23 februari 1990
Eerste Kamer
Nr. 13.792
A.S.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] (Bondsrepubliek Duitsland),
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. J.W. Lely,
t e g e n
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: voorheen Mr. J. L. W. Sillevis Smitt,
thans Mr. M.J. Schenck.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen [eiser] - heeft bij exploot van 26 augustus 1986 verweerder in cassatie - verder te noemen [verweerder] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Maastricht en gevorderd de veroordeling van [verweerder] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van DM 4.976,69 of de tegenwaarde daarvan in Nederlandse courant tegen de hoogste dagkoers tot een maximum van f 5.000, -- met de wettelijke rente daarover.
Nadat [verweerder] tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 24 december 1986 [eiser] getuigenbewijs opgedragen.
Tegen dit tussenvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Maastricht.
Bij vonnis van 21 april 1988 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter te Maastricht van 24 december 1986 bekrachtigd.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Asser strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
[eiser] heeft als bestuurder van een auto, merk Peugeot, gekentekend [kenteken] , op of omstreeks 9 augustus 1985 te ongeveer 13.30 uur gereden over de Julianastraat, gelegen binnen de bebouwde kom van Eperheide, gemeente Wittem. De auto van [eiser] is toen daar op de rijbaan in botsing gekomen met een voor [eiser] van links komende koe, eigendom van [verweerder] , een deel uitmakend van een kudde welke door [verweerder] en diens broer vanuit de stal over de weg naar een daartegenover liggend weiland werd geleid. De auto van [eiser] is door die botsing aan de linker voorzijde beschadigd. De schade bedraagt
DM 4.976,69. [eiser] heeft in eerste aanleg vergoeding van die schade tot een maximum van f 5.000, -- gevorderd, stellende dat [verweerder] daarvoor aansprakelijk is op grond van art. 1404 BW. De Kantonrechter was van oordeel dat art. 1404 in casu toepassing mist en heeft - uitgaande van een vordering gebaseerd op art. 1401 BW - [eiser] bewijs opgedragen van schuld van [verweerder] . De Rechtbank deelde het oordeel van de Kantonrechter omtrent art. 1404.
Hiertegen richt zich het middel.
3.2 Zoals de Hoge Raad ook in zijn arrest van 24 februari 1984, NJ 1984, 415, heeft beslist, is de grondslag voor de risico-aansprakelijkheid krachtens art. 1404 voor door het dier aangerichte schade het gevaar dat schuilt in de eigen energie van het dier en het onberekenbare element dat in die energie ligt opgesloten. Dit brengt mee dat voor toepassing van het artikel nodig is dat de schade veroorzaakt is door een eigen gedraging van het dier, waarbij het dier dus niet "als instrument handelt van de persoon, die hem berijdt of leidt" (Toelichting-Meijers op art. 6.3.2.8 NBW). Zolang het dier optreedt overeenkomstig hetgeen de begeleider van hem verlangt, mist art. 1404 toepassing.
3.3 De Rechtbank heeft haar oordeel dat art. 1404 in deze niet van toepassing is, kort gezegd, erop gegrond dat er geen sprake van is dat de schade is ontstaan door een eigen gedraging van de koe nu deze deel uitmaakte van een door [verweerder] en diens broer geleide kudde en gesteld noch gebleken is dat de koe een onverwachte of onberekenbare gedraging heeft vertoond.
Klaarblijkelijk heeft de Rechtbank het hiervoren onder 3.2 vermelde, juiste, criterium voor toepassing van art. 1404 aangelegd. Haar oordeel is voor het overige zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
Op het vorenoverwogene stuit het middel in al zijn onderdelen af.
4. Beslissing
De Hoge Raad: verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op f 456,30 aan verschotten en f 2.500, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer in buitengewone dienst Ras als voorzitter en de raadsheren De Groot, Hermans, Boekman en Davids, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Davids op 23 februari 1990.