Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 24.582
11 oktober 1989
PdM
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 11 juni 1986 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.
1. Aanslag en bezwaar.
Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met het kenteken [kenteken] een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over de tijdvakken van 1 maart 1983 tot en met 15 september 1983 en van 16 december 1983 tot en met 31 januari 1984, ten bedrage van f 291, -- aan enkelvoudige belasting en f 291, -- aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd, met het besluit geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen.
2. Geding voor het Hof.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft als tussen partijen vaststaande aangemerkt:
"dat belanghebbende op na te melden tijdstip houder was van een motorrijtuig met kenteken [kenteken] en overigens de kenmerken zoals die zijn vermeld op het aanslagbiljet, waarvan een duplikaat zich bij de stukken bevindt;
dat bij ambtelijke controle is geconstateerd, dat op 13 januari 1984 met dit motorrijtuig de weg in de gemeente [Z] is gebruikt, zonder dat vooraf de belasting was betaald;
dat de nageheven belasting is berekend over de tijdvakken van 1 maart 1983 tot en met 15 september 1983 en van 16 december 1983 tot en met 31 januari 1984. "
Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven:
"dat het geschil de vragen betreft of de belasting terecht is nageheven van belanghebbende mede over een periode waarin volgens belanghebbende met het motorrijtuig niet de weg is gebruikt en of het voormelde besluit terecht is genomen."
Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:
"dat, indien met een motorrijtuig de weg is gebruikt zonder dat vooraf de belasting is betaald, de na te heffen belasting ingevolge artikel 16, lid 2, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 wordt berekend over de twaalf maanden die voorafgaan aan het einde van de maand waarin deze gebeurtenis heeft
plaatsgehad, zulks onder aftrek van de belasting welke voor het motorrijtuig over die tijd reeds was betaald;
dat het aldus te berekenen bedrag van de na te heffen belasting niet wordt beïnvloed door de omstandigheid dat gedurende enig deel van het tijdvak, waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft, met het motorrijtuig de weg niet is gebruikt;
dat voorts naar 's Hofs oordeel geen grond aanwezig is om aan te nemen dat de inspecteur zijn besluit de verhoging niet geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden op enigerlei wijze heeft genomen in strijd met
enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
dat het Hof hierbij mede in aanmerking neemt dat, zoals het hof bekend is, aan de voorlichting ter zake van de motorrijtuigenbelasting aan buitenlanders ook in de landstaal door of vanwege de belastingdienst ruimschoots aandacht wordt besteed;
dat belanghebbendes grieven dus ongegrond zijn. "
Op die gronden heeft het Hof de bestreden uitspraak en het bestreden besluit bevestigd.
3. Geding in cassatie.
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en heeft daarbij de volgende middelen voorgesteld:
-"1. Het Hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn geschonden artikel 6 en 7 van het Europees Verdrag Mensenrechten en artikel 14 van het Internationaal Verdrag van New York inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en wel op grond van het navolgende.
2. Aan belanghebbende is ingevolge artikel 16 Motorrijtuigenbelasting een administratieve boete opgelegd.
Het opleggen van een dergelijke boete is aan te merken als het instellen van een strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag Mensenrechten, welk artikel recht geeft op een behandeling bij een onpartijdige onafhankelijk rechterlijke instantie.
De verhoging c.q. boete is evenwel opgelegd door de Inspecteur, zijnde een niet- rechterlijke instantie en voldoet derhalve niet aan artikel 6 van het Europees Verdrag Mensenrechten.
3. Artikel 6 van het Europees Verdrag Mensenrechten bepaalt dat een ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd voor onschuldig wordt gehouden tot zijn schuld volgens de wet bewezen wordt.
De vervolgende instantie dient derhalve de schuld van de verdachte te stellen en te bewijzen.
Evenwel in het onderhavige geval is het belanghebbende die het initiatief heeft moeten nemen door zich tot de rechter te wenden en heeft moeten bewijzen dat het niet aan zijn opzet of grove schuld te wijten is dat te weinig belasting is geheven.
Immers het initiatief dat de Inspecteur heeft genomen door met het opleggen van de boete een strafvervolging in te stellen, is naar het oordeel van verzoeker ontoereikend om aan de eis van artikel 6 van het Europees Verdrag Mensenrechten te voldoen.
Zonder eigen initiatief van belanghebbende zou namelijk een ingestelde strafvervolging niet tot een rechterlijk oordeel hebben geleid, maar zou een door een niet rechterlijke instantie - de inspecteur - opgelegde straf vaststaan. Deze regeling, de omkering van de bewijslast, is naar het oordeel van verzoeker uitdrukkelijk in strijd met de door artikel 6 van het Europees Verdrag Mensenrechten vereiste waarborg van presumptie van onschuld.
4. Nu sprake is van een strafvervolging had het Hof, met inachtneming van de beginselen van het strafrecht, acht moeten slaan op de relatie tussen de aard en de omvang van de sanctie, het strafbaar feit en de persoon van belanghebbende.
Door dit na te laten heeft het Hof het recht geschonden.
5. Ingevolge artikel 6 van het Europees Verdrag Mensenrechten was het Hof verplicht in het openbaar de zaak te behandelen en uitspraak te doen.
Door zulks na te laten heeft het Hof de in artikel 6 van het Europees Verdrag Mensenrechten geëiste openbaarheid geschonden.
6. Ook artikel 14, lid 5 van het Internationaal Verdrag van New York inzake Burgerrechten en Politieke rechten is geschonden.
Immers dit artikel geeft bij strafvervolging een recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te laten beoordelen door een hoger rechtscollege.
Deze mogelijkheid is als feitelijke behandeling van de onderhavige zaak, gezien de feitelijke behandeling in eerste en hoogste instantie door het Hof, niet aanwezig bij fiscale boeten.
7. Nu artikel 6 van het Europees Verdrag Mensenrechten toepasselijk is op fiscale boeten zullen ook de beginselen van artikel 7 van het Europees Verdrag Mensenrechten van toepassing zijn.
In dit artikel is onder meer neergelegd dat wegens overtreding van een norm geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan op die overtreding gesteld was op het moment dat die begaan werd. In het onderhavige geval heeft de Inspecteur als gevolg van de overtreding de te weinig geheven belasting nageheven. Hij heeft daarbij het bedrag van de verhoging bepaald op 100% van de naheffing, hetgeen inhoudt dat dit bedrag niet aan een maximum is gebonden.
Aldus is in strijd gehandeld met dit in artikel 7 van het Europees Verdrag neergelegde legaliteitsbeginsel. "
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
4. Beoordeling van de middelen van cassatie.
4.1. Het gaat in dit geding - voor zover in cassatie van belang - om een op de voet van artikel 16, lid 1, letter a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 (MRB) aan belanghebbende opgelegde verhoging van 100 percent van de enkelvoudige belasting, ten aanzien waarvan de Inspecteur had besloten geen kwijtschelding te verlenen. Bij zijn in cassatie bestreden uitspraak heeft het Hof de verhoging en het besluit gehandhaafd. Middel 1 behelst een algemene klacht, die in de volgende middelen wordt uitgewerkt en dus geen afzonderlijke behandeling behoeft.
4.2. Gelijk de Hoge Raad bij zijn arrest van 19 juni 1985, BNB 1986/29, heeft geoordeeld, moet het bij naheffing van belasting opleggen van een verhoging worden aangemerkt als "a criminal charge" in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zodat de belastingplichtige aan wie zulk een verhoging is opgelegd, aanspraak heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Met deze verdragsbepaling is, naar in voormeld arrest wordt overwogen, niet onverenigbaar dat om redenen van doelmatigheid een verhoging wordt opgelegd door de voor de desbetreffende belasting bevoegde inspecteur, ofschoon deze niet is aan te merken als een rechterlijke instantie in de zin van voormelde verdragsbepaling, mits slechts de betrokkene in staat wordt gesteld elke beslissing die aldus te zijnen laste wordt genomen, voor te leggen aan een rechterlijke instantie die de in die bepaling vermelde waarborgen biedt. Aan deze eis wordt voldaan door de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) geboden mogelijkheid van beroep tegen de verhoging en tegen het daarop betrekking hebbende kwijtscheldingsbesluit.
Het vorenstaande brengt mee dat middel 2 faalt, alsook middel 3 voor zover het strekt ten betoge dat toepassing van de vorenomschreven regeling strijdig zou zijn met het bepaalde in artikel 6, lid 1, EVRM.
4.3. Voor het overige voert middel 3 aan dat toepassing van de in artikel 16, lid 1, letter a, MRB neergelegde verhogingsregeling onverenigbaar is met het vermoeden van onschuld vervat in artikel 6, lid 2, EVRM, en derhalve ten aanzien van belanghebbende achterwege had moeten blijven, aangezien ingevolge die regeling de belastingplichtige moet bewijzen dat het niet aan zijn opzet of grove schuld is te wijten dat met het motorrijtuig de weg is gebruikt zonder dat vooraf de belasting was betaald.
4.4. Voor zover dit betoog moet worden begrepen in die zin dat opzet of grove schuld een bestanddeel zou vormen van de grondslag vereist voor het opleggen van een verhoging als bedoeld in artikel 16, lid 1, letter a, MRB en dat deze bepaling de belastingplichtige zou belasten met het bewijs van de afwezigheid van dat bestanddeel, gaat het uit van een onjuiste opvatting omtrent die bepaling.
Als grondslag voor het opleggen van een verhoging als in deze bepaling bedoeld is toereikend dat: (1) met het motorrijtuig de weg is gebruikt zonder dat vooraf de belasting was betaald, en (2) de persoon aan wie de verhoging wordt opgelegd, naar de maatstaf van artikel 4 MRB degene is die vooraf de belasting had moeten betalen. Anders dan het geval is met de verhoging opgelegd op de voet van artikel 18, lid 1, AWR - ten aanzien waarvan de Hoge Raad bij zijn arrest van 15 juli 1988, BNB 1988/270, heeft beslist dat opzet of grove schuld een der bestanddelen vormt - maakt opzet of grove schuld echter geen deel uit van de grondslag vereist voor het opleggen van een verhoging op de voet van artikel 16, lid 1, letter a; MRB.
Dit is niet in strijd met het bepaalde in artikel 6, lid 2, EVRM. Gelijk het Europese Hof voor de rechten van de mens bij zijn arrest van 7 oktober 1988 in de zaak-Salabiaku, Publ. Serie A, Vol. 141/A, heeft beslist, ontneemt die bepaling de Verdragsstaten niet de vrijheid om, onder zekere voorwaarden, een feit strafbaar te stellen ongeacht of de dader ter zake van dat feit opzet of schuld heeft. In aanmerking genomen dat het bij de toepassing van artikel 16, lid 1, letter a, MRB uitsluitend gaat om een sanctie van geldelijke aard, waarvan de hoogte - behoudens mogelijkerwijs in uitzonderingsgevallen - betrekkelijk gering blijft en die zich in geval van afwezigheid van schuld voor kwijtschelding leent, kan niet worden gezegd dat het ontbreken in de voor het opleggen van de verhoging vereiste grondslag van opzet of (grove) schuld van de belastingplichtige als - door de belastingadministratie te bewijzen - bestanddeel meebrengt dat de regeling ingevolge het bepaalde in artikel 6, lid 2, EVRM buiten toepassing zou moeten blijven.
4.5. Voor wat betreft de vraag of en in hoeverre een op de voet van artikel 16, lid 1, letter a, MRB opgelegde verhoging in aanmerking komt voor kwijtschelding wegens. afwezigheid bij de belastingplichtige van alle schuld, onderscheidenlijk wegens verminderde schuld zijnerzijds, heeft te gelden dat het op zijn weg ligt om feiten en omstandigheden aan te voeren, waaruit kan volgen dat het zonder voorafgaande betaling gemaakte gebruik van de weg hem niet, dan wel slechts in verminderde mate kan worden verweten.
Voor zover middel 3 aldus moet worden verstaan dat het deze regel met de onderhavige verdragsbepaling onverenigbaar acht, wordt het evenzeer tevergeefs voorgesteld, aangezien - naar uit voormeld arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens valt af te leiden - met die bepaling niet in strijd is dat, indien alle bestanddelen van het te laste gelegde delict zijn bewezen, doch de verdachte zich beroept op gehele of gedeeltelijke afwezigheid van schuld, hij de feiten en omstandigheden dient aan te voeren, waaruit zulks kan volgen.
4.6. De omstandigheid dat het opleggen van een verhoging moet worden aangemerkt als een "criminal charge" in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM, brengt niet mee dat op zodanige oplegging de regels en/of beginselen van het nationale strafrecht van toepassing zijn. Middel 4, dat klaarblijkelijk van een tegengestelde opvatting uitgaat, faalt derhalve.
4.7. Voor zover middel 5 erover klaagt dat het Hof in strijd met artikel 6, lid 1, EVRM de zaak voor wat betreft de aan belanghebbende opgelegde verhoging niet in het openbaar heeft behandeld, wordt het tevergeefs aangevoerd, aangezien belanghebbende - naar de bestreden uitspraak vermeldt - schriftelijk erin had toegestemd dat het Hof zonder mondelinge behandeling uitspraak zou doen, welke toestemming het Hof klaarblijkelijk heeft verstaan in die zin dat belanghebbende tevens afstand deed van zijn recht op openbare behandeling van het door hem ingestelde beroep voor zover gericht tegen de hem opgelegde verhoging en het dienaangaande door de Inspecteur genomen besluit.
4.8. Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat het Hof van zijn beslissing omtrent de verhoging mededeling heeft gedaan in een openbare terechtzitting. De door middel 5 hiertegen aangevoerde klacht behoeft echter niet tot cassatie te leiden, daar de Hoge Raad alsnog zelf die mededeling zal doen.
4.9. Middel 6 betoogt, met een beroep op het bepaalde in artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat ter zake van de in de aanslag begrepen verhoging hoger beroep mogelijk moet zijn op een tweede feitelijke instantie. Het middel treft echter geen doel omdat, gesteld al dat deze bepaling met de daarin gebezigde uitdrukking "reviewed by a higher tribunal" mede het oog zou hebben op een nieuwe beoordeling van feitelijke aard, de voor zaken als de onderhavige door het middel bepleite toepassing van die bepaling de rechtsvormende taak van de rechter te buiten zou gaan. De wet draagt de behandeling van belastingzaken immers in eerste en hoogste feitelijke instantie op aan de gerechtshoven, terwijl zonder een door de wetgever aan te brengen wijziging in de rechterlijke organisatie de Hoge Raad noch enig ander gerecht in aanmerking komt om in tweede feitelijke instantie te oordelen in belastingzaken.
4.10. Middel 7 voert aan dat toepassing. van het bepaalde in artikel 16, lid 1, letter a, MRB onverenigbaar is met artikel 7 EVRM, omdat de verhoging bedoeld in die wetsbepaling niet aan enig maximum
gebonden zou zijn. Deze stelling faalt echter, reeds omdat die verhoging ten hoogste wordt gesteld op een bedrag gelijk aan de na te heffen enkelvoudige belasting. Ook middel 7 kan niet tot cassatie leiden.
5. Beslissing.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de president Royer als voorzitter, en de raadsheren Jansen, Van der Linde, Baardman en Korthals Altes, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 11 oktober 1989.