r.o. 7.2 heeft gehad.
De bewezenverklaring is op grond hiervan niet voldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1. Onder r.o. 7.2 heeft het Hof, zakelijk weergegeven, overwogen:
Het Hof is van oordeel, dat verdachte, toen hij in verband met naderende fietsers met de ene hand de keel van de vrouw dichtkneep en met de andere hand tot tweemaal toe haar mond dichtdrukte zodanig dat ook haar neusgaten waren afgesloten, en bemerkende dat zij slapper werd en - tenslotte - slap bleef liggen, zich welbewust heeft bloot gesteld aan de aanmerkelijke kans dat de vrouw tengevolge van zijn handelwijze zou overlijden, aangezien het van algemene bekendheid is, dat het dichtknijpen van de keel en het dichtdrukken van de mond van een persoon op de wijze als voormeld en zolang, dat de hiervoor vermelde verschijnselen zich daarbij gaan voordoen, niet zelden de dood van die persoon tengevolge heeft.
2. Voor de beantwoording van de vraag of rekwirant, een minderjarige, het vorenomschreven opzet kan hebben gehad is voorts nog van belang hetgeen het Hof onder r.o. 10.1 inzake de toepassing van het meerderjarigenstrafrecht heeft overwogen. Zakelijk weergegeven luidt deze overweging:
Het hiervoor onder 9.1 genoemde psychiatrisch rapport behelst als advies het meerderjarigenstrafrecht op verdachte toe te passen. Weliswaar - aldus het rapport - komt verdachte psychisch nog kinderlijk over, doch dit dient beschouwd te worden als een uiting van een permanente primitiviteit, die bij hem niet leeftijdsgebonden is, maar een uiting van een ontwikkelingsstoornis.
3. Op grond van vorenweergegeven rechtsoverweging 10.1 moet aangenomen worden dat de gebezigde bewijsmiddelen de mogelijkheid openlaten dat rekwirant vanwege zijn minderjarigheid niet over die ervaring c.q. kennis inzake feiten van algemene bekendheid beschikte waarover in de regel volwassen mensen beschikken. Uit deze r.o. blijkt immers dat zich te dezen de uitzondering voordoet als door Uw Raad omschreven in H.R. 12 mei 1964 N.J. 1965, nr. 26 m.n.t. W.P. (vgl. J.M. Reyntjes, Strafrechtelijk bewijs pg. 133.)
Op grond hiervan is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
MIDDEL II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 359, 415 Sv. geschonden doordien het Hof aan rekwirant een zwaardere straf heeft opgelegd dan door de Procureur- Generaal gevorderd zonder zulks zoals voorgeschreven in art. 359 zevende lid Sv. nader te motiveren.
's-Hofs arrest is in zoverre niet voldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1. Blijkens de vordering van de Procureur-Generaal is in hoger beroep geëist dat rekwirant veroordeeld zou worden terzake van verkrachting tot 180 dagen gevangenisstraf en ter beschikkingstelling van de Regering.
2. Ter motivering van de door het Hof opgelegde gevangenisstraf van 9 maanden heeft het Hof, zakelijk weergegeven, overwogen:
11.1
Op grond van:
- de aard en de ernst van het gepleegde feit, waarbij in het bijzonder in aanmerking wordt genomen, dat doodslag een van de meest ernstige inbreuken is, in de samenleving denkbaar,
- de omstandigheden, waaronder het feit is begaan,
- de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister van de afdeling van de justitiële documentatiedienst te Groningen, d.d. 30 januari 1987, waaruit blijkt, dat hij eerder terzake van misdrijven is veroordeeld, dient verdachte uit een oogpunt van normhandhaving, een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf te worden opgelegd.
11.2
Bij de bepaling van de duur van de op te leggen straf wordt behalve het vorenoverwogene tevens in aanmerking genomen:
- de indruk die de persoon van verdachte op het Hof heeft gemaakt,
- de vordering van de Procureur-Generaal,
- de omstandigheid, dat het bewezenverklaarde verdachte slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend,
- de noodzakelijkheid, dat de hierna te noemen maatregel zo spoedig mogelijk zal worden geëffectueerd nu verdachtes behandeling blijkens de inhoud van het onder 9.1 genoemde psychiatrisch rapport een zeer langdurige zal moeten zijn,
- het door verdachte en zijn vader aangevoerde.
3. Vorenweergegeven strafmotivering kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat het onder 11.1 en 11.2 overwogene beoogt tegemoet te komen aan het bepaalde in art. 359, zesde lid Sv. met dien verstande dat r.o. 11.1 betrekking heeft op de eerste zinsnede en r.o. 11.2 op de tweede zinsnede in vorenbedoelde bepaling. Bepaaldelijk kan in r.o. 11.2 niet gelezen worden op grond van welke omstandigheid het Hof tot een zwaardere strafoplegging is gekomen. De enkele omstandigheid dat het Hof in plaats van verkrachting een zwaarder feit, t.w. doodslag, bewezen heeft verklaard kan mede gelet op de motivering van de opgelegde maatregel als ook gelet op de motivering van de tenuitvoerlegging van deze maatregel (vide r.o. 11.2 achter het 4e gedachtenstreepje) niet zondermeer geacht worden redengevend te zijn voor de zwaardere straf. En al zou het wel zo zijn dan had het Hof zulks expressis verbis moeten zeggen.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Meijers heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Bewezenverklaring en bewijsvoering
Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
op 22 juli 1986, in de gemeente [gemeente], opzettelijk de vrouw [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat hij, verdachte toen aldaar opzettelijk die vrouw
-met geweld uit de auto, waarin zij was gezeten, heeft getrokken en
-met geweld op de grond heeft gedrukt en
-haar keel heeft dichtgeknepen en
-haar mond heeft dichtgedrukt en gelijktijdig
-haar neus heeft dichtgedrukt en
-(wederom) haar mond heeft dichtgedrukt en gelijktijdig
-haar neus heeft dichtgedrukt tengevolge van welk een en ander die vrouw is overleden.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende, in rubriek 6 van het bestreden arrest weergegeven, bewijsmiddelen:
Een proces-verbaal no. 217 d.d. 6 augustus 1986, op ambtseed/- ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1], adjudant der rijkspolitie te Assen, technisch rechercheur, [verbalisant 2], adjudant der rijkspolitie te Assen, technisch rechercheur, [verbalisant 3], hoofdagent van gemeentepolitie te Emmen, [verbalisant 4], wachtmeester der rijkspolitie eerste klasse behorende tot de groep Diever, [verbalisant 5], opperwachtmeester der rijkspolitie, behorende tot de groep Diever, [verbalisant 6], wachtmeester der rijkspolitie eerste klasse, behorende tot de groep Roden, [verbalisant 7], technisch opsporingsambtenaar A van de gemeentepolitie te Emmen, [verbalisant 8], hoofdagent van gemeentepolitie te Emmen, [verbalisant 9], opperwachtmeester der rijkspolitie te Assen, districtsrechercheur, [verbalisant 10], officier der rijkspolitie tweede klasse te Assen, [verbalisant 11], wachtmeester der rijkspolitie behorende tot de groep Diever, [verbalisant 12], opperwachtmeester der rijkspolitie te Assen, technisch rechercheur, [verbalisant 13], hoofdagent van gemeentepolitie te Steenwijk, rechercheur, [verbalisant 14], brigadier van gemeentepolitie te Assen, [verbalisant 15], opperwachtmeester der rijkspolitie te Assen, districtsrechercheur, [verbalisant 16], wachtmeester der rijkspolitie eerste klasse, behorende tot de groep Sleen, [verbalisant 17], wachtmeester der rijkspolitie eerste klasse, behorende tot de groep Diever, [verbalisant 18], wachtmeester der rijkspolitie eerste klasse, behorende tot de groep Beilen, [verbalisant 19], brigadier van gemeentepolitie te Assen, [verbalisant 20], opperwachtmeester der rijkspolitie te Assen, districtsrechercheur, [verbalisant 21], hoofdagent van gemeentepolitie te Hoogeveen, rechercheur, [verbalisant 22], wachtmeester der rijkspolitie eerste klasse, behorende tot de groep Sleen, [verbalisant 23], opperwachtmeester der rijkspolitie te Assen, districtsrechercheur, [verbalisant 24], wachtmeester der rijkspolitie eerste klasse, behorende tot de groep Vries, [verbalisant 25], brigadier van gemeentepolitie te Emmen, [verbalisant 26], wachtmeester der rijkspolitie eerste klasse, behorende tot de groep Ruinerwold, [verbalisant 27], brigadier van gemeentepolitie te Assen, rechercheur, [verbalisant 28], officier der rijkspolitie eerste klasse te Assen, [verbalisant 29], opperwachtmeester der rijkspolitie te Assen, districtsrecherche, [verbalisant 30], opperwachtmeester der rijkspolitie te Assen,
districtsrechercheur, [verbalisant 31], hoofdagent van gemeentepolitie te Steenwijk, rechercheur, [verbalisant 32], wachtmeester der rijkspolitie eerste klasse, behorende tot de groep Borger, [verbalisant 33], wachtmeester der rijkspolitie eerste klasse, behorende tot de groep Zuidlaren, [verbalisant 34], hoofdagent van gemeentepolitie te Assen, rechercheur, houdt -zakelijk weergegeven-onder meer in:
als eigen waarneming, wetenschap en bevinding van de verbalisant [verbalisant 17]:
Op dinsdag 22 juli 1986, omstreeks 16.55 uur, verscheen voor mij, aan het postbureau der rijkspolitie te [gemeente] de mij bekende [betrokkene 1]. Hij deelde mij mede, dat hij in de bossen tussen [gemeente] en [plaats] een dode vrouw had zien liggen. Ik ging hierna met [betrokkene 1] naar de plaats waar de vrouw zou liggen. Ik zag dat op een onverharde weg in de gemeente [gemeente] een personenauto, merk Opel, kleur blauw, type Kadett, D model, voorzien van het kenteken [kenteken] stond. Ongeveer ter hoogte van het portier aan de bestuurderszijde, zag ik een plek op de grond, waarvan ik vermoedens had, dat daar was gevochten. Ik liep vervolgens in de richting van de slagboom. Ik zag, dat ten zuiden van de slagboom een vrouw lag. Gezien de toestand van de vrouw kreeg ik het vermoeden dat ze was overleden. Op dinsdag 22 juli 1986, omstreeks 17.05 uur ging ik vergezeld van dokter [betrokkene 2], huisarts te [plaats], tevens gemeentelijk lijkschouwer, naar de vrouw. Hij deelde mij mede dat de vrouw was overleden.
Een proces-verbaal van inbeslagname van een lijk, opgemaakt op de bij de aanvang van zijn bediening afgelegde eed door [verbalisant 17], wachtmeester 1e klasse der rijkspolitie te Diever, houdt -zakelijk weergegeven- in:
Heden, de 22e juli 1986, heb ik een lijk in beslag genomen van het vrouwelijk geslacht, zijnde dit een lijk van een persoon die vermoedelijk tengevolge van een misdrijf is overleden. Het lijk is door mij vertoond aan: [verbalisant 13], hoofdagent van gemeentepolitie te Steenwijk en [verbalisant 35], politieambtenaar te Steenwijk, die het herkende als te zijn: [slachtoffer], gehuwd met [betrokkene 3], geboren Est [geboortedatum] 1948.
Een sectieverslag van het gerechtelijk geneeskundig laboratorium van het ministerie van justitie te Rijswijk no. 86282/H097 d.d. 1 september 1986, opgemaakt door C.J.J. Hens, arts en patholoog-anatoom, beëdigd deskundige, houdt -zakelijk weergegeven- onder meer in:
Op 23 juli 1986 heeft ondergetekende in de sectiekamer van het Gerechtelijk Geneeskundig Laboratorium te Rijswijk de uit- en inwendige schouwing verricht van het lijk van [slachtoffer], teneinde de doodsoorzaak daarvan na te gaan. Conclusie: Bij [slachtoffer] kan het intreden van de dood worden verklaard door verstikking als gevolg van gebleken inwerking uitwendig samendrukkend mechanisch geweld op de hals (wurging). Een andere doodsoorzaak was niet aanwijsbaar.
Verdachte heeft ter 's hofs terechtzitting -zakelijk weergegeven- onder meer verklaard:
Toen ik op 22 juli 1986 aan het eind van de middag het fietspad, dat uitkomt op de [a-straat] te [gemeente], was afgefietst en, op de [a-straat] gekomen, naar rechts was afgeslagen, zag ik, dat de blauwe Opel Kadet van de vrouw, die ik al vaker had begluurd, geparkeerd stond op een bospad aan de linker zijde van de [a-straat].
Ik zag, dat er niemand in de auto zat. Ik heb mijn fiets toen neergelegd en ben het bospad opgelopen. Ik zag toen de vrouw over dat zelfde pad in de richting van de auto lopen. Ik ben haar gevolgd en zag, dat zij in de Opel Kadet stapte. Ik heb toen met mijn linker hand het portier geopend en haar vastgegrepen bij de linker arm. Vervolgens heb ik haar naar buiten en achter de auto getrokken.
Het hiervoor onder 6.1 genoemde proces-verbaal houdt -zakelijk weergegeven- onder meer in:
als verklaring van verdachte, afgelegd op 27 juli 1986:
Toen ik op 22 juli 1986, zoals ik verklaarde, een vrouw achter de auto trok, probeerde de vrouw zich los te rukken. Om te voorkomen dat eventuele voorbijgangers haar zouden zien heb ik haar achter de auto op de grond gedrukt. Omdat ze tegenspartelde moest ik daarbij kracht gebruiken. Het lukte mij haar achter de auto op de grond te drukken. Omdat ik fietsers over de [a-straat] zag rijden, heb ik met een hand haar mond dichtgedrukt, terwijl ik met mijn andere hand haar keel dichtkneep. Ik zag, dat ik mijn handen zo op haar mond gedrukt had, dat daarbij ook haar neusgaten werden afgesloten. Toen ik opnieuw fietsers zag naderen heb ik haar opnieuw de mond en neus met 1 hand dichtgedrukt. Toen ik opnieuw haar mond en neus dichtdrukte, merkte ik dat ze slapper werd. Ze bleef slap liggen. Om te voorkomen dat ze mij zouden ontdekken, heb ik haar toen aan haar enkels onder het hek doorgesleept om haar verder het bospad op te trekken. Ik heb haar toen onder haar oksels gepakt om haar met haar hoofd wat verder in de bosjes te trekken. Ze was helemaal slap. Ik heb 2x haar mond dichtgedrukt. Dit gebeurde beide keren achter de auto. Ze keek met halfgeopende ogen. Ik wist toen dat ze dood was.
Met betrekking tot de bewijsvoering heeft het Hof in subrubriek 7.2 nog overwogen:
Het hof is van oordeel, dat verdachte, toen hij in verband met naderende fietsers met de ene hand de keel van de vrouw dichtkneep en met de andere hand tot tweemaal toe haar mond dichtdrukte zodanig dat ook haar neusgaten waren afgesloten, en bemerkende dat zij slapper werd en - tenslotte - slap bleef liggen, zich welbewust heeft bloot gesteld aan de aanmerkelijke kans dat de vrouw tengevolge van zijn handelwijze zou overlijden, aangezien het van algemene bekendheid is, dat het dichtknijpen van de keel en het dichtdrukken van de mond van een persoon op de wijze als voormeld en zolang, dat de hiervoor vermelde verschijnselen zich daarbij gaan voordoen, niet zelden de dood van die persoon tengevolge heeft.
5. Beoordeling van het eerste middel
In de hiervoren onder 4.3 aangehaalde overweging ligt besloten 's Hofs oordeel dat hetgeen het als van algemene bekendheid heeft aangemerkt ook de verdachte ten tijde als in de bewezenverklaring vermeld bekend was. Aan dit oordeel - dat, als van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid kan worden onderzocht - staat de in de toelichting op het middel onder 2 aangehaalde overweging niet in de weg. Dit oordeel behoeft geen motivering, aangezien dienaangaande ten Hove door of namens de verdachte geen verweer is gevoerd.
Het evenoverwogene in aanmerking genomen kan het bewezenverklaarde worden afgeleid uit de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen.
Het middel faalt derhalve.
6. Beoordeling van het tweede middel
In hoger beroep heeft de Procureur-Generaal gevorderd en heeft het Hof met betrekking tot de opgelegde gevangenisstraf overwogen als in de toelichting op het middel is weergegeven. 5.2. Aangezien het Hof een zwaardere strafbepaling heeft toegepast dan die waarop de vordering van de Procureur-Generaal was gegrond, kan niet worden gezegd dat de opgelegde straf in de zin van artikel 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering zwaarder is dan de gevorderde.
Het middel faalt derhalve.
6. Slotsom
Nu geen van beide middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Van der Ven als voorzitter en de raadsheren Jeukens en Mout, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 12 januari 1988.