MIDDEL I
1. Het Hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd, waarvan niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 348, 350, 358, 359 en 415 van het Wetboek van Strafvordering geschonden, en wel op grond van het navolgende.
2. De politierechter heeft aan rekwirant ten onrechte een gevangenisstraf opgelegd. Tijdens de behandeling ter zitting zijn uitsluitend feiten en omstandigheden ter sprake gebracht en geweest die aannemelijk maken dat de verkochte hoeveelheid hennep(hars) minder dan 30 gram bedroeg. Voorts zijn tijdens het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden aan de orde geweest die aannemelijk maken dat die hoeveelheid meer dan 30 gram bedroeg. Derhalve had de politierechter het bewezen verklaarde feit dienen aan te merken als de overtreding, bedoeld in art. 11 lid 1 van de Opiumwet. Althans is de beslissing in dit opzicht niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
MIDDEL II
1. Het Hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd, waarvan niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 348, 350, 358, 359 en 415 van het Wetboek van Strafvordering geschonden, en wel op grond van het navolgende.
2. Zonder nadere motivering is de overweging van de politierechter, dat de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde feit, gelet ook op het strafrechtelijke verleden van de verdachte, een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 1 maand rechtvaardigt onbegrijpelijk, althans niet zonder meer begrijpelijk, gelet op de zeer geringe hoeveelheid hennep(hars) die werd verkocht (ongeveer 1 gram) terwijl de hoeveelheid hasjish die rekwirant bezat en nog voorhanden had eveneens beperkt van omvang was (25 gram).
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal bepalen dat de stukken van het geding zullen worden gezonden naar de Griffier van het Gerechtshof te Arnhem zodat dit Hof de zaak op het ingestelde hoger beroep kan berechten.
4. Het openstaande rechtsmiddel
Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte telastegelegd dat:
Verdachte op of omstreeks 10 mei 1988, in de gemeente Lelystad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht, althans verstrekt aan [betrokkene 1] en/of een of meer andere personen, althans aan (een) ander(en), althans (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid of hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd), zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Gelet op art. 11, tweede lid, Opiumwet in verbinding met art. 13, tweede lid, van die wet is aldus aan de verdachte mede een misdrijf telastegelegd. Mitsdien staat krachtens art. 56, eerste lid onder a, juncto vijfde lid, R.O. te dezen hoger beroep open en kan ingevolge art. 96, eerste lid van deze wet door de verdachte geen beroep in cassatie worden ingesteld.
5. Slotsom
Het vorenoverwogene brengt mee dat de middelen geen bespreking behoeven en dat moet worden beslist als volgt.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Bepaalt dat de stukken van het geding zullen worden gezonden naar de Griffier van het Gerechtshof te Arnhem opdat dit Hof de zaak in hoger beroep met inachtneming van dit arrest zal berechten.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Van den Blink als voorzitter, en de raadsheren Jeukens, Beekhuis, Bleichrodt en Neleman, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 29 mei 1990.