26 april 1991,
Eerste Kamer
Nr. 14.229
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. J. Groen,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr.Dr. M. Teekens.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen [eiser] - heeft bij exploot van 25 februari 1988 verweerder in cassatie - verder te noemen [verweerder] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Tilburg en gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van f 2.894, -- met de wettelijke rente daarover vanaf 5 januari 1988. Nadat [verweerder] tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij vonnis van 28 juli 1988 de vordering van [eiser] toegewezen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 1988 en met ontzegging van het meer of anders gevorderde.
Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Breda.
Bij vonnis van 25 april 1989 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis van de Kantonrechter vernietigd en de vordering van [eiser] afgewezen.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
[eiser] heeft van [verweerder] vergoeding van schade gevorderd, die [eiser] stelt te hebben geleden als gevolg van een advies van [verweerder] . Dit advies hield in een door [eiser] verhuurde woning niet te betreden en niet opnieuw te verhuren tot de Kantonrechter eindvonnis zou hebben gewezen in een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming, die [eiser] voerde tegen [huurster] , de huurster van die woning.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat dit advies onjuist is. Dit oordeel moet in het licht van hetgeen de Rechtbank verder overweegt, kennelijk aldus worden begrepen dat het advies achteraf bezien - met name gelet op het eindvonnis van de Kantonrechter in de ontruimingszaak - onjuist was. Dit oordeel, wat er ook van zij, is in cassatie niet bestreden.
Vervolgens heeft de Rechtbank onderzocht of het geven van dit advies wanprestatie oplevert. Daarbij heeft de Rechtbank tot uitgangspunt genomen dat er alleen sprake is van wanprestatie als een redelijk handelend - waarmee de Rechtbank bedoelt: een redelijk bekwaam en redelijk handelend - vakgenoot dit advies niet zou hebben gegeven. Dit uitgangspunt is juist en wordt dan ook door het middel niet bestreden.
Het middel klaagt dat de Rechtbank hier blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent hetgeen een redelijk handelend vakgenoot te dezen behoorde te doen en dat de motivering van het vonnis innerlijk tegenstrijdig en onvoldoende is. Deze klachten falen. De Rechtbank heeft onder meer overwogen dat door [eiser] in de procedure tegen [huurster] was gesteld dat het gehuurde niet was ontruimd door [huurster] en dat deze ook niet de sleutels had ingeleverd, dat er onduidelijkheid bestond over het al dan niet ontruimd zijn van de woning en dat de Kantonrechter ter zake van de ontruiming een bewijsopdracht aan de huurster heeft verstrekt. Door te oordelen dat het advies van [verweerder] onder die omstandigheden geen wanprestatie jegens [eiser] opleverde, heeft de Rechtbank geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dit oordeel zozeer is verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie niet verder op zijn juistheid kan worden getoetst. Dit oordeel is ook niet innerlijk tegenstrijdig en behoefde geen nadere motivering.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op f 456,30 aan verschotten en f 2.500, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Bloembergen, Roelvink, Davids en Heemskerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 26 april 1991.