ECLI:NL:HR:1992:ZC5033

ECLI:NL:HR:1992:ZC5033, Hoge Raad, 08-07-1992, 27963

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 08-07-1992
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 27963
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 25 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002320 BWBR0002471 BWBR0005537

Samenvatting

Naheffingsaanslag in de loonbelasting. Niet geconcludeerd.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

Derde kamer

Nr. 27.963

8 juli 1992

EG

ARREST

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiƫn tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 februari 1991 betreffende na te melden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] B.V. te [Z] opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1982 tot en met 31 december 1986 een naheffingsaanslag in de loonbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 546.334,-- aan enkelvoudige belasting en f 6.423,-- aan verhoging, met het besluit geen verdere kwijtschelding van de verhoging te verlenen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd met een bedrag van f 135.919,-- aan enkelvoudige belasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie.

De Staatssecretaris van Financiƫn heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten.

3.1. Het Hof heeft vastgesteld dat de aanvullende loonbetalingen waarop de bestreden naheffingsaanslag in de loonbelasting betrekking heeft bij de genieters daarvan in de inkomstenbelasting zijn betrokken. Het heeft vervolgens onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 5 mei 1954, gepubliceerd in BNB 1955/144, en van 3 januari 1962, gepubliceerd in BNB 1962/61, geoordeeld dat er onder deze omstandigheden geen plaats meer is voor de heffing van loonbelasting over deze inkomsten.

3.2. Het Hof heeft niet vastgesteld op welke tijdstippen de verschillende genieters van de aanvullende loonbetalingen in de heffing van de inkomstenbelasting zijn betrokken. In cassatie moet dan veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat het Hof heeft geoordeeld dat ook voor zover die tijdstippen zijn gelegen na het tijdstip van oplegging van de bestreden naheffingsaanslag er voor heffing van loonbelasting geen plaats meer is. In dat veronderstelde geval heeft het Hof evenwel aan de in 3.1 genoemde arresten, die beide betrekking hadden op een naheffingsaanslag die aan de inhoudingsplichtige werd opgelegd, nadat oplegging van een (navorderings-)aanslag aan de belastingplichtige reeds had plaatsgevonden, een te ruime werking toegekend en blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

3.3. Een naheffingsaanslag in de loonbelasting blijft in stand indien nadat deze is opgelegd loonbetalingen waarop hij betrekking heeft in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken. Indien er immers in dergelijke gevallen voor heffing van loonbelasting over die betalingen geen plaats meer zou zijn, zou dit de inspecteur nopen tot aanpassing van de naheffingsaanslag in de loonbelasting telkens wanneer nadien een (navorderings-)aanslag in de inkomstenbelasting wordt opgelegd. Aangezien bij de heffing van loonbelasting en inkomstenbelasting verschillende eenheden van de belastingdienst betrokken kunnen zijn zou de vereiste aanpassing van de naheffingsaanslag in de loonbelasting op ernstige uitvoeringsproblemen stuiten, in het bijzonder wanneer een naheffingsaanslag betrekking heeft op loonbetalingen aan grote aantallen werknemers. Tot een andersluidend oordeel dwingen noch de tekst, noch doel en strekking van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

3.4. De klachten treffen doel. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Beslissing.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Mijnssen, Wildeboer, Zuurmond en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Zandhuis in raadkamer van 8 juli 1992.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl BNB 1992/299 met annotatie van P. den Boer FED 1992/591 FED 1992/833 met annotatie van C. OVERDUIN WFR 1992/1089 V-N 1992/3308, 8 met annotatie van Redactie
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?