17 maart 1989
Eerste Kamer
Nr. 13.231
S.J.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, incidenteel verweerder,
advocaat: Mr. A. van Zalingen,
tegen
1) [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
verweerder in cassatie, incidenteel eiser,
advocaat: Mr. A.J. Bakx,
2) [verweerder 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. E. van Staden ten Brink.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie sub 1 - verder te noemen [verweerder 1] - heeft bij exploot van 28 oktober 1982 verweerder in cassatie sub 2 - verder te noemen [verweerder 2] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd dat de Rechtbank [verweerder 2] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen aan [verweerder 1] te betalen de somma van f. 6.000, -- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der inleidende dagvaarding tot die der algehele voldoening.
Nadat [verweerder 2] tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 19 september 1984 de vordering toegewezen en voorts de procureur van [verweerder 2], thans eiser tot cassatie - verder te noemen [eiser] - persoonlijk en uit eigen beurs in de proceskosten aan de zijde van [verweerder 1] verwezen.
Tegen dit vonnis hebben [verweerder 2] en [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. In hoger beroep heeft [verweerder 1] zijn eis vermeerderd met een tegen [eiser] gerichte vordering.
Bij arrest van 30 mei 1986 heeft het Hof [eiser] niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover dat mede door hem is ingesteld, en hem in de aan de zijde van [verweerder 1] gevallen kosten veroordeeld, voorts [verweerder 1] niet ontvankelijk verklaard in zijn, met vermeerdering van zijn eis voor het eerst
in hoger beroep ingestelde, vordering tegen [eiser], het vonnis van de Rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [verweerder 1] niet ontvankelijk verklaard in zijn tegen [verweerder 2] ingestelde vordering en hem in de aan de zijde van [verweerder 2] gevallen kosten van beide instanties veroordeeld.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld, waarna [verweerder 1] voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep heeft ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie houdende het incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
In het principaal beroep heeft [verweerder 2] zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. [verweerder 1] heeft bij conclusie houdende voorwaardelijk incidenteel beroep onder meer (sub 14) aangevoerd dat [eiser] in zijn cassatievordering niet ontvankelijk is en geconcludeerd tot "verwerping van het beroep". De Hoge Raad verstaat een en ander aldus dat die conclusie tevens als conclusie van antwoord in het principaal beroep is bedoeld en als zodanig strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] althans verwerping van het beroep.
In het incidenteel beroep heeft [eiser] geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder 1], subsidiair verwerping van het beroep, voor zover het beroep zich richt tegen [verweerder 2], en tot verwerping van het beroep voor zover het zich richt tegen [eiser]. [verweerder 2] heeft in dat beroep voorwaardelijk geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder 1], subsidiair verwerping van het beroep, voor zover het beroep zich richt tegen [verweerder 2]
De zaak is voor [eiser] en [verweerder 2] toegelicht door hun advocaten. Voor [verweerder 1] is de zaak niet toegelicht.
De Advocaat-Generaal Leijten heeft in zijn conclusie en in zijn aanvullende conclusie tot verwerping van het principaal beroep geconcludeerd.
3. Beoordeling van het middel in het principaal beroep
3.1 Het gaat in deze zaak, voor zover in cassatie van belang, om het volgende.
In haar vonnis in de door [verweerder 1] tegen [verweerder 2] aangespannen procedure heeft de Rechtbank overwogen dat [eiser] als procureur van [verweerder 2] zich in zijn bediening te buiten is gegaan door, ondanks sommatie daartoe door [verweerder 1], te weigeren mede te delen welke natuurlijke persoon of rechtspersoon "in wezen verwerende als partij onder de gevoerde naam optrad", waardoor volgens de Rechtbank de executie van haar vonnis "op voorhand wordt bemoeilijkt". Op die grond heeft de Rechtbank [eiser] ingevolge art. 58 Rv. persoonlijk en uit eigen beurs verwezen in de proceskosten aan de zijde van [verweerder 1]. [eiser] is door de Rechtbank niet gehoord omtrent haar voornemen tot toepassing van art. 58 over te gaan.
Tegen het vonnis van de Rechtbank hebben [verweerder 2] en [eiser] bij gezamenlijk exploit hoger beroep ingesteld. In dat exploit en in hun gezamenlijke conclusie van eis in hoger beroep wordt geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis, tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding, althans niet-ontvankelijk- verklaring van [verweerder 1] in zijn vordering, althans ontzegging van die vordering, "alles kosten rechtens".
Het Hof heeft beslist zoals hiervoor onder 1 vermeld. Het middel keert zich tegen 's Hofs beslissingen tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in het door hem ingestelde hoger beroep en tot zijn veroordeling in de aan de zijde van [verweerder 1] gevallen kosten van dat hoger beroep.
3.2 Onderdeel 1 van het middel stelt terecht voorop dat indien de rechter aanleiding ziet om met toepassing van art. 58 Rv. een in het geding voor een der partijen optredende procureur persoonlijk in proceskosten te veroordelen, uit het tot de fundamentele beginselen van het procesrecht behorende beginsel van "hoor en wederhoor" voortvloeit dat de rechter die procureur in de gelegenheid dient te stellen zijn zienswijze aan de rechter kenbaar te maken voordat de rechter beslist omtrent het al dan niet toepassen van art. 58.
3.3 Onderdeel 2 komt terecht op tegen 's Hofs oordeel dat een in eerste aanleg persoonlijk in de kosten veroordeelde procureur niet in hoger beroep kan komen van die veroordeling omdat hij niet als partij bij het geding in eerste aanleg betrokken was.
Bij een dergelijke veroordeling gaat het om een verplichting van de procureur persoonlijk. Daarom moet die procureur wat betreft deze kostenveroordeling te zijnen laste worden aangemerkt als een der partijen als bedoeld in art. 332 Rv. en kan hij te dier zake op de voet van dit artikel in hoger beroep komen.
3.4.1 Onderdeel 5 - de onderdelen 3 en 4 behoeven na het voorgaande geen bespreking meer - bestrijdt 's Hofs oordeel dat, gelet op het petitum van de appeldagvaarding en van de conclusie van eis in hoger beroep, niet duidelijk is welk eigen belang [eiser] had om zich naast [verweerder 2] als partij in het appelgeding op te werpen nu hij niet subsidiair - voor het geval dat het vonnis overigens in stand zou blijven - heeft geconcludeerd hem van de in eerste aanleg uitgesproken kostenveroordeling te ontheffen. Kennelijk heeft het Hof ook dit oordeel ten grondslag gelegd aan zijn beslissing [eiser] niet ontvankelijk te verklaren.
3.4.2 Voor zover het onderdeel strekt ten betoge dat het Hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door niet reeds aan de in het petitum opgenomen woorden "kosten rechtens" de gevolgtrekking te verbinden dat [eiser] in elk geval ontheffing van de kostenveroordeling te zijnen laste vorderde, faalt het. Het enkele gebruik van die woorden als sluitstuk van een conclusie tot vernietiging van een in appel bestreden vonnis laat immers ruimte voor de kennelijk door het Hof gehuldigde opvatting dat daarmee slechts wordt bedoeld dat voor het geval van vernietiging van het vonnis zoals gevorderd ook een beslissing omtrent de kosten volgens de toepasselijke rechtsregels wordt verlangd.
3.4.3 Het onderdeel treft echter doel voor zover het zich keert tegen het oordeel van het Hof dat, gelet op het petitum, niet duidelijk is welk eigen belang [eiser] bij het appel had. Mocht het hof hebben bedoeld dat het verlangen van [eiser] om te worden ontheven van zijn veroordeling in de kosten, slechts had kunnen blijken uit een met zoveel woorden - subsidiair - daartoe strekkend onderdeel van het petitum, dan heeft het Hof te strenge eisen gesteld aan de inrichting van een conclusie van eis in hoger beroep en in zoverre blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Indien 's Hofs arrest op dit punt evenwel zo moet worden begrepen dat uit de conclusie van eis in hoger beroep als geheel naar 's Hofs oordeel niet voldoende duidelijk blijkt dat [eiser] heeft geappelleerd om van de kostenveroordeling te worden ontheven ook indien overigens het vonnis in stand mocht blijven, klaagt het onderdeel terecht over onbegrijpelijkheid van het desbetreffende oordeel van het Hof. In die conclusie heeft [eiser], na onder 2 namens [verweerder 2] op de ontvankelijkheid van [verweerder 2] te zijn ingegaan, onder 3.1 tot en met 3.9 uitvoerig betoogd dat en waarom hij persoonlijk ontvankelijk was in zijn beroep, daarbij onder 3.8 erop wijzende dat het belang van hoger beroep "met het ongedaan maken van een ongunstige kostenveroordeling in eerste aanleg gegeven (is)". Voorts heeft [eiser] in die conclusie, in aansluiting aan de grieven I-III van [verweerder 2], een eigen grief voorgedragen waarin hij uitvoerig betoogt dat de Rechtbank hem ten onrechte in de kosten van het geding heeft veroordeeld. In het licht van dit alles laat de conclusie van eis in hoger beroep, voor zover [eiser] betreffende, geen andere gevolgtrekking toe dan dat hij in elk geval vernietiging van de kostenveroordeling te zijnen laste vorderde.
3.5 Uit het voorgaande volgt dat 's Hofs arrest niet in stand kan blijven voor zover [eiser] daarbij niet-ontvankelijk is verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep en in de kosten daarvan is veroordeeld. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. Aangetekend zij in dit verband dat 's Hofs arrest aldus dient te worden verstaan dat de daarin uitgesproken vernietiging van het vonnis van de Rechtbank ook de vernietiging van de veroordeling van [eiser] in de proceskosten inhoudt, zodat geen beslissing dienaangaande meer nodig is.
4. Beoordeling van de middelen in het incidenteel beroep
4.1 Het incidenteel beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat [eiser] in zijn cassatieberoep ontvankelijk wordt geoordeeld. Die voorwaarde is vervuld. Zijn ontvankelijkheid vloeit voort uit het feit dat hij in zijn hoedanigheid van appellant door het Hof is veroordeeld in de kosten en in cassatie die kostenveroordeling bestrijdt.
4.2 Middel III is uitsluitend gericht tegen [verweerder 2] Incidenteel cassatieberoep tegen een medeverweerder in cassatie is niet toegelaten, zodat het middel niet kan worden behandeld en [verweerder 1] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beroep voor zover dit is gericht tegen [verweerder 2]
4.3 De middelen I en II zijn gericht tegen [eiser] en komen op tegen 's Hofs oordeel dat M' Hand niet ontvankelijk is in zijn, met vermeerdering van eis, voor het eerst in hoger beroep ingestelde vordering tegen [eiser].
De middelen falen. Blijkens het in de conclusie houdende voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie onder 31 en 38 gestelde berusten deze middelen op het uitgangspunt dat [eiser] "als volledige procespartij" in de appelprocedure had moeten worden toegelaten of erkend, dus niet slechts voor zover het betreft zijn persoonlijke veroordeling in de kosten. Dat uitgangspunt is onjuist. Een in eerste aanleg ingevolge art. 58 Rv. persoonlijk in proceskosten verwezen procureur is in hoger beroep - indien door hem ingesteld - slechts wat betreft die kostenveroordeling als procespartij aan te merken. Het Hof heeft de door [verweerder 1] in appel bij wege van vermeerdering van eis tegen [eiser] ingestelde vordering dan ook reeds op die grond terecht niet toegelaten.
5. De kosten van het geding in cassatie
De Hoge Raad vindt termen de kosten op het geding in cassatie gevallen te compenseren.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principaal beroep:
vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 mei 1986 voor zover daarbij [eiser] niet-ontvankelijk is verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep en is veroordeeld in de aan de zijde van [verweerder 1] gevallen kosten van dat beroep;
veroordeelt [verweerder 1] in de kosten van het hoger beroep voor zover aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op deze uitspraak begroot op f. 300, -- in totaal;
in het incidenteel beroep:
verklaart [verweerder 1] niet ontvankelijk in zijn beroep voor zover dit is gericht tegen B.I.M .;
verwerpt het beroep voor het overige;
in het principaal en in het incidenteel beroep:
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren De Groot, Hermans, Bloembergen en Roelvink, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op 17 maart 1989.