Hoge Raad der Nederlanden
d e r d e k a m e r
nr. 25.942
3 juli 1991
PdM
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 maart 1988 betreffende na te melden uitspraak als bedoeld in artikel 32 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen voor de heffing van de vennootschapsbelasting voor het jaar 1981 ten laste van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[X] B.V. te [Z].
1. U itspraak van de Inspecteur.
De Inspecteur heeft met machtiging van de Staatssecretaris van Financiën bij uitspraak van 26 november 1985 besloten voor de heffing van de vennootschapsbelasting voor het jaar 1981 geen rekening te houden met:
a. de storting van kapitaal door [A] B.V. (thans: [B] B.V.) in [C] N.V. te [Q] ten bedrage van f 9.346.688,--;
b. de overeenkomst van geldlening ten bedrage van US $ 4.380.918,-- tussen [C] N.V. en [D] B.V., gesloten op of omstreeks 23 december 1980;c. de overeenkomst van geldlening ten bedrage van US $ 4.380.918,-- tussen [C] N.V. en belanghebbende, gesloten op of omstreeks 9 april 1981;
2. G eding voor het Hof.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft als vaststaand aangemerkt:
"2.1. Belanghebbende maakt deel uit van de [I] , een internationaal concern gericht op de levering van goederen en diensten aan de olie-, staal- en mijnbouwindustrie, waarvan de moedermaatschappij in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd en aldaar ter beurze is genoteerd. De omzet van de [I] bedroeg in 1980 £ 274.000.000. Deze omzet werd behaald met activiteiten in meer dan 30 landen door ruim 100 tot de groep behorende produktiebedrijven.