Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 27.246
18 september 1991
JvdV .
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van [X] aan boord van het motorschip [A] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 februari 1990 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de premieheffing-volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof.
Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1983 een aanslag in de premieheffing volksverzekeringen opgelegd naar een premie-inkomen van f 33.545, -- , welke aanslag, in verband met terugwenteling van het verlies over het jaar 1984, door de Inspecteur eerst bij beschikking van 11 maart 1987 en vervolgens bij beschikking van 22 juli 1987 ambtshalve is verminderd tot een aanslag naar een premie-inkomen van ƒ 14.521, -- , op grond waarvan telkens de premieheffing over het jaar 1983 is verminderd met een bedrag van f 6.226, --. Daarna heeft de Inspecteur belanghebbende een navorderingsaanslag in de premieheffing over het jaar 1983 opgelegd ten bedrage van f 6.226, -- , zonder verhoging.
Belanghebbende is tegen de navorderingsaanslag in beroep gekomen bij het Hof, dat de navorderingsaanslag heeft gehandhaafd.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie.
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs , uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie.
De middelen falen, aangezien 's Hofs, in cassatie niet bestreden, oordeel dat de tweede beschikking bij de gemachtigde niet de indruk heeft gewekt te berusten op een - mogelijk onjuiste - nadere vaststelling van de elementen van de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de premieheffing over het jaar 1983, gelet op de omstandigheid dat belanghebbende zijn belastingzaken voor de onderhavige jaren kennelijk door de gemachtigde deed behandelen en beide beschikkingen aan de gemachtigde zijn toegezonden, 's Hofs beslissing zelfstandig draagt.
4. Beslissing.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Baardman, Bellaart en Korthals Altes, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 18 september 1991.