Hoge Raad der Nederlanden
Derde kamer
20 april 1988
Nr. 24.189
EN
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de naar het recht van de Nederlandse Antillen opgerichte vennootschap [X] N.V., statutair gevestigd te [Z] (Curaçao), tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 november 1985 betreffende de haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1979.
1. Aanslag en bezwaar.
Aan belanghebbende is voor het jaar 1979 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 352.860,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur is gehandhaafd.
2. Geding voor het Hof.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft als tussen partijen vaststaande aangemerkt:
‘’Belanghebbende werd in juli 1977 opgericht naar Antilliaans recht en is statutair gevestigd te [Z] in Curaçao. Haar gehele aandelenkapitaal is in bezit van de te [Q] gevestigde besloten vennootschap [A] B.V. (hierna: de Holding), welke vennootschap dienst doet als tussenholding van [B] . Als directeuren van belanghebbende fungeren in het onderhavige jaar [C] en [D] die in dienst zijn van N.V. [E] , een trustmaatschappij op Curaçao van de Nederlandse bankier van het concern. [F] is sedert de oprichting van belanghebbende aangesteld als procuratiehouder. Hij is samen met [G] tevens directeur van [H] Ltd. te [R] in Schotland (hierna: [H] ). Een deel van het jaarsalaris van £ 10.000 dat [F] van [H] ontvangt, wordt doorgedeclareerd aan belanghebbende. Verder personeel heeft belanghebbende niet in dienst. Belanghebbende is een zogenoemde off shore handelsmaatschappij met bankrekeningen in Curaçao en Antwerpen (België) en heeft ten doel de handel in vis en visprodukten met name de inkoop van haring op de Canadese markt en de verkoop daarvan op de Europese markt.
De moedermaatschappij van het concern is [I] B.V. voorheen N.V. [J] gevestigd te [Q] (hierna: [I] B.V.). De aandelen van [I] B.V. zijn tegen uitgifte van certificaten van aandelen ondergebracht in de Stichting [K] . De certificaten zijn in handen van leden van de familie [A] . [G] bezit 40% en [L] en [M] bezitten elk 30%. De directie van [I] B.V. bestaat uit voornoemde familieleden en [N] en [O] Het concern heeft een jaaromzet van ongeveer f 100.000.000,--.
Tot het vermogen van [I] B.V. behoort het gehele aandelenkapitaal van de Holding, die op haar beurt voor 100% deelneemt in het aandelenkapitaal van drie in Nederland gevestigde dochtervennootschappen, voor 99% in het aandelenkapitaal van [H] en voor 100% in belanghebbende.
De in Nederland gevestigde dochtervennootschappen betreffen:
- [P] B.V. (hierna: [P] ). [P] houdt zich in hoofdzaak bezig met de handel in en de verwerking van rondvis, zoals haring en makreel, en exploiteert tevens een hektrawler. Zij is in Nederland marktleider op het gebied van haring in het zuur. [P] bezit het volledige aandelenkapitaal van [AA] B.V. (hierna: [AA] ) en van [BB] (hierna: [BB] ). [AA] verricht loonproduktie voor [P] . De dochtermaatschappij [BB] is in 1976 verworven en vervult een depotfunctie bij de export naar West-Duitsland.
- B.V. [CC] (hierna: [CC] ). [CC] houdt zich in hoofdzaak bezig met de verwerking van en de handel in zeevis, zoals tong, schol en kabeljauw. Tevens wordt gehandeld in luxe vissoorten, zoals krab en kreeft.
- B.V. [DD] (hierna: [DD] ). Deze dochtermaatschappij werkt voornamelijk in loonproduktie voor [CC] . [H] is in september 1977 opgericht naar Engels recht onder de naam [A] Ltd. Het doel van deze vennootschap is in- en verkoop van haring en andere vissoorten voor het Verenigd Koninkrijk, alsmede de verwerking van haring en de export daarvan naar Europa. [H] behaalt in het onderhavige jaar met een personeelsbestand van circa 90 personen een omzet van £ 1.060.000. [I] is met de tot het concern behorende en naar Nederlands recht opgerichte vennootschappen verbonden in een zogenoemde fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
De inkoop en verkoop van ruwe vis ten behoeve van het concern wordt sinds 1979 geleid door [O] . Voordien berustte de leiding daarvan bij [G] , die met ingang van het onderhavige jaar is belast met algemene zaken. [EE] , voorheen directeur van [I] en later commissaris, is ook bij de inkoop van het concern betrokken.
[P] maakt als grondstof voor de verwerking tot haring in het zuur gebruik van haring met een relatief laag vetgehalte. Deze haring is goedkoper dan de vette zogenoemde maatjesharing. Deze laatste komt gedurende het seizoen voor in voedselrijke wateren als de Noordzee, de Ierse Zee en rond de Hebriden. Buiten het seizoen wordt in deze wateren ook de goedkopere magere haring gevangen. De magere haring komt met name voor in minder voedselrijke gebieden, zoals de wateren bij Canada. Tot 1976 wordt de haringgrondstof voornamelijk aangekocht op de Nederlandse en Europese markt, veelal Schotland. Aanvullend wordt magere haring aangekocht op de Canadese markt. In 1976 worden voor de EEG-wateren vangstbeperkende maatregelen ingevoerd.
Hierdoor ontstaat een tekort aan Europese haring hetgeen tot prijsstijgingen leidt. [P] ziet zich genoodzaakt de invoer vanuit Canada uit te breiden. Ten behoeve van de organisatie van de inkoop in Canada wordt belanghebbende opgericht voor wie [F] aan het werk gaat.
[F] werkte sinds 1964 bij het in Schotland gevestigde bedrijf [FF] Ltd. (later genaamd: [GG] Ltd.), met welk bedrijf [P] vanouds handelscontacten onderhield. In verband met in 1976 gerezen moeilijkheden tussen [FF] Ltd. en [F] nam [F] begin 1977 ontslag. [P] zette de handelscontacten met [F] voort en betaalt hem voor zijn werkzaamheden een vast bedrag per maand tot zijn aanstelling tot directeur van [H] In mei en november 1977 brengen [EE] en [F] bezoeken aan leveranciers van haring in Canada en oriënteren zich op de Canadese markt omtrent uitbreiding van de inkoop van het concern. Er komen veelvuldige handelscontacten met Canada tot stand. In de jaren 1977 tot en met 1979 wordt aldaar veel haring ingekocht en verder verhandeld. De noodzaak tot inkoop in Canada neemt in 1979 af door de aanvoer van haring vanuit de Oostzee en komt in 1980 door hernieuwde aanvoer van haring vanuit de traditionele Europese viswateren vrijwel geheel te vervallen.
De winst- en verliesrekening over 1979 van belanghebbende luidt in Canadese dollars:
Op grond van een bij het concern, waartoe belanghebbende behoort, gehouden boekenonderzoek is de inspecteur tot de bevinding gekomen dat de feitelijke leiding van [X] N.V. wordt uitgeoefend door de in Nederland gevestigde moedermaatschappij van het concern dan wel dat belanghebbende haar winst heeft behaald door middel van een in Nederland aanwezige vaste inrichting. Bij gebreke van een door belanghebbende ingediende aangifte vennootschapsbelasting 1979 heeft de inspecteur de in Nederland belastbare winst van belanghebbende berekend als volgt:
Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven:
‘’Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in Nederland, hetzij als binnenlands belastingplichtige hetzij als buitenlands belastingplichtige, kan worden belast naar een belastbare winst primair van f 352.861,84 en subsidiair van f 4.838,38, zoals de inspecteur stelt en belanghebbende ontkent.''
Het Hof heeft omtrent de standpunten van partijen vermeld:
‘’Het Hof verwijst voor de standpunten van partijen naar de stukken van het geding.
Kort samengevat komen de stellingen van partijen op het volgende neer:
belanghebbende:
Het door de inspecteur overgelegde bewijsmateriaal leidt niet tot de conclusie dat belanghebbende in werkelijkheid werd geleid vanuit Nederland of dat belanghebbende daar een vaste inrichting heeft. Evenmin is daaruit op te maken dat belanghebbende slechts een administratieve functie vervulde en bestaansrecht zou missen met betrekking tot de inkoop van haring en visproducten op de Canadese markt en de verkoop daarvan.
Tot 1977 kocht het concern op beperkte schaal haring in in Canada. De kwaliteit van de Canadese haring liet te wensen over. De Canadese leveranciers konden blijkens proefleveranties niet aan de gestelde kwaliteitseisen voldoen. De te geringe aanvoer van haring op de Europese markt vanwege de EEG-maatregelen noodzaakte belanghebbende zich in 1977 toch te richten op Canada. Deze markt moest worden onderzocht en geschikt gemaakt om de verlangde kwaliteit te halen. Dit werd bemoeilijkt door de ontstane situatie. De haringmarkt was door de tekorten omgeslagen van een kopersmarkt in een verkopersmarkt. [F] kende de Canadese markt en werd aangetrokken om deze markt te bewerken. Zowel in Schotland als in Curaçao werd een dochtermaatschappij opgericht met welke maatschappijen [F] de gelegenheid kreeg voor het concern de Canadese en Engelse markt te verkennen en te bewerken. [F] maakte daarbij gebruik van zijn kennis en relaties in Canada - zoals [HH] - bezocht regelmatig Canadese visproducenten, kocht haring en hield toezicht op de verwerking daarvan. Bij dit laatste werd vooral [HH] ingeschakeld.
De directie van belanghebbende bevindt zich in Curaçao. De werkelijke leiding met betrekking tot de inkoop en de verkoop voor rekening en risico van belanghebbende berust bij [F] die niet in Nederland woont en slechts voor een korte overgangstijd op de pay-roll heeft gestaan van [P] . Ook is geen sprake van een vaste inrichting van belanghebbende in Nederland. De keuze van de plaats van uitvoering van de internationale werkzaamheden is afhankelijk van het bedrijfsbeleid en berust op bedrijfseconomische gronden. Dit staat niet ter beoordeling van de fiscus.
Uit de overgelegde telexberichten blijkt voldoende dat [F] de zaken voor belanghebbende regelde en dat niet feitelijk vanuit Nederland werd gehandeld al dan niet buiten belanghebbende om. De positie van [EE] en diens activiteiten voor het concern dragen sinds zijn hartaanval in 1974 een beperkt karakter. De in Curaçao aanwezige directeuren verzorgen de administratie van belanghebbende en verstrekken de betalingsopdrachten na fiattering door [F] . De procuratie van [F] is beperkt om te voorkomen dat ‘’ ‘’een greep in de kas’’ ‘’ zou kunnen worden gedaan. Met betrekking tot de omvang van de transacties is er in de praktijk geen beperking geweest. [F] is niet slechts uitvoerder van opdrachten. Dit volgt niet uit het feit dat ook andere personen van het concern contacten met Canada onderhouden noch uit de omstandigheid dat met betrekking tot de door [F] afgesloten contracten over onderdelen daarvan wel rechtstreeks overleg is gepleegd tussen leverancier en uiteindelijke afnemer. De bemoeiingen van de Nederlandse vennootschappen van het concern met belanghebbende zijn niet gedetailleerder dan gebruikelijk is in concernverhoudingen. Uit het overgelegde bewijsmateriaal blijkt dat [F] nieuwe contacten in Canada heeft gelegd en dat niet alleen is voortgegaan met vroegere leveranciers. In 1980 en later zijn de activiteiten van [F] en zijn organisatie ten behoeve van belanghebbende afgenomen, omdat [O] in Nederland de inkoop is gaan verzorgen en [F] te veel werd gebonden door de groei van [H] In [R] .
Ter zitting van 18 januari 1985 is nog het volgende toegevoegd:
Het concern was de grootste klant van belanghebbende. Deze wilde per jaar 10.000 ton afnemen, zodat de verkopen aan derden in verband met de marktsituatie beperkt moesten blijven. Als er verkoopmogelijkheden waren, kocht [F] in Canada in. Hij probeerde in- en verkoop op elkaar af te stemmen. Behalve ter plaatse kocht [F] ook in per telex vanuit [R] . Belanghebbende werkte met bankgaranties en had een kredietfaciliteit gedekt door de moedervennootschap. [F] is niet in Curaçao geweest. Hij fiatteerde van elders de betalingen die door de directeuren werden verricht. [H] kocht in 1977 nog geen haring. Zij kreeg eerst in 1979 een fabriek voor verwerking en roken van vis.
Bij de inkopen in Canada werd [F] geassisteerd door [HH] , een zelfstandig ondernemer wonende in [S] en door twee mensen in dienst van [H] te weten [II] en [JJ] . Aan de activiteiten voor belanghebbende besteedde [F] in de jaren 1977 en 1978 ongeveer 60 dagen per jaar. Hoewel er tussen de leveranciers en de klanten contact was over verpakking, kwaliteit en dergelijke, liet Nederland het commerciële beleid over aan [F] .
Ter zitting van 30 augustus 1985 heeft belanghebbende bij zijn stellingen volhard.
de inspecteur:
Uit het overgelegde bewijsmateriaal blijkt de onzelfstandige positie van [F] , zowel ten aanzien van concernleveranties als ten aanzien van leveranties aan derden.
Voor [F] als procuratiehouder met een procuratie van niet meer dan f 100.000,-- per transactie is het niet mogelijk vele transacties zelfstandig af te sluiten. De door belanghebbende te factureren prijzen en daarmee de marges worden bepaald vanuit Nederland. De betalingen van en aan belanghebbende lopen via de bankrekening in Antwerpen, waarop vanuit Nederland gemakkelijk controle kan worden uitgeoefend. De Nederlandse onderdelen van het concern houden zich gedetailleerd bezig met de wijze waarop belanghebbende haar taak dient te verrichten. De inkoop voor het concern wordt tot 1979 geleid door [G] en daarna door [O] . Ook de beslissingen aangaande de verkoop van belanghebbende aan derden loopt feitelijk via Nederland.
Ter zitting van 18 januari 1985 is nog het volgende toegevoegd:
De inkoop van het concern op de Canadese markt bedraagt sinds 1972 300 ton haring per jaar. [F] verrichtte slechts hulpwerkzaamheden op het terrein van de inkoop voor het concern en fungeert als tussenpersoon in de opzet rond belanghebbende. De kwaliteitsproblemen met de haring zijn gebleven. Niet aangetoond is dat alleen [F] met betrekking tot andere producten dan haring de Canadese inkoopmarkt voor het concern heeft opengelegd voor rekening en risico van belanghebbende.
Op grond van afspraken tussen [I] en de formele directeuren van belanghebbende worden in Nederland de beslissingen genomen. [F] voert slechts instructies uit. Ten aanzien van de inkoopprocedure in Canada is sprake van raamafspraken waarbij [F] na ruggespraak met Nederland betrokken is. De leveranties geschiedden vervolgens op afroep.
Subsidiair wordt gesteld dat de activiteiten van belanghebbende zich hebben beperkt tot de administratieve sfeer. De daaraan toe te rekenen, in Nederland te belasten winst kan worden bepaald met de ‘’cost plus'' methode, waarbij een opslag van 5% als at arm's length kan worden beschouwd.
Hiervan uitgaande dient de belastbare winst te worden verminderd tot f 4.838,38 (5% van Can. $ 59.664,88 a f 1,622).
Ter zitting van 30 augustus 1985 heeft de inspecteur gepersisteerd.''
Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:
‘’Ingevolge het bepaalde in artikel 2 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK) moet in verbinding met artikel 4, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen naar de omstandigheden worden beoordeeld waar een lichaam is gevestigd. Het bepaalde in artikel 34, lid 1, letter b, BRK leidt in het onderhavige geval ertoe, naar moet worden aangenomen en ook niet is betwist, dat beslissende betekenis toekomt aan de plaats waar zich de werkelijke leiding van belanghebbende bevond.
De inspecteur heeft gesteld dat de werkelijke leiding van belanghebbende niet bij [F] of de directeuren in Curaçao berustte, maar bij de in Nederland gevestigde concerndirectie. Deze directie zou ten aanzien van het doen en laten van belanghebbende in feite de beslissingen hebben genomen en daartoe instructies hebben doen uitgaan naar [F] en/of de directeuren in Curaçao die daar vervolgens naar handelden.
Aan de door de inspecteur bij het vertoogschrift overgelegde bewijsstukken genummerd B 3 t/m 5, 18 en 19; C 18 t/m 21; D 6, 7, 11 t/m 13, 16, 19, 25, 28 en 36; E 3 t/m 7; F 2, 6 en 7; F' 5, 8, 14 en 17; G 10; I 6 en K 7 valt naar 's Hofs oordeel het vermoeden te ontlenen dat voormelde stelling van de inspecteur voor juist moet worden gehouden.
Belanghebbende heeft dit vermoeden onvoldoende ontzenuwd.
Uit de bewijsstukken blijkt dat [F] zich alvorens te handelen liet bijstaan door, overleg pleegde met en instructies vroeg aan de leden van de concerndirectie, en dat er vele rechtstreekse contacten bestonden tussen [P] , [CC] en [I] en de leveranciers in Canada.
Voormeld niet ontzenuwde vermoeden vindt steun in de omstandigheden, dat [F] slechts beperkte procuratie had, dat de betalingen - naar niet is betwist - in hoofdzaak liepen via de ABN te Antwerpen (België), dat [F] geen vergaderingen hield met de directeuren in Curaçao en dat die directeuren, naar niet wordt bestreden, zijn aangesteld in een trustverhouding op grond van een afspraak tussen N.V. [E] en [I]
Weliswaar kan er van worden uitgegaan dat [F] een belangrijk deel van de werkzaamheden van belanghebbende verrichtte, doch belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat [F] , nog afgezien van de directeuren in Curaçao, ook feitelijk de leiding had van de onderneming van belanghebbende noch dat hij haar beleid bepaalde in passende onafhankelijkheid van de concerndirectie.
Het gelijk is derhalve aan de inspecteur. De inspecteur heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het belastbare bedrag alsdan f 352.861,84 bedraagt. Belanghebbende heeft geen concrete cijfers bijgebracht waaruit een ander bedrag zou kunnen worden berekend.
Het beroep is mitsdien niet gegrond.''
Op die gronden heeft het Hof de uitspraak van de inspecteur bevestigd.
3. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Zij heeft het volgende middel van cassatie voorgesteld:
‘’Verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt en schending van het recht onder meer van de artikelen 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 2 belastingregeling van het Koninkrijk, artikel 4, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 34, lid 1, letter B van de belastingregeling van het Koninkrijk, doordat het Hof op de in zijn uitspraak vermelde feiten zijnde het verwijzen naar door de inspecteur bij het vertoogschrift overlegde bijlagen heeft geoordeeld, dat de feitelijke leiding van de onderneming van belanghebbende in Nederland gevestigd is.
Naar het oordeel van belanghebbende berust dit oordeel op onjuiste en onbegrijpelijke gronden. De bijlagen B 3 tot en met B 5, D 16, D 19, D 25, D 28, D 36, E 3 tot en met E 6, hebben betrekking op het jaar 1980.
Zonder nadere motivering kunnen dergelijke feiten nimmer enig bewijs vormen dan wel worden gebruikt voor het aannemelijk maken van een stelling over het jaar 1979.
Bijlage B 18 behandelt de vraag in welke valuta de Jaarstukken van [X] N.V. opgemaakt dienen te worden. Dit is uitgesproken een beslissing van de concernleiding, doch deze zegt niets over waar de feitelijke leiding van de vennootschap gevestigd is.
Bijlage B 19 betreft eveneens financiële zaken, welke in elk concern door een financieel directeur worden behandeld.
De bijlagen C 18 tot en met C 21 betreffen aanbiedingen die aan [A] in grote getale zijn gedaan. Uit de processtukken blijkt, dat H van dergelijke aanbiedingen geen gebruik heeft gemaakt. Zonder nadere motivering kunnen deze feiten derhalve geen basis vormen voor de conclusie van het gerechtshof.
Bijlage D 6 behoort bij de bijlagen D 4 en D 5 van het vertoogschrift van de inspecteur. Ten aanzien hiervan is aangetoond, dat [F] en derhalve belanghebbende, de contacten met deze producenten onderhield. Voor bijlage D 7 geldt naar mijn mening hetzelfde als voor bijlage D 6.
De bijlagen D 11 tot en met D 13 geven aan, dat bij de verkoopconditie cash against documents, de documenten rechtstreeks naar Nederland worden gezonden om een tijdige betaling mogelijk te maken. Deze handelwijze zegt niets over wie de inkoopbeslissing in deze heeft genomen.
De bijlagen F 2, F 6 en F 7 betreffen verkooptransacties. Het belangrijkste handelsonderdeel voor de vennootschap was echter de inkoop van grondstoffen.
Zonder nadere motivering kunnen deze bijlagen derhalve geen basis vormen voor de conclusie, dat de feitelijke leiding in Nederland is gevestigd.
Bijlage F 5 geeft juist aan, dat [F] ter zake van de financiën contact opneemt.
Punt D, pagina 2 van bijlage G 10 houdt niet in, dat in deze beslissingen in Nederland worden genomen. Daaruit blijkt alleen, dat de directie de activiteiten van [X] N.V. verder wil stimuleren.
Bijlage I 6 betreft een aanbod van een Canadese leverancier, van welk aanbod [A] verder nooit gebruik heeft gemaakt.
Alle door de inspecteur bijgevoegde bijlagen bij zijn vertoogschrift inzake de procedure voor de Belastingkamer van het Gerechtshof betreffen de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1977 ten name van [I] B.V. te [Q] (Nederland), kenmerk 145/83, waarnaar het gerechtshof in zijn uitspraak voor wat enkele bijlagen betreft, verwijst, zijn door belastingplichtige in die procedure gemotiveerd weersproken.
Deze uitspraak kan dan ook slechts worden bezien in verband met de uitspraak van het Gerechtshof inzake laatstgenoemde procedure.
Uit de bewijsstukken had het Hof niet kunnen concluderen, dat [F] zich liet bijstaan door, overleg pleegde met en instructies vroeg aan de leden van de concerndirectie, waarbij zij opgemerkt, dat het zich laten bijstaan door en het als directeur inkoop overleggen met, gronden opleveren om te kunnen concluderen, dat niet [F] en/of de trustmaatschappij de directie voerde, doch de in Nederland gevestigde concerndirectie.
Ook de in de volgende alinea door het Hof genoemde omstandigheden op zich en ook niet in samenhang met het daarvoor gestelde kunnen de conclusie dragen, dat de feitelijke leiding van de vennootschap in Nederland was gevestigd.
Het feit dat [F] een beperkte procuratie had, terwijl uitdrukkelijk is bewezen, dat de transacties daadwerkelijk middels machtiging van [F] zijn betaald, kan de conclusie van het Hof niet mede ondersteunen.
Hetzelfde geldt naar mijn mening voor het feit, dat belanghebbende een bankrekening in België had. Het is toch algemeen bekend, dat er op Curaçao nauwelijks sprake is van geldverkeer.
N.V. [E] was directrice van belanghebbende. N.V. [E] had daarvoor een overeenkomst met [I] B.V.
Zonder tegenbewijs bepaalt dit feit, dat de vennootschap op de Nederlandse Antillen is gevestigd. Dat tegenbewijs is in de uitspraak niet te vinden.
Niet alleen in strijd met de feiten, doch ook in strijd met het recht is de conclusie van het Gerechtshof, dat [F] niet de feitelijke leiding van de onderneming had. Het Gerechtshof laat ten onrechte buiten beschouwing, dat de formele directeuren daadwerkelijk op Curaçao waren gevestigd.
Verder concludeert het Hof, dat [F] het beleid ter zake van de inkopen niet onafhankelijk van de concerndirectie heeft bepaald.
Zo er al bemoeienis van de concerndirectie is, leidt dit of tot een winstcorrectie bij de Nederlandse vennootschappen, of tot de conclusie dat belastingplichtige een vaste inrichting in Nederland heeft.
Nimmer kan daaruit worden geconcludeerd, dat de feitelijke leiding van de vennootschap in Nederland is gevestigd en de vennootschap als binnenlands belastingplichtige dient te worden aangemerkt.
Verder is onbegrijpelijk de beslissing van het Hof, dat het belastbare bedrag f 352.861,84 bedraagt, bezien in het licht van de opmerking van het Hof, dat [F] een belangrijk deel van de werkzaamheden van belanghebbende verricht. Alsdan kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de provisie van [F] een aftrekbare last vormt.''
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
4. Beoordeling van het middel van cassatie.
Het Hof heeft aan de door de Inspecteur bij zijn vertoogschrift overgelegde, in 's Hofs derde rechtsoverweging aangeduide stukken het vermoeden ontleend dat de werkelijke leiding van belanghebbende bij de in Nederland gevestigde concerndirectie berustte.
Aldus heeft het Hof een op keuze en waardering van de - door het College kennelijk in onderlinge samenhang beschouwde - bewijsmiddelen berustend oordeel van feitelijke aard gegeven, hetwelk in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst en dat op toereikende wijze is gemotiveerd.
Het Hof kon - anders dan het middel wil - betekenis toekennen aan bewijsmiddelen betreffende feiten die zich in 1980 hebben voorgedaan, aangezien die feiten licht kunnen werpen op de toestand zoals deze in 1979 heeft bestaan.
Voor zover het middel berust op de stelling dat de provisie van [F] een aftrekbare last vormt, kan het niet tot cassatie leiden, aangezien uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat die stelling reeds voor het Hof te berde is gebracht, en de beoordeling ervan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie de mogelijkheid ontbreekt.
Uit het bovenoverwogene volgt dat het middel niet tot cassatie kan leiden.
5. Beslissing.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Aldus gewezen door mrs. Royer, vice-president, Jansen, Van der Linde, Baardman en Bellaart, raadsheren. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter raadkamer van 20 april 1988, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Koopman.