20 mei 1988
Eerste Kamer
Nr. 13.248
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
VE-VA FABRIKATIONS GmbH,
gevestigd te Essen, BRD,
EISERES tot cassatie,
advocaat: Mr. J.L. de Wijkerslooth,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - hierna te noemen Ve-Va - heeft bij exploot van 13 juni 1983 verweerder in cassatie - hierna te noemen [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Roermond en gevorderd dat de Rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] zal veroordelen tot betaling aan Ve-Va tegen behoorlijk bewijs van kwijting de somma van D.M. 22.757,50, althans de tegenwaarde daarvan in wettig Nederlands betaalmiddel, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 3 december 1982, althans en subsidiair met ingang van de datum van dagvaarding.
Nadat [verweerder] tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank - na bij vonnis van 29 september 1983 een comparitie van partijen bevolen te hebben, welke comparitie op 24 oktober 1983 is gehouden - bij vonnis van 13 september 1984 [verweerder] bewijs opgedragen en bij vonnis van 4 juli 1985 de vordering van Ve-Va toegewezen.
Tegen deze vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij arrest van 2 juni 1986 heeft het Hof [verweerder] niet ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen het vonnis van de Rechtbank van 29 september 1983, de vonnissen van 13 september 1984 en 4 juli 1985 vernietigd en de vordering alsnog afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft Ve-Va beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De zaak is voor Ve-Va toegelicht door Mr. E.C.M. Schippers, advocaat te 's-Gravenhage. De conclusie van de waarnemend-Advocaat- Generaal Asser strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 De door de onderdelen 1 en 2 bestreden overweging dat "Veva in appèl geen bewijs heeft aangeboden" moet aldus worden verstaan, dat naar 's Hofs oordeel Ve-Va in hoger beroep niet een genoegzaam gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan, in welk oordeel besloten ligt dat het Hof de volharding door Ve-Va in hoger beroep bij de inhoud van de van haar zijde geproduceerde processtukken niet als zodanig bewijsaanbod opvat, omdat het in die processtukken vervatte bewijsaanbod te vaag is. Aldus oordelend heeft het Hof niet blijk ervan gegeven te zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. 's Hofs oordeel kan voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst, omdat daaraan 's Hofs uitleg van de processtukken ten grondslag ligt, welke uitleg van feitelijke aard is. Het Hof is niet tekort geschoten in zijn motiveringsplicht. De onderdelen 1 en 2 falen dus.
3.2 Ook onderdeel 3 is tevergeefs voorgesteld.
Geen rechtsregel verplichtte het Hof ambtshalve een bewijsopdracht te geven, terwijl het Hof ook niet gehouden was zijn beslissing om niet ambtshalve een bewijsopdracht te geven te motiveren.
4. Beslissing
De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt Ve-Va in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren De Groot en Roelvink, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op 20 mei 1988.