26 februari 1988
Eerste Kamer
Nr. 13.152
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. E.G. Sprey,
t e g e n
Stichting Rechtsbijstand,
gevestigd te Tilburg,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: Mr. P.J.L.J. Duijsens.
1. Het geding in feitelijke instantie
Eiser tot cassatie — verder te noemen [eiser] — heeft bij exploot van 8 maart 1985 verweerster in cassatie — verder te noemen de Stichting — gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd dat de Rechtbank de Stichting zal veroordelen aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen de som van ƒ 9.396,87, vermeerderd met de wettelijke rente ad 10% 's jaars vanaf de dag der ingebrekestelling, te weten 9 februari 1985 tot aan die der voldoening.
Nadat de Stichting voor alle weren haar onbevoegdheid had ingeroepen en voorts ten principale verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 18 maart 1986 zich onbevoegd verklaard van de vordering kennis te nemen.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser], krachtens de tussen hem en de Stichting gesloten overeenkomst waarbij zij hoger beroep overslaan, beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
[eiser] heeft in een burgerrechtelijk geding [betrokkene 1] als advocaat bijgestaan. Daartoe had hij tevoren de toestemming verkregen van de Stichting, voor wier rekening, ingevolge een door [betrokkene 1] gesloten rechtsbijstandverzekering, de kosten van zijn bemoeiingen komen. Daar over de hoogte van de door hem ter zake bij de Stichting ingediende declaratie geschil was ontstaan, heeft [eiser] de Stichting tot betaling van die declaratie gedagvaard, maar de Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard van deze vordering kennis te nemen. Daarover klaagt het middel, doch tevergeefs.
Ter behandeling van geschillen ‘’over het salaris, door den advocaat aan den cliënt berekend’’ is in de Derde Titel van de Wet tarieven in burgerlijke zaken een bijzondere rechtsgang voorzien (begroting door de raad van toezicht, zonodig nadere begroting door de in art. 33 aangewezen rechter, met de mogelijkheid van verzet voor ‘’degene, ten wiens laste’’ een ‘’bevelschrift van tenuitvoerlegging’’ als in art. 39 bedoeld is gegeven). Art. 40 Wet tarieven wijst de bijzondere rechter aan die bij uitsluiting bevoegd is deze geschillen te beslissen.
Deze regeling stoelt vooral daarop dat de raden van toezicht bij uitstek deskundig zijn om te begroten wat advocaten — ‘’naar mate van het belang en de moeilijkheid der zaken, mitsgaders van den tijd, welke daaraan besteed heeft moeten worden’’ (art. 30) — toekomt als honorarium. Daarnaast heeft een rol gespeeld de wens om procederen omtrent de hoogte van het honorarium zoveel mogelijk te beperken.
Bijgevolg ligt het in de rede aan te nemen dat de bijzondere rechtsgang van de Wet tarieven óók moet worden gevolgd — en dat de daarin voorziene bijzondere rechter ook bij uitsluiting bevoegd is — in een geschil over de hoogte van het honorarium dat een advocaat ter zake van ten behoeve van zijn cliënt verrichte bemoeiingen als bedoeld in genoemde titel van de Wet tarieven, in rekening brengt aan een derde die zich tevoren jegens hem bereid heeft verklaard de aan die bemoeiingen verbonden kosten te voldoen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op ƒ. 456,30 aan verschotten en ƒ. 2.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de president Ras als voorzitter, de vice-president Martens en de raadsheren Van den Blink, De Groot en Hermans, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Wildeboer op 26 februari 1988.