Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 28.503
18 november 1992
SK
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 september 1991 betreffende na te melden aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging van een onroerende zaak een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van f 4.200, -- , zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het onderhavige "mobile home" een zaak is die zo al niet naar haar aard, dan toch door bestemming onroerend is. Dit oordeel wordt in cassatie terecht bestreden.
3.2. Het "mobile home" zou naar zijn aard slechts dan onroerend zijn indien het duurzaam met de grond zou zijn verenigd. Van zodanige vereniging is blijkens de door het Hof als vaststaand aangemerkte feiten geen sprake.
3.3. De omstandigheden dat het "mobile home" tot blijvend gebruik aan het onderhavige perceel grond is verbonden alsmede dat belanghebbende zowel van het perceel grond als van het "mobile home" de eigendom heeft, brengen niet mee dat het "mobile home" onroerend door bestemming is. Immers, daartoe is tevens vereist dat het perceel en het "mobile home" zich door onderling overeenstemmende eigenschappen zodanig van soortgelijke percelen en "mobile homes" onderscheiden dat het "mobile home" het kenmerk vertoont tot een blijvend gebruik aan slechts het onderhavige perceel te zijn verbonden. Dienaangaande is door het Hof niets vastgesteld.
3.4. De klacht is gegrond. De uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen, omdat uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding niet blijkt dat door de Inspecteur is aangevoerd dat het perceel en het "mobile home" eigenschappen als de vorenbedoelde hebben, en daarvoor na verwijzing geen gelegenheid meer is.
4. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Inspecteur alsmede de aanslag en gelast dat door de Staatssecretaris van Financiƫn aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van f 300, -- alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van f 75, -- , derhalve in totaal f 375, --.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Fleers in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Zandhuis, in raadkamer van 18 november 1992.